De eerste openbare Montessorischolen Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     November 16, 2012    
4916   0   0   0   0   0

Dossiers

Basisschool De Wielewaal in de Corellistraat (uit 1927) staat in het telefoonboek als “1e Montessorischool”. Maar dat klopt niet helemaal. De oudste Amsterdamse Montessorischool in Amsterdam werd in 1920 geopend door particulieren; kort daarna opende de gemeente twee Montessorikleuterscholen. Maar de Corellistraat-school is onbetwist de eerste openbare Montessorischool voor lager onderwijs. Stevige discussies gingen aan de oprichting vooraf.

Amsterdam Zuid had de primeur voor Nederland: op 22 oktober 1927 werd de eerste openbare lagere Montessorischool officieel in gebruik genomen. De school was gebouwd in het verlengde van de Jan van Eykstraat, nu de Corellistraat. Een van de sprekers die dag was H.G. de Booij-Boissevain, voorzitster van de Amsterdamse afdeling van de Nederlandsche Montessori Vereeniging (NMV), opgericht in 1917. In haar rede sprak zij haar waardering uit voor de kans die het Amsterdamse gemeentebestuur aan het Montessori-onderwijs had gegeven. Haar dank ging vooral uit naar oud-wethouder Eduard Polak, “die zoo krachtig voor dit nieuwe onderwijs had gearbeid”. Aan de opening van de Montessorischool in de Corellistraat ging het nodige vooraf. In 1912 hoorde men in Nederland voor het eerst van de in 1870 in Italië geboren Maria Montessori. Deze gepromoveerde medica, de eerste vrouwelijke arts van Italië, had een opzienbarende onderwijsmethode ontwikkeld. Die methode betekende een totale breuk met het traditionele lager onderwijs, waar kinderen de hele dag kaarsrecht in de banken zaten te luisteren naar wat de onderwijzer(es) hen te vertellen had. Ook rekende Montessori af met de zogeheten bewaarschooltjes. Daar werden kinderen die nog te jong waren voor de lagere school letterlijk “bewaard” en zoetgehouden.

Maria Montessori vond dat kinderen veel meer vrijheid gegund moest worden. Ze moesten zelf op ontdekking kunnen gaan. Kinderen waren namelijk net sponzen die hun omgeving in zich opzogen. Zij namen evenwel niet alles op, maar maakten keuzes naargelang hun belangstelling op een bepaald moment. Wanneer een kind zich bijvoorbeeld ‘gevoelig’ toonde voor rekenen, dan moest de onderwijzeres (in het Montessori-onderwijs leidster genoemd) het kind hiertoe alle gelegenheid geven. Volgens Montessori rustte het kind niet eer het dit rekenen onder de knie had. Niet de volwassenen bepaalden wanneer een kind iets leerde, maar het kind zelf gaf dit aan. De leidsters observeerden en stimuleerden het kind slechts en hielpen zo het kind zichzelf opvoeden.

Ook vond Montessori het belangrijk dat het kind steun kreeg van oudere leerlingen. Daarom was een Montessoriklas niet naar leeftijd, maar naar ontwikkelingsniveau ingedeeld. Jongeren konden zo alvast kijken bij ouderen, waardoor angst voor het onbekende verminderde. Verder had Montessori een hekel aan lesroosters. Niets was immers storender dan het plotseling opgeschrikt worden door de schoolbel om daarna meteen met iets totaal anders te beginnen. Ook het uitvoeren van opdrachten om straffen te vermijden en beloningen te krijgen, waren onbekend in de Montessoriklas. Vrijwillig aan een taak werken, was de ultieme beloning voor het kind.

Naast de intellectuele vorming hechtte Montessori grote waarde aan de lichamelijke en zintuiglijke ontwikkeling. Daarvoor ontwikkelde zij speciale leermiddelen. Ook het interieur van de klas moest aan bepaalde eisen voldoen. Zo mochten er alleen lage kasten staan, zodat kinderen de leermiddelen zelf konden pakken als ze daar zin in hadden.

De methode van Montessori sloeg geweldig aan bij ouders die allang gruwden van het bestaande onderwijs. Een aantal van hen nam het heft in eigen hand. In Den Haag stichtte J. Prins-Werker in 1914 het eerste Montessorikleuterklasje. In Amsterdam gebeurde dat in 1916 door C.W. Tromp. Deze voorbereidende scholen (van kleuterscholen werd toen nog niet gesproken) waren dus particuliere, door de ouders zelf bekostigde scholen. Uiteraard kende de nieuwe methode ook veel tegenstanders. Lange tijd raakten de gemoederen van menig onderwijzer, pedagoog en bestuurder verhit, wanneer deze revolutionaire methode ter spraken kwam.

Een eerlijke kans

Ook de Amsterdamse gemeenteraad dacht na over dit nieuwe onderwijs. Moest het worden gesteund of juist niet? Besloten werd het Montessori-onderwijs het voordeel van de twijfel te gunnen. In 1917 werd een Montessoriproefklas gestart in de gemeentelijke voorbereidende school in de Hasebroekstraat in West. Twee jaar later stuurden B&W een commissie naar Londen om het Montessori-onderwijs in de praktijk te toetsen. In februari 1920 adviseerde de commissie de Montessorimethode in het voorbereidend onderwijs “a fair change” te geven en de proeven in het voorbereidend onderwijs uit te breiden, “zoo daartoe de wensch geuit wordt”. Maar het voorstel van de NMV voor een openbare lagere Montessorischool moest maar blijven liggen tot er voldoende gekwalificeerde Montessori-leerkrachten waren. B&W namen het advies over. De vereniging besloot nu zelf haar plannen door te zetten en in oktober 1920 ging in De Lairessestraat 157 de Amsterdamsche Montessori School open, de eerste particuliere lagere Montessorischool in Amsterdam. Voorzitter van het schoolbestuur was het liberale raadslid Walrave Boissevain. Die vond Onderwijs-wethouder H.J. den Hertog, een partijgenoot, bereid de opening te verrichten. “ondanks zijn gebrek aan vertrouwen in de methode-Montessori”.

Op 1 november 1923 werden B&W verrast door een brief van 32 ouders van leerlingen van de voorbereidende school in de Hasebroekstraat. Hier werd sinds 1922 geheel volgens de Montessorimethode lesgegeven. De ouders wilden graag ook een proef nemen met de Montessorimethode in het lager onderwijs. Ze schreven zó veel vertrouwen te hebben in de methode, dat zij het “voor hunne kinderen welke thans de voorbereidende school gaan verlaten een groot geluk zouden achten ook openbaar lager Montessori-onderwijs te ontvangen”. Ze betreurden het dan ook zeer dat er in Amsterdam nog geen openbare lagere Montessorischool bestond.

Op aandringen van Eduard Polak, sinds 923 wethouder van Onderwijs, name de gemeenteraad dit verzoek in behandeling, ondanks de terughoudendheid van bovenbenoemde gemeentecommissie. De Sociaal Democratische Arbeiders Partij, waartoe Polak behoorde, bepleitte namelijk in haar verkiezingsprogramma van 1922 bevordering van nieuwe onderwijsmethoden door proefscholen. Zodoende konden ook minder welgestelden, die een particuliere school niet konden betalen, profiteren van de eventuele onderwijsvernieuwingen. De SDAP, die begin jaren twintig steeds meer een stempel drukte op het Amsterdamse gemeentebestuur, wilde zelf het fijne weten van de onderwijsvernieuwingen. In januari 1924 installeerde het partijbestuur een onderwijscommissie die zich met deze materie ging bezighouden.

Intussen had de raad, als reactie op verzoek van de ouders, beslist dat de Helmersschool (Eerste Helmersstraat 271) per september 1924 mocht proefdraaien met een klas voor lager Montessori-onderwijs. Alleen kinderen die op een voorbereidende Montessorischool hadden gezeten en wier ouders nadrukkelijk toestemming gaven, werden hier toegelaten. Mogelijk was dit positieve besluit mede ingegeven door het bezoek dat Maria Montessori van november 1923 tot februari 1924 aan Nederland bracht. Zij gaf hier diverse cursussen en lezingen.

Nadat het gemeentebestuur toestemming had verleend voor de oprichting van deze Montessoriproefklas, nam de belangstelling gestaag toe. Wethouder Polak ontving uit allerlei delen van de stad verzoeken van ouders die voor hun kinderen ook Montessori-onderwijs wensten. Lang niet alle aanvragen konden gehonoreerd worden, want er waren veel te weinig gediplomeerde Montessorileerkrachten. En soms werd een verzoek niet serieus genomen, zoals blijkt uit een begeleidend briefje van de gemeente-inspecteur van onderwijs aan Polak. Hij had een lijst met handtekeningen ontvangen van 45 ouders uit de Transvaalbuurt, vijftien uit Watergraafsmeer en zeven uit de Muiderportbuurt. Zij wensten ook een Montessorischool in Oost. De inspecteur vertrouwde het niet: “Het is niet onmogelijk dat velen wier namen op deze lijsten voorkomen den naam Montessori voor het eerst in hun leven gehoord hebben van den propagandist die hunne handtekeningen kwam inzamelen”.

Een waarlijk socialistische samenleving

Ondertussen was de onderwijscommissie van de SDAP druk doende met haar onderzoek. Nieuwe onderwijsvormen onderzocht de subcommissie Schoolhervorming, waarin zitting hadden: Th.J. Thijssen, J.W. Albarda, A. Adelaar-Fürth, A.H. Gerhard, P. Voogd en J. van Gogh-Wibaut. Naast het Montessori-onderwijs werd ook het Daltononderwijs onderzocht. De Daltonmethode brak minder radicaal met het traditionele onderwijs dan die van Montessori. In de Daltonschool werd ook individueel gewerkt en mocht elk kind zijn eigen tempo bepalen, maar er werden wél taken opgegeven en het bleef mogelijk om klassikaal les te geven.

Uit de discussies in de commissie bleek al snel dat eigenlijk alleen Adelaar-Fürth en Van Gogh-Wibaut, (dochter van wethouder van Financiën F.M. Wibaut) veel zagen in het Montessori-onderwijs. Vooral eerstgenoemde stak haar enthousiasme niet onder stoelen of banken. Andere leden waren echter erg sceptisch. Achter die zogenaamde vrijheid in het Montessori-onderwijs ging een “een sterk suggestief element” schuil, schamperden zij; openlijk ‘sturen’ door de onderwijzer leek ze beter. Leuk natuurlijk, die vormen en kleuren, maar goed leren lezen, schrijven en rekenen waren toch de hoofdzaak. Vooral Theo Thijssen (bestuurder van de onderwijzersbond en oud-onderwijzer) verdedigde vurig het zo gesmade klassikale onderwijs. Ook daarbinnen kon een goede onderwijzer heus wel rekening houden met individuele verschillen, mits de klassen niet te groot waren. In het Montessori-onderwijs miste Thijssen “de warme sociale sfeer, die juist vanuit ons standpuntin de school zo nodig is”. (Dat ideaal verbeeldde hij tezelfder tijd in zijn romans Schoolland en De gelukkige klas; die verschenen eerst als feuilleton in zijn blad School en Huis, waarin hij ook van leer trok tegen “de kermistent-achtige reklame-kampagne” voor de Montessorimethode.)

In september 1924 presenteerde de SDAP-commissie een voorlopig rapport. Hierin stond dat het Montessori-onderwijs niet voor openbaar onderwijs in aanmerking kwam, maar voorlopig particulier moest blijven. Hiertegen kwam Adelaar-Fürth in het geweer. Ze was het niet eens met deze uitspraak en wenste dit in een aparte bijlage te vermelden. “Mijn overtuiging dat juist de Montessori-opvoeding geschikt is om een waarlijk socialistische samenleving voor te bereiden, is vaster dan ooit.”

In januari 1925 publiceerde de commissie haar eindconclusies. Er moest vooral méér onderwijs komen, klassen moesten kleiner, de onderwijzer moest meer verdienen en zelfstandiger kunnen werken, handenarbeid moest overal een schoolvak worden en de lichamelijke opvoeding moest meer aandacht krijgen. Meer zelfwerkzaamheid van leerlingen was gewenst en “zo goed als unaniem” pleitte de commissie voor een “losser klasseverband”. Maar: “De kommissie onthoudt zich in dit stadium van een uitspraak voor of tegen het Montessori-onderwijs. “Daarvoor waren nog te weinig onderzoeksgegevens beschikbaar.

SDAP-bestuurder en wethouder Wibaut, die de commissie in 1924 had geïnstalleerd, was teleurgesteld. De conclusies bleven immers achter bij het verkiezingsprogramma waarin steun was beloofd aan proefscholen voor onderwijsvernieuwing. In het partijbestuur brak Wibaut dan ook een lans voor het Montessori-onderwijs. Net als zijn dochter Josina koesterde hij daarvan juist “groote verwachtingen”, al was hem bekend dat menigeen in onderwijskringen “tegenover Montessori nogal sceptisch staat”. Dat klopte. Onderwijzer en kinderboekenschrijver C. Wilkeshuis, medewerker van School en Huis, bekende een halve eeuw later “dat wij, gewone meesters aan klassikale school, de Montessorischolen met wantrouwen en een zekere grimmigheid hebben zien verschijnen”. Zij voelden zich beledigd door de “weinig vleiende schildering” die Montessorianen gaven van het bestaande onderwijs. Want die hadden mooi praten over “hoofdelijk” onderwijs: op de gemiddelde volksschool waren de klassen daarvoor veel te groot!

Hoe groot de verdeeldheid binnen de partijen ook was, het openbaar Montessori-onderwijs wérd uitgebreid. Op 22 april 1925 ging de eerste openbare voorbereidende Montessorischool open. Op Hygiëaplein 14. Deze kleuterschool was geheel volgens Montessoriprincipes ingericht.

In zijn openingsrede liet wethouder Polak zich zeer lovend uit over het Montessori-onderwijs en zijn voorstanders. “De groote overtuiging en toewijding, waarmee de voorstanders van het Montessori-onderwijs hier baanbrekend optraden, hebben het gemeentebestuur er toe gebracht hen te volgen. “Dit te meer omdat de drang uit gaat van de ouders, ook uit de arbeidersklasse, en dus niet uitsluitend is te beschouwen als het geestesprodukt van eenige intellektueelen”. Hij voegde er aan toe dat B&W plannen hadden om nóg een Montessorischool te laten bouwen maar nu voor het lager onderwijs.

Openbaar of standenonderwijs?

In maart 1926 stemde de gemeenteraad over deze eerste openbare lagere Montessorischool, te bouwen in het verlengde van de Jan van Eykstraat. De ze buurt was in de jaren twintig nog in aanbouw en talrijke jonge gezinnen trokken erheen. Verschillende ouders hadden geschreven dat ze veel voor het Montessori-onderwijs voelden en wethouder Polak wilde graag aan die wens gehoor geven. In het communistische raadslid H. van Zelm-van den Berg vond hij een uitgesproken tegenstandster. In haar ogen was het Montessori-onderwijs “standenonderwijs” en dus niets voor arbeiders. Fractieleider David Wijnkoop was het helemaal met haar eens. Volgens hem werd dit onderwijs alleen maar binnengehaald om te concurreren met de scholen van de bourgeoisie. De arbeiders waren er in ieder geval niet bij gebaat. Beiden besloten niettemin vóór de voordracht te stemmen, omdat de school “later gebruikt kan worden als gewone school wanneer wij verlost zullen zijn van de kapitalistische maatschappij”. SDAP-raadslid Liede Tilanus reageerde fel. Zij vond het onzin dat Montessori-onderwijs niet voor arbeiders geschikt zou zijn, omdat “ enkele leden uit de burgerlijke klasse voor die methode zoo zeer gestemd zijn”. Polak viel haar bij: vernieuwingen op onderwijsgebied moesten niet overgelaten worden aan enkelen die het zich toevallig konden veroorloven. Na deze discussie stemde een meerderheid uiteindelijk voor. Niets lag de eerste openbare lagere Montessorischool nog in de weg.

Bij de opening in oktober 1927 werd Eduard Polak, inmiddels Onderwijs-wethouder-af, “herhaaldelijk dank gebracht” voor zijn inzet. Terecht, want zijn rol was van doorslaggevend belang. Nergens in Nederland werd in deze jaren zoveel geëxperimenteerd met het openbaar Montessori-onderwijs als in Amsterdam en ook andere nieuwe onderwijsmethoden werden gestimuleerd. Maar was Polak persoonlijk nu zo’n gedreven Montessoriaan? Afgaand op zijn diverse toespraken, geschriften en interviews, was dat zeker niet de hoofdzaak. Allereerst vocht hij voor het openbaar onderwijs. En onderwijsvernieuwing mocht geen monopolie zijn van de particuliere scholen. In een interview bij zijn 80ste verjaardag (juni 1960) verklaarde hij openhartig; “Het Montessori-onderwijs werd sterk bevorderd, met de heimelijke bedoeling het gewone lager onderwijs een stimulans te geven in de richting van de vernieuwing.” Het Montessori-onderwijs was daarbij een welkom breekijzer, zeker toen ook ouders uit arbeidersbuurten er zelf om vroegen.

Mayke Calis

Powered by JReviews