Nummer 5: Mei 2012 - Vaudeville verovert Amsterdam


05-2012_variete_theater
Najaar 1839 maakt Amsterdam kennis met een nieuw fenomeen: het Variététheater, geënt op de Franse vaudeville.
Op het toneel staan geen mythische helden of koningen, maar wasmeisjes, kantoorklerken en winkeliers die zich op hilarische wijze in (en ook altijd weer uit) de nesten werken. De 'kleine burger' smult ervan.

Op 2 september 1839 opent de eerste Salon des Variétés haar deuren in de Nes. Een volstrekt nieuwe manier van uitgaan doet zijn intrede in Amsterdam. Een luxe theater met een zacht entreeprijsje waar tijdens de luchtige voorstellingen gedronken en gerookt mag worden. De opzet is zuiver commercieel: het gaat erom zoveel mogelijk geld te verdienen. Lage cultuur, hoge omzet. Ook dat is nieuw. Het concept slaat aan.

Een soort 19de-eeuwse Joop van den Ende, zo mag je Joseph Duport toch wel typeren, de oprichter van de eerste Salon des Variétés. De man die de hardwerkende Amsterdamse burgerij het vermaak bood waar ze naar uitkeek: licht, professioneel theater in een losse sfeer. Dat kende de stad nog niet.
De van oorsprong Frans-Joodse tapper Duport opende in 1836 koffiehuis de Grand Salon aan het Rokin (het huidige Arti et Amicitae) nadat zijn vorige zaak op de Nieuwendijk was afgebrand. Er stond een klein podium waar al voor de overname door Duport af en toe een jong en getalenteerd Joods gezelschap – Les élèves de Bamberg –operettes en zangspelen opvoerde. Duport zag in die combinatie van theater en horeca wel commerciële kansen en vanaf 1838 liet hij het gezelschap enkele avonden in de week vaudevilles opvoeren, waarvoor hij een bescheiden entreeprijs van 50 cent vroeg. Vaudeville was het meest populaire theatergenre van Europa in de eerste helft van de 19de eeuw: korte humoristische stukken waar satirische liedjes op bekende melodieën in verwerkt waren. De avonden liepen zo goed dat Duport besloot een klein (350 zitplaatsen en 100 staanplaatsen) maar luxe vaudevilletheater te openen op de hoek van de Nes en de Kuiperssteeg, De Salon des Variétés.
Amsterdam was in 1839 nog een traditionele standenmaatschappij. De deftige elite, de bourgeoisie, de middenstand en het volk hadden ieder hun eigen gesloten maatschappelijke netwerken en ook het uitgaansleven verliep grotendeels langs de lijnen van de verschillende standen. De drie schouwburgen – de Stadsschouwburg, de Fransche Schouwburg (nu De Kleine Komedie) en de Hoogduitsche Schouwburg – hanteerden een rangenstelsel waarbij het publiek naar prijs en kwaliteit van de plaats in het theater en daarmee het aanzien van de bezoeker gescheiden werd. De Fransche en Hoogduitsche Schouwburg richtten zich door prijsstelling en programma respectievelijk op de elite en de bourgeoisie.

Entree inclusief drankje
Duport mikte op een veel bredere groep, vooral de middenstand. De entreeprijs was laag en voor iedereen gelijk, 75 cent ‘in vertering’, dat wil zeggen inclusief een consumptie bij het buffet. Obers serveerden tijdens de voorstelling dranken in de zaal. Voor de plaatsen gold ‘wie het eerst komt die het eerst maalt’. Het was een gat in de markt, deze nieuwe manier van uitgaan: licht en humoristisch theater, onder het genot van een drankje en dampende sigaar in een volgens tijdgenoten ongebruikelijk losse sfeer. ‘Tout Amsterdam’ trok naar ‘de Varjetee’!
Behalve de ambachtsman en winkelier zat ook de deftige fine fleur in de zaal, dokters en advocaten. De standen mengden zich hier en dit was zo bijzonder dat de schrijver Johannes Kneppelhout alias Klikspaan er zijn verhaal De Salon des Variétés aan wijdde in 1844. Dit beeld van de Salons des Variétés waar de standenmaatschappij werd doorbroken, is altijd blijven plakken. In werkelijkheid lieten de hogere echelons van de Amsterdamse samenleving de Salon na de nieuwigheid van het eerste seizoen weer links liggen. De Salon werd het uitgaanstheater van de middengroepen.
In 1843 raakte het toneelgezelschap waar Joseph Duport in 1838 mee begonnen was, onder leiding van de beroemde komiek Nathan Judels, in een zakelijk conflict met Jean Eugène Duport die zijn inmiddels overleden vader als theaterdirecteur was opgevolgd. Judels verliet samen met acteurs Pierre Boas, Salomon van Biene en Samuel Kapper de Salon aan de Nes en opende in september 1844 de tweede Salon des Variétés van Amsterdam in de Amstelstraat. De ‘Salon van Boas en Judels’ zoals die in de volksmond heette, was een bijna exacte kopie van de eerste in de Nes. Beide Salons bleven zeer populair en trokken zes dagen in de week – de andere schouwburgen waren maar drie dagen in de week open – volle zalen. Het concept was zo succesvol dat Abraham van Lier, die in het gezelschap van Boas en Judels werkzaam was geweest, een derde Salon – het Grand Théatre des Variétés – in de voormalige Hoogduitsche Schouwburg in de Amstelstraat opende in 1852.

Vodjes?
De Salons brachten de vaudeville op de planken. Het eerste voor ‘de markt’ geproduceerde entertainmentproduct uit de geschiedenis. Vaudeville was een van oorsprong Frans genre van korte eenakters die het leven van de snel groeiende Franse burgerij parodieerden. In Parijs bezocht dezelfde burgerij, de middenklasse, met miljoenen de voorstellingen. Schrijvers produceerden aan de lopende band stukken.
Joseph Duport kon in Amsterdam beschikken over zo’n 4000 Franse vaudevilles die hun succes bewezen hadden. Hij hoefde ze alleen maar te laten vertalen. Het programma van de Salons bestond dan ook voor 80% uit vaudevilles ‘naar het Fransch’, aangevuld met originele Nederlandse vaudevilles of vergelijkbare zangspelen. Vaudevilles waren in Amsterdam al vóór 1839 populair. Op de jaarlijkse kermis en in kleine volkstheatertjes als Huis ten Bosch of De Ooievaar werden ze wekelijks opgevoerd, zelden in de drie schouwburgen. De commissarissen van de Stadsschouwburg met hun verheffingsidealen beschouwden vaudeville als plat vermaak, niet als theater of kunst. De literaire en intellectuele elite sprak spottend over ‘vodjes’ – als je er één gezien had, had je ze allemaal gezien. Maar vaudevilles werden niet gemaakt vanuit artistieke of literaire motieven. Zij waren bedoeld om de 19de-eeuwse ‘Henk en Ingrid’ te vermaken en vooral te laten lachen.
De hardwerkende burgerij zag zichzélf op de bühne in de vaudevilles. Geen koningen of mythische helden bevolken het toneel, maar wasmeisjes, winkeliers, kooplui en kantoorklerken, onder prachtige titels als Loods de scheepstimmerman en het garnaalmeisje en Bloedzuigers of de minnehandel in de apotheek. Er zijn geen diepgaande verhaallijnen en de formule is altijd dezelfde. Onverwachte tegenslag of een ongeluk waarmee een van de karakters te kampen krijgt, vormt het plot.
Vaak is dat de komst van een onverwacht of vooral ongewenst persoon, zoals een schuldeiser, een liefdesrivaal, een vervelende verre neef of een hoogwaardigheidsbekleder, die de sociale verhoudingen tussen de karakters op de proef stelt. De karakters kunnen vele vormen en gedaanten aannemen, maar zijn allemaal stereotiep. Dikwijls is er de figuur die van de ene slechte situatie in de andere rolt, altijd is er het personage dat boven het spel staat en de gebeurtenissen een stukje voor lijkt te zijn. Hij (meestal is het een man) staat in contact met het publiek en stapt telkens uit het spel om hoofdschuddend komisch commentaar te leveren op wat zich afspeelt. Een vaudeville loopt altijd goed af, alle problemen lossen uiteindelijk als sneeuw voor de zon op.

Een nieuwe boodschap
Vaudevilles zijn daarom te vergelijken met de huidige sitcoms, zoals Friends of Sex in the city. De voorspelbaarheid – en dus de verwachting – was de basis van het humoristische arsenaal. Vaudeville vergde weinig intellectuele inspanning. Ideaal om de hardwerkende middenstander, onder het genot van een drankje en een rokertje, de beslommeringen van de dag te laten vergeten. Tussen de snelle dialogen, woordgrappen en satirische liedjes door passeerden vrijwel uitsluitend twee onderwerpen de revue: het huwelijk en fortuin maken. Zaken die ook het publiek sterk bezighielden, niet in de laatste plaats omdat ze in de 19de eeuw alles met elkaar te maken. Een goed huwelijk was hét middel om de financiële en maatschappelijke positie te verbeteren.
Politiek revolutionaire idealen ontbraken binnen de vaudeville. De bestaande stands– en sekseverhoudingen werden consequent bevestigd. Maar hoe behoudend ook, toch was de vaudeville in één opzicht modern te noemen. Tussen de regels door bracht de vaudeville een nieuwe boodschap vanuit de massastad Parijs naar het rustige en gezapige Amsterdam : je bent wat je koopt, consumptie bepaalt je welzijn, niet afkomst of stand. Dat viel bij de middenstand in vruchtbare aarde.
Er kwamen nog meer trends uit Parijs overgewaaid. Zo zag het publiek van de Salon van Boas en Judels in 1852 de Franse vaudeville Ik wacht op een omnibus (paardentram), die zich grotendeels in en om de omnibus afspeelt. Het zou nog bijna twintig jaar duren voordat in Amsterdam een omnibus reed. De beroemdste en meest opgevoerde vaudeville was De schoolmeester of het herexamen ten platte lande met Nathan Judels in de hoofdrol van schoolmeester Kras. Deze klucht was ook zeer populair bij scholieren, waaronder de latere letterkundige en toneelliefhebber Mendes da Costa, die van tevoren de liedjes uit zijn hoofd leerde om mee te kunnen zingen.

Gedoe over zondagsrust
Het spel was vrij in de vaudeville, niet volgens de toen geldende klassieke toneelconventies qua beweging en dictie. Acteurs en actrices hadden veel ruimte om te improviseren en een eigen stijl te ontwikkelen. Maar vrijheid-blijheid was het niet. Ze dienden een uitgebreid repertoire te kennen en goed te kunnen zingen. Judels was als komiek de onbetwiste mannelijke ster van de Variétés, Marie Kleine-Gartman, die tussen 1846 en 1856 aan de Salon van Duport verbonden was (voor zij furore maakte in de Stadsschouwburg) de vrouwelijke. Ook de beroemde Louis Bouwmeester begon zijn carrière in de Salon van Boas en Judels in 1861. Maar toen was vaudeville al geleidelijk van de planken verdwenen in de Salons, ten faveure van melodrama’s en spektakelstukken.
De Salons des Variétés waren afhankelijk van grote aantallen publiek dat zes avonden in de week de zaal moest vullen. Vandaar dat Duport zich voornamelijk richtte op de breedste groep die zich geregeld theaterbezoek kon veroorloven in Amsterdam, de middenstand. De lage entreeprijs van 75 cent ‘in vertering’ kwam overeen met die van de gaanderij in de Stadsschouwburg, waar ‘kleine burgers’ hun plek kochten. Balkon, loge of bak waren voor de hogere standen, het volk zat op het schellinkje. Ook de latere aanvangstijd in de Salons – acht uur – was gericht op de middenstand. Ambachtsbazen, winkeliers en kantoorbedienden werkten tot laat door, vaak zes dagen in de week van zonsopgang tot zonsondergang. De zondag was daarom de uitgaansdag bij uitstek voor de hardwerkende burgerij. Helaas had het stadsbestuur de schouwburgen verboden om op ‘de Dag des Heeren’ openbare voorstellingen te geven.
Jospeh Duport heeft van alles geprobeerd om onder dit verbod uit te komen. In 1838 hield hij gefingeerde besloten sociëteitsavonden op zondag onder de naam Door IJver Bloeit De Kunst om zijn zaak aan het Rokin open te kunnen stellen voor betalend publiek. Besloten sociëteiten vielen immers niet onder de wet openbare vermakelijkheden van het stadsbestuur. Maar het stadsbestuur kreeg er lucht van en verleende al na drie weken geen toestemming meer voor de sociëteit.

Drie dagen gevangenisstraf
In juli 1841 was er een tweede botsing en stond hij voor de Amsterdamse kantonrechtbank wegens het openstellen van zijn Salon op Tweede Kerstdag 1840. De zitting werd voorgezeten door rechter Tobie Boas, die tot verrassing van het stadsbestuur Duport vrijsprak. Hij was ontvankelijk voor het verweer: de sluitingswet voor zondagen druist in tegen de grondwet van 1815 waarin alle religies voor de wet gelijk zijn, dus is de verordonneerde sluiting van openbare gelegenheden op zondag een duidelijk voorbeeld waarbij de christelijke religies extra bescherming genieten tegen het gelijkheidsbeginsel in. In hoger beroep werd Duport echter alsnog in het ongelijk gesteld en veroordeeld tot f 25,- boete en drie dagen gevangenisstraf.
Dat rechter Boas Joods was, speelde in dit geval wellicht een rol in zijn oordeel. De Salonbranche werd gedomineerd door Joden die op zaterdag de sabbat vierden. De meeste Salondirecteuren (ook Joseph Duport) en acteurs waren Joods en ongeveer 13% van het publiek was Joods. Relatief is dat een zeer groot aandeel gezien het feit dat het overgrote deel van de Joodse Amsterdammers veel te arm was om regelmatig naar het theater te gaan.
Maar de aanhouder wint. Zoon Jean Eugène Duport probeerde vrijwel ieder jaar een besloten sociëteit voor de zondagavonden in zijn Salon op te richten. Voor het seizoen 1846-1847 verleende het stadbestuur onder strikte voorwaarden toestemming. Zijn sociëteit De Hereeniging telde ongeveer 250 herenleden. Vrouwen konden (zoals toen gebruikelijk) geen lid worden, maar waren tegen betaling van 50 cent als introducee welkom. De drempel was laag zonder ballotageprocedure om aspirant-leden buiten de deur te houden, zoals bij de meeste sociëteiten gebruikelijk was. Heren schreven zich bij de kassa in en kregen tegen betaling van f 10,- een diploma dat toegang gaf tot de zondagse voorstellingen. De Salon van Boas en Judels volgde in 1849 met de sociëteit Nut & Vermaak en Abraham van Lier richtte in 1854 voor het Grand Théàtre de sociëteit Eendracht Maakt Macht op. De nu onderzochte ledenlijsten geven aan wie deze sociëteiten bezocht: de middenstand.

Voorbode
Het nieuwe uitgaansconcept van de Salons was een voorbode van de op commercie en consumptie gebaseerde massamaatschappij die in Amsterdam na 1870 op gang begon te komen. Tegen die tijd waren ze over hun hoogtepunt heen. De Salon van Duport sloot in 1868 haar deuren, onder druk van de inmiddels felle concurrentie op de uitgaansmarkt en de verloedering van de Nes. De Salon van Boas en Judels en het Grand Théàtre in de Amstelstraat bleven in vernieuwde vorm – waaronder de herinvoering van rangen in het theater en een rookverbod – een vaste waarde in het Amsterdamse uitgaansleven tot respectievelijk 1904 en 1912. Geen van de theatergebouwen overleefde de tand des tijds. Op de plek van de Salon van Duport bevindt zich nu wel theater De Engelenbak in een weer bruisende Nes.

Tekst: Jan Tervoort
Jan Tervoort studeerde in januari cum laude af voor de bachelor geschiedenis aan de UvA. Hij runt het rondleidingenbedrijf Amsterjan.