Vredenburgh in het Rottenest. Brouwerij. oudevrouwenhuis, kraakpand, dansstudio Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     September 10, 2011    
6744   0   0   0   0   0

Een veilige burcht in het Rottenest

De bewogen geschiedenis van huis Vredenburgh

TEKST: Peter-Paul de Baar & Katja Kreukels

altWaar de waterstromen van de Oudezijds Voorburgwal en Oudezijds Achterburgwal samenkomen staat een fascinerend, middeleeuws ogend gebouw dat beide kades abrupt afsluit.. Dat is het huis Vredenburgh, een van die mooie gebouwen met een gevarieerde gebruikshistorie die tijdens de Open Monumentendagen 2011 even open gaan voor het publiek. Ooit was het een brouwerij, in de 19de en 20ste eeuw een oudevrouwenhuis, en nu wonen er gelegaliseerde krakers, die er onder meer een dans- en theaterstudio hebben ingericht.

De roerige geschiedenis van dit huis begint al meteen met een kleine ‘onregelmatigheid’. Het huis werd gebouwd in 1499, in opdracht van Jacob Andriesz Boelens, pater familias van een van de machtigste regentengeslachten in de stad. In 21 jaar tijd werd hij vijftien keer voor een jaar tot en van de vier regerende burgemeesters gekozen. Toen hij tijdens zijn derde burgemeesterschap dit huis liet neerzetten, werd hij op de vingers getikt: het huis stond veel te dicht aan de gracht; niemand kon er meer langs. Hij kwam ervan af met een boete, die voor de helft werd besteed aan de bouw van twee bruggen voor de ‘burgerij’ evenwijdig aan de zuidkant van het huis, de huidige Armbrug en Vredenburgerbrug.aansluitend op de Vredenburgersteeg.

Boelens vestigde er een brouwerij. Hij verkocht die aan Sybrant Buyck, die haar doorverkocht aan Wessel Lantsinck. Diens dochter Neel trouwde met Cornelis Jacobszoon Bam, aankomend lid van de stadselite, die zo rond 1540 de derde eigenaar werd. Hij werd ook wel Cornelis Jacobsz. Brouwer genoemd, want als je brouwer werd, ging je ook al gauw zo heten. Buurman Jan Pietersz Brouwer was dan ook geen familie van hem – maar wel een concurrent. In 1546 begon die een brouwerij aan de zuidkant van de Vredenburgersteeg, nu Oudezijds

Achterburgwal 4. Maar zijn bier was niet best: keer op keer “verkeerde het in een leelike witte materie”. Raadselachtig, want zijn succesvolle buurman Bam gebruikte hetzelfde graan en hetzelfde water. Er werd een Vlaamse waarzegger bijgehaald, die tegen betaling best de oorzaak wilde uitzoeken. En hij kwam met een conclusie die Jan Pietersz Brouwer niets verbaasde: zijn brouwketels waren betoverd en wel door Marie Holleslooten, de irritante peettante van Jans eigen vrouw maar bovendien de moeder van Cornelis Bam! Een rel was geboren. De ziener inde snel zijn geld en ontvluchtte wijselijk meteen de stad, want Marie Holleslooten was nauw verwant aan ongeveer alle families die het op dat moment in Amsterdam voor het zeggen hadden.

Maar ook de voorspoed van Cornelis Bam alias Brouwer duurde niet eeuwig. Hij werd weliswaar stinkrijk en drong door tot de bestuurselite van de stad. Die groep bleef lang streng-katholiek en trouw aan hun landsheer, de Spaanse koning Willem II. Maar in 1578 namen de protestantse opstandelingen ook in Amsterdam de macht over. De belangrijkste katholieke regenten, onder wie Bam, werden de stad uitgezet. Bam week met zijn gezin uit naar het Duitse Kalkar. Van daaruit machtigde hij zijn Haarlemse schoondochter om zijn huizen in Amsterdam te verkopen. Een Antwerpse koopman nam de brouwerij over. Maar Jacob werd niet snel vergeten. De huidige Vredenburgersteeg heeft lang Cornelis Jacobsz Brouwerssteeg geheten.

De brouwerij was in feite een complex van vier, vijf onderling verbonden huizen. Nadat het bedrijf ter ziele ging, kwam er onder meer een herberg. En die kreeg eind 17de eeuw de naam Vredenburgh. De herbergier van Vredenburgh zal niet blij zijn geweest met de internationale faam van het etablissement pal aan de overkant van de Vredenburgsteeg, nu Oudezijds Voorburgwal 1, naast de voormalige brouwerij van Jan Brouwer. Daar was in de 17de en 18de eeuw herberg Het Grote Wijnvat. In het krap vier meter smalle pand lag een kolossaal wijnvat (met een doorsnee van 3 meter) op z’n kant. Als je daar inkroop, vond je in het midden een lange tafel met aan weerszijden zitbanken. Met een beetje inschikken konden er 32 drinkers zitten!

Paarse jurk en grijze omslagdoek

Terug naar Vredenburgh. Dat huis, intussen geen herberg meer, werd in 1725 verkocht aan Ludovicus Reyniers, pastoor van de katholieke schuilkerk Het Hert aan de overkant van de Voorburgwal, beter bekend als Ons’ Lieve Heer op Solder. Die wilde daar een grotere, nieuwe schuilkerk inrichten. Op instigatie van alerte dominees stak het stadsbestuur daar een stokje voor. Maar in 1797 kwam er een eind aan de officiële achterstelling van de katholieken en zo kon in 1829 Vredenburgh alsnog een rooms bolwerkje worden.

Want in dat jaar komt de vrome Theresia Spijker ten tonele. Zij was opgevoed door haar al even godvruchtige oom en tante. Oom Johannes Loohuys was een welvarende winkelier in de Warmoesstraat. Hij wilde een deel van zijn vermogen graag gebruiken voor hulp aan onfortuinlijk geloofsgenoten. En pleegkind Theresia, op haar 35ste nog steeds ongetrouwd, was graag bereid dat project te leiden. Met geld van Loohuys werd dus Vredenburgh gekocht. Daar ging Theresia wonen en ze nam tegelijk vier arme en bejaarde katholieke vrouwen bij zich in huis, om daar voor ze te zorgen. Dat experiment ging goed, dus besloot Theresia besloot de opvang uit te breiden en er een formeler karakter aan te geven. Geld had ze daarvoor genoeg, want haar eind 1835 gestorven oom had bijna heel zijn kapitaal aan haar nagelaten. Op 22 mei (Eerste Pinksterdag) 1836 ging de instelling officieel open onder de naam Roomsch-Catholyk Burger Oudevrouwenhuis Vredenburgh.

Hoe kleinschalig het ook begon en lang ook bleef, het tehuis voorzag in een behoefte. Wie te oud was om nog geld te verdienen, niet kon worden opgevangen door de eigen kinderen, en ondanks hulp van de ‘bedeling’ niet zelfstandig kon blijven wonen, belandde doorgaans in een ‘gesticht’. Wie nergens anders terecht kon, eindigde in het redelijk beruchte stedelijke Armenhuis alias Werkhuis in de Roetersstraat. De hervormden en lutheranen hadden echter eigen ‘besjeshuizen’, aan de Amstel en Herenmarkt. Voor katholieke mannen op leeftijd kwam daar in 1821 het zeer nette tehuis Brentano’ Steun des Ouderdoms tot stand. Maar voor arme katholieke vrouwen die in eigen sfeer hun laatste jaren wilde slijten bestond zoiets nog niet. Theresia Spijker vulde dus een ‘gat in de markt’. Nou ja, markt? Spijker verdiende er niets aan, behalve dan het maatschappelijk aanzien dat aan openlijke liefdadigheid verbonden was en de hoop op een mooi plaatsje in de hemel. Lang heeft Spijker haar werk niet mogen doen. Al in 1839 overleed zij, 45 jaar oud. In haar testament bepaalde zij dat de door haar benoemde regenten het werk in haar geest moesten voortzetten én uitbreiden. En dat deden zij. Op het hoogtepunt, rond 1870, woonden er 40 vrouwen in het pand.

Eigenlijk bedoelde Spijker haar instituut voor de allerarmsten. Maar haar opvolgers gingen toch inschrijfgeld vragen. Bovendien haalde men liever geen ziekelijke kandidaat-bewoonsters binnen. Maar als die extra geld inbrachten (zoals soms gold voor ex-dienstboden van roomse notabelen), dan was veel bespreekbaar. Dat blijkt onder meer uit hun adressen, vaak in de Jordaan of een smalle steeg in de oude binnenstad. Velen waren een leven lang naaister of dienstbode geweest.

Net als in andere liefdadigheidsinstellingen droegen de bewoonsters uniforme gestichtskleding: dat was goedkoop en praktisch, en als bewoonsters zich buiten het tehuis misdroegen, konden ze meteen worden geïndentificeerd. De Vredenburgh-bewoonsters droegen een paarse jurk en een donkergrijze omslagdoek, en een wit mutsje bekroond door een zwart hoedje.

Zeker vergeleken met het gemeentelijke Armenhuis hadden ze het niet slecht in Vredenburgh. Twee keer per week kwam er zelfs vlees op tafel. En de knusse kleinschaligheid was veel aangenamer dan de toestand in ‘de Roetersstraat’, waar men zonder enig comfort met honderden tegelijk in grote zalen tegelijk moest werken, eten en slapen. Strikte regels waren er natuurlijk ook in Vredenburgh (verplicht dagelijks naar de mis; verplicht huishoudelijk werk, naaien en breien), maar dat gold voor alle gestichten. Boeiend is wel de bepaling dat de bewoonsters die mis alleen in de nabije Sint Nicolaaskerk bijwonen. Die band was kennelijk nauw. Het zal geen toeval zijn geweest dat A.C. Bleys, de architect die de Nicolaaskerk ontwierp, in 1890 ook Vredenburgh mocht verbouwen, althans de zijde langs de steeg. De stijl is moeilijk te benoemen. Het doet enigszins denken aan een deftig stadshuis uit de 16de eeuw , maar door de kleine ramen en het torentje opzij heeft het ook iets van een middeleeuwse burcht.

Hoeren en ratten

De buurt was er intussen niet op vooruit gegaan. Eind 19de eeuw werd steeds vaker geklaagd over dronken en vechtlustige zeelui, gauwdieven en opdringerige hoeren met namen als Matje Scheefduym en Stien de Strottebijtster. En ook over de ratten. De naam Rottenest (rattennest), eerst bijnaam van het huis Oudezijds Achterburgwal 14, ging al snel over op het hele buurtje. Rond 1900 schreef Justus van Maurik daarover in het Algemeen Handelsblad: “Het geheele Rattenest is als het ware doortrokken van jenever en drank, een vieze rommel, waarvoor de fatsoenlijke werkman den neus ophaalt en waaraan de vrouwen uit het volk ‘de pest’ hebben, omdat het meermalen gebeurt dat een derlui ‘lievertjes’ erin verdwaalt en dan berooid en bestolen thuiskomt.”

De verloedering van de buurt (rond 1970 kwam er de drugsellende bij) en het ouderwetse labyrintische interieur maakten in de 20ste eeuw Vredenburgh steeds minder aantrekkelijk, zeker toen na 1960 het ene moderne bejaardenhuis na het andere openging. Na vele jaren van besluiteloosheid, kozen de regenten voor nieuwbouw in Slotervaart, waar in 1977 Nieuw Vredenburgh werd geopend. Het oude tehuis ging op Oudejaarsdag 1976 dicht. Het kwam in handen van een beruchte speculant, Ronald van der Putte. In 1979, toen het complex bijna drie jaar leeg stond, werd Vredenburgh gekraakt, door studenten en artistiekelingen. Zij knapten het met beperkte middelen grondig op, zodat het geschikt werd voor twee woongroepen en oefenruimte voor dans- en theatergroepen. De omwonenden en de buurtagent sympathiseerden. Uiteindelijk wist wethouder Schaefer Vredenburgh samen met een reeks andere panden los te troggelen van de huisjesmelker. Na een ingrijpende nieuwe verbouwing door het Gemeentelijk Woningbedrijf (later opgegaan in corporatie Ymere) mochten de ex-krakers er terugkomen, net als de studio’s.

Schrijver/vertaler Piet Meeuwse (1947) woont er al sinds de kraak in 1979. Vooral de eerste jaren (eindeloos klussen, eindeloos vergaderen) waren slopend en romantisch tegelijk, vertelt hij. Minder aangenaam waren de nachtelijke schreeuwpartijen en angstkreten in de steeg, in de jaren tachtig. Ook de ratten waren er toen nog. Uiteindelijk werd de steeg afgesloten. Dat die nu overdag weer open is, vindt Meeuwse eigenlijk wel goed, mits ’s avonds de hekken weer dicht blijven gaan. Want al zijn de junks vrijwel verdwenen, nu zorgen de lallende en pissende jonge toeristen voor veel overlast. “Iedere bezoeker denkt: op de Wallen kan je de beest uithangen! Toch zou ik niet in neen suffe buitenwijk willen wonen. Het blijft mijn buurtje. En binnen de muren hier ben ik veilig, Het is toch een soort burcht. De muren zijn dik. Binnen hebben we de deuren nooit op slot. We vertrouwen elkaar.”

Literatuur:

Catharina Th. Bakker, Om de erfenis van Theresia Spijker. Een geschiedenis van het roomsch-catholyk burger oudevrouwenhuis Vredenburgh te Amsterdam. Uigave Stichting Vredenburgh, Amsterdam 1998.

[Ons Amsterdam september 2011.]

Powered by JReviews