Nummer 1: Januari 2012


01_2012_Tante_LeenHet levensverhaal van tante Leen verteld door haar zoon Freddie, Midas Dekkers, Vic van de Reijt en Marijke Winnubst, repertoiresamensteller van het Zeedijkkoor en ooit vaste klant van tante Leens thuisbasis Café Concert Royal.

Helena Polder kwam 28 januari 1912 ter wereld op de Lindengracht, 5 augustus 1992 overleed zij als de Peetmoeder van Amsterdam in het Andreas Ziekenhuis. In 2012 gedenken wij dus de honderdste geboortedag en de twintigste sterfdag van Tante Leen: de Nachtegaal van de Willemsstraat, de Keizerin van het levenslied, de Parel van de Nieuwendijk, de Nederlandse Edith Piaf. Ze leeft voort in brons op het Johnny Jordaanplein, kop Elandsgracht. Eeuwige roem en een gouden plaat verwierf de Jordanese met Hand in hand. Onsterfelijk werd ze met Oh Johnny (zing een liedje voor mij alleen).

Van garnalenpelster ‘op de Willemsstraat’* in een gezin van zestien kinderen, van wie er zeven in het kraambed stierven, tot rolstoelpatiënt op een achtpersoonskamer in verzorgingshuis De Poort aan de Hugo de Grootkade. Daartussen voltrekt zich het leven van Neêrlands grootste zangeres in haar tijd en genre. Haar plek is Café Concert Royal, Nieuwendijk 103. Haar ultieme triomf viert ze in het Palladium in Hollywood, al zal ze dat zelf niet zo hebben ervaren. Ze staat op foto’s met Danny Kaye, Gilbert Bécaud, Vera Lynn, Leo Fuld, Rudolf Schock, Ray Charles, Judy Garland en zelfs Seth Gaaikema. Maar naast haar man ‘Ome Bram’ en zoon Freddie is er voor Leentje maar eentje: Johnny Jordaan.
Op haar 43ste wordt de poetsvrouw van de Effectenbeurs na een voorronde in het Roothaanhuis bij een talentenjacht in Krasnapolsky tweede achter kelner Johnny Jordaan met, zeggen de archieven ten onrechte, Hand in Hand, waarvan er daarna 250.000 over de toonbank gaan. Vanaf die tijd treedt ze veelvuldig op met Johnny Jordaan, die om de hoek in de Oudebrugsteeg zingt in Café De Kuil. Rotterdammer Jaap Valkhoff, Harry de Groot en Pi Vèriss componeren en schrijven veel van hun liedjes. Noten lezen kan Tante niet: ze zingt alles “in de spontane terts”, puur op haar intuïtie. En voor goede doelen belangeloos.
In 1975 stopt ze met haar zangcarrière, op nog een sporadisch optreden na. Jongere coryfeeën als Corry Brokken, de Zangeres zonder Naam, later Willeke Alberti en anno nu Marianne Weber nemen het vaandel over. Maar als vertolkster van het Amsterdamse, Jordaanse lied blijft ze onverslagen.
Buurtgenoot Midas Dekkers, opgegroeid onder de Munttoren, niet wetend dat hij een broodjeaapverhaal verkoopt: “Ik vond haar in het post-neuspolieptijdperk mooier zingen dan voordat ze die poliep opliep.” Zingt met dichtgeknepen neus herkenbaar voor: “Want jij bent heus niet slecht.”
Marijke Winnubst (70), repertoiresamensteller van het Zeedijkkoor, destijds bezoekster van ‘Royal’: “Ze zong altijd bij de bar, in de ene hand de microfoon, in de andere de kassahandel. Als je geluk had, want als er niet genoeg klanten waren, zong ze niet. Of ze begon: ‘Oh Johnny’ die-meneer-daar-moet-nog zeven-gulden-afrekenen ‘zing een liedje voor mij alleen’.”

Eeuwige tweede?
Mohamed el-Fers maakte over de ‘Oum Kalsoum der Lage Landen’ voor Mokum TV de documentaire Steeds ben jij in mijn gedachten’(2002), volgens hem kwijtgemaakt door Omroep Salto. Hij noteerde uit de mond van zanger Leo Fuld dat Edith Piaf “zwaar gefascineerd” was door Tante Leen. “Mon Dieu! Qui chante?”, had ze gevraagd toen hij een plaatje van haar draaide bij hem thuis in New York. “Op die oude Nieuwendijk voel ik me Piaf gelijk”, zingt Tante zelf.
Uit archieven en andere bronnen komt Tante Leen naar voren als eeuwige tweede achter Johnny Jordaan of op z’n best naast hem. Zo zong Johnny wel, Tante niet op Paleis Soestdijk. Een Tante Leenplein is er niet. Over haar geen biografie, zoals over Johnny (Bert Hiddema, 2000). In 1968 laat ze het Eurovisiesongfestival schieten. Verzorgingshuis De Poort geeft na aanvankelijke spontane toezegging geen inlichtingen omdat het over “een privépersoon” gaat –Tante Leen verschrompeld tot privépersoon! Op Facebook noemt haar kelner Frits Tang als geliefde musici wel Johnny, maar Tante Leen niet. In de top-20 van de Paroolwedstrijd ‘Amsterdams Lijflied’ eind vorig jaar komt ze niet voor. Haar uitstraling dankt ze dan ook meer aan haar persoon dan aan haar oeuvre.
Zelfs Vic van de Reijts Top 100 van Nederlandstalige Singles haalt ze niet. Maar de uitgever/verzamelaar buigt, hiermee geconfronteerd, diep in het stof: “Pas de laatste tijd ben ik Tante Leen aan het ontdekken en kopen. Heb jaren om haar heengelopen, associeerde haar eerder met Rita Corita dan met een serieuze zangeres. Misschien ook wel vanwege haar al te familiaire artiestennaam. Ten onrechte. Behalve Jordaanrepertoire met een snik heeft ze ook mooie oude liedjes van Eduard Jacobs vertolkt.”
Al met al moet de conclusie van deze rondgang toch luiden: geen Tante Leen zonder Johnny Jordaan. Maar omgekeerd telt het nog sterker: geen Johnny zonder Tante Leen. Kenmerkend is dat de mannelijke helft van deze ‘twee-eiige tweeling’ z’n levenlang ‘U’ en ‘Tante’ is blijven zeggen. Belangrijker is dat Johnny door Tante voor de poorten van de hel is weggesleept toen hij berooid lag te verkommeren in Antwerpen. Dankzij haar kordate optreden, vooral bij ‘meneer Oord’, hun platenbaas van Bovema, kon hij schuldenvrij terugkomen naar Nederland. Johnny zei toen: “Ze verdient een gouden stoel in de hemel.”

Trots op oma
Als Tante Leen op 5 augustus 1992 sterft, dicht haar zoon Freddie Jansen: “De Westertoren zal zachter slaan, zij is niet meer, de koningin van de Jordaan.” We weten dat uit de plakboeken van Peter Pols, chauffeur en ultiem bewonderaar van Tante Leen en Johnny Jordaan, gekoesterd in het Stadsarchief Amsterdam. Zoals een paar jurken en andere voorwerpen van haar bewaard worden in het Amsterdam Museum.
Voor deze gelegenheid haalt Fred Jansen (64) met zijn vrouw Joke, geboren op de Zeedijk, op een zonnige zondagmorgen in hun doorzonwoning herinneringen op aan zijn moeder, met wie hij zoveel jaren boven het café op de Nieuwendijk woonde. Om te beginnen ontzenuwt hij graag een paar misverstanden die de ronde doen: Nee, ze is niet op de Willemsstraat geboren; nee, ze heeft geen neuspoliep gehad; en nee, ze heeft geen spraak- of zangles gehad. Nee, ze heeft in Krasnapolsy niet gewonnen met Hand in hand. Dat was de toegift. Ze won met Steeds ben je in mijn gedachten. En nee, er is niet een verkeerd been afgezet; nee, ze is niet meegereisd op de Australiëtoer van Johnny; en nee, ze is niet met zijn vader, kraanmachinist Ome Bram getrouwd geweest. Voor de burgerlijke stand blijft het dus Helena Kok-Polder, naar haar eerste overleden man Andries. En, verontwaardigd: “Johnny en moeder droegen Ger Oord van Bovema op handen. ‘Afgescheept met een jodenfooi’, wordt dat gezegd? Hij heeft ze wel degelijk in de watten gelegd.”
Zichtbaar ontroerd is Fred Jansen als het gaat om de Ajaxconnectie van de familie. Zijn moeder (“haar vaste passie”) kwam op elke thuiswedstrijd. Fred (50ste seizoenkaart) zit er met zijn zonen Gaby en Donny ook. “Sinds een jaar of twee klinkt voor elke thuiswedstrijd moeders stem door de Arena: Oh Johnny. Gaby zit tien rijen boven mij, Donny aan de overkant. Steken we de duim naar elkaar op, sturen een sms’je: ‘Hé, oma!’ Trots hoor, als je vreemden dat uit volle borst hoort meezingen. Moeder heeft trouwens het liedje Kleine kinderen worden groot aan ze opgedragen.”

Veel bijnamen
Freddie was op z’n achtste aanwezig bij de finale in Krasnapolsky: “Dat wilde ik toch wel meemaken. Op cd’s kan ik nog steeds horen welke liedjes ze zelf graag zong. Dat waren niet de gedoodverfde hits.” Heeft Freddie nooit last gehad van een beroemde moeder? “Nee. Ze stond gewoon om zeven uur op om een ontbijtje voor me te maken. Wat ik wel grappig, ook wat genant vond, is dat zij op haar naam moeiteloos bioscoopkaartjes voor me kreeg nadat ik net te horen had gekregen dat het uitverkocht was.”
Met Johnny en anderen is Tante Leen twee keer in Amerika geweest; behalve Hollywood bezocht ze Las Vegas en de Nederlandse mormonen in Salt Lake City. Fred: “Ze hadden daar aangrenzende hotelkamers. Deed Johnny een stoel tegen de deur, zogenaamd voor de veiligheid. Maar zo kon hij de hort op als moeder sliep.”
Tante Leen heeft veel bijnamen gehad. Welke vindt Fred de mooiste? Resoluut: “De Koningin van de Jordaan. Ze was vooral gecharmeerd van Harry de Groot, haar grote muzikale liefde. Hij liet op zo’n ouderwetse bandrecorder horen wat hij gemaakt had: ‘Nou Leentje – altijd Leentje – vertel maar wat je ervan vindt.’ Vroeg ze mijn oordeel, en dan maakten ze in twee dagen een lp. Later zong moeder in het café met geluidsband. In het begin altijd livebegeleiding: drummer en accordeonist. Eerst Jan Schallig, later Jan Meijer – niet te verwarren met Johnny Meijer – en Joop Goos. Op het Rembrandtplein wel met Eddie Hoorneman. Eddie speelt ook nu nog op het Jordaanfestival, waar ze nog steeds een half uur lang liedjes van moeder spelen. Daar word ik uitgenodigd. Zo organiseert moeders kelner Frits Tang echte Jordaanavonden. Er worden trouwens nog steeds cd’s uitgebracht met moeders liedjes.”
Tante Leen is wel omschreven als erg op de penning. “Vind ik niet het juiste woord”, reageert Fred. “Ze sloeg wel zelf alles op de kassa aan. Mijn ouders waren bedachtzaam, omdat ze wisten: straks komt de belasting. Na een optreden zette vader het benodigde geld meteen weg. Johnny had dat helaas niet, maar die gaf ook veel weg. Een mooie dure jas voor wie het koud had. Moeder zelf zorgde goed voor haar acht overgebleven broers en zusters. Als ze iets niet konden betalen, deed m’n moeder dat. Ze woonden allemaal in de omgeving. Samen op de Haarlemmerstraat klaverjassen. Dus op de penning? Nee.”

Moeders beeld
Tante Leen verkocht de zaak op haar 65ste, in 1977. “Het mocht geen café blijven, want dan had zij de herrie ervan en we bleven er nog een tijdje boven wonen. Er kwam een gokhal, daarna een snoepwinkel, nu is het een tassenzaak. Later verhuisden m’n ouders naar de Heemstedestraat, waar vader is overleden.”
Heeft Fred nog te maken gehad met het standbeeld op de Elandsgracht? “Van de eerste tot de laatste minuut. Johnny (stond er al door een actie van De Telegraaf, die ook een beeld van mijn moeder wilde. Er kwam een benefietavond in Carré. Kees Verkade, die ook Johnny had gebeeldhouwd, zou het maken. Op basis van foto’s kwam hij niet verder. Wij naar hem in Monaco. Ik zeg: ‘Een parelketting. En tieten.’ Mijn moeder had nu eenmaal een flinke buste. In ene zei ik: ‘Dat is d’r.’ Kwam de champagne op tafel. Nu staan ze er met z’n zessen: Johnny, moeder, Johnny Meijer met Manke Nelis, en Bolle Jan met Mien Froger. Ik ben vereerd van hier tot ginder. Welke Amsterdammer kan nou zeggen: ‘Ik ga effe bij het beeld van m’n moeder kijken?’ Een tijdje terug veegde ik duivenpoep van haar buste. Draait een passant z’n raampje open, roept: ‘Afblijven van die tieten!’ Ik roep terug: ‘Ik mag dat, het is mijn moeder.’ Hij: ‘Dan is het goed’. Typisch Jordaans toch?”
Nog even over dat hardnekkige gerucht van ‘het verkeerde been’. Fred: “Onzin. Door de suiker ontstak een teen. Die moest eraf. Daarna is het been onder de knie geamputeerd. Zo kwam ze in een rolstoel. In een prothese had ze, 78 jaar, geen zin.” In die tijd ‘verfrommelde’ het altijd blozende gezicht. Joke vult aan: “Ze was klaar. Moest naar het verpleeghuis. Dat is een periode geweest die ze niet als prettig heeft ervaren.” Fred: “Met alle respect voor de mensen daar: als patiënt heb je niet meer dan een bed, een nacht- en een klerenkastje op een achtpersoons slaapzaal. We kwamen er veel. In het voorjaar moesten we de zomergarderobe in dat kastje proppen.”

Geen cafébezoekster
Had ze nog wel aanloop in De Poort? Fred: “Ja hoor, genoeg.” Joke: “Nou…” Fred: “Peter Pols kwam vaak langs. Joke: “Je moeder hoefde ook niet meer zo op het laatst.” Fred: “Al was ze in de bovenkamer nog fantastisch. Bleek ze midden in de nacht televisie te kijken: ‘Ach jongen, ik heb toch niks te doen’, zei ze dan.”
Was er geen geld over om wat luxer te zitten? “Nee. Miljonair werden de sterren in die tijd niet. Ze hadden ook gewoon een huurhuis. Ik heb ook nooit gezegd: “Mam, denk aan mij.” Zo ben ik niet. Ze gingen lekker twee keer per jaar op vakantie. Frisse lucht inademen in Garmisch-Partenkirchen, zomers naar de Italiaanse bloemenrivièra. De laatste jaren hadden ze – hun luxe – een caravan in Vinkeveen. Vader vissen, moeder gewoon genieten van zon en rust. Maar niet tijdens de bouwvak, want dan kwamen de mensen massaal naar het café om haar te horen zingen.” Joke: “Je moeder was geen cafébezoekster.” Fred: “Wel op het Rembrandtplein met vader, om te kaarten. Mochten wij mee uit eten. In de Oesterbar, Schiller, L’Europe.”
Fred over het levenseinde van Tante Leen: “In de Poort gebeurde een ongelukje. Moeder viel van een mindervalide autolift en brak haar heup. Toen begon het andere been dezelfde symptomen te vertonen. Moest er ook af. In het ziekenhuis kreeg ze na die operatie koorts, longontsteking, raakte in coma en overleed drie dagen later. Precies in dat uurtje dat we er even niet bij waren. Daarna had ze een heel ander gezicht. Was het m’n moeder weer.” Joke: “Toen was ze weer net zo mooi als altijd.” Fred: “Ze wilden nog een autopsie doen, maar dat heb ik geweigerd.”

M. Schmidt is journalist.