Het Amsterdam van Kees van Beijnum Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     December 07, 2012    
7238   0   0   0   0   0

Dossiers

Kees van Beijnum schaamde zich vroeger voor de buurt waar hij woonde, maar later maakte hij dankbaar gebruik van zijn jeugd die hij doorbracht op en rond de Wallen. Hij bundelde zijn herinneringen in Dichter op de Zeedijk. Eigenlijk is die titel misleidend, want hij woonde nooit op de Zeedijk en dichter wilde hij al helemaal niet worden.

“De stad is een snijpunt van verhalen. Alle mensen die naar de stad komen, brengen verhalen en geschiedenissen met zich mee. Mij moeder had vroeger een hotel op de Wallen, waar ik de kamers schoonmaakte. In iedere kamer stond wel een voorwerp of lag een foto waar een verhaal achter zat. Dat heeft mijn beeld van de stad gevormd. Of ik nu in het café zit of op straat loop, ik ben mij er altijd van bewust dat ik omringd word door andermans verborgen leed en vreugde.” De verhalen die Kees van Beijnum (1954) hoorde en de beelden die hij zag tijdens zijn jeugd in de ‘warme buurt’ van Amsterdam verwerkte hij in Dichter op de Zeedijk (1996), een semiautobiografische roman. Maar voordat Van Beijnum aan zijn verdichte ‘ autobiografie’ begon, schreef hij eerst nog Over het IJ (1991) en Hier zijn leeuwen (1994) – een omweg die hij naar eigen zeggen nodig had. Een vroege literaire verkenning van zijn jeugd liep op een teleurstelling uit en daarom ging hij eerst de journalistiek in om niet over zichzelf, maar over de drama’s in andermans leven te kunnen schrijven.

De brievenbusmoord

Van Beijnum begon zijn loopbaan bij de inmiddels opgeheven krant De Noord-Amsterdammer, die destijds drie keer per week verscheen. In drie jaar leerde hij daar het vak en ging toen freelancen. Hij werkte voor verschillende dagbladen en damesbladen, maar zijn belangrijkste broodwinning vond hij bij de Nieuwe Revue. Voor dit weekblad schreef hij in 1989 een reportage over de Amsterdamse moordbrigade, die uiteindelijk leidde tot het boek Over het IJ. Het was louter toeval dat de recherche een spraakmakende moordzaak in Noord onderzocht toen Van Beijnum mee liep. N de gang van een galerijflat in De Banne was Klaas Hellendoorne gevonden, die door één fatale kogel bleek e zijn gedood. De daders, twee jongens uit de buurt, hadden door de brievenbus geschoten en daarom ging de zaak de vaderlandse misdaadgeschiedenis in als ‘De brievenbusmoord’. Van Beijnum ging op zoek naar ‘het totale verhaal’ van deze zaak en kwam zo terecht in het troosteloze milieu van de daders. Wat een reportage over misdaad moest worden, werd een boek over de onderkant van de samenleving, waarin de achterstandswijken in Noord met uiterste precisie beschreven staan.

Van Beijnum: “De moord intrigeerde mij; daarom heb ik er uiteindelijk een boek over geschreven. De moord, de kogel was het uitgangspunt. Vandaaruit raakte ik verweven met het leven van de daders en met dat van de familie van het slachtoffer. Allemaal mensen uit de lower class. Ik heb iets met mensen uit de onderste klasse. Ik ben er zelf uit voortgekomen. Het was ook een gunstige bijkomstigheid dat de zaak in Noord speelde. Ik kon daar goed uit de voeten en wist hoe ik de mensen daar moest benaderen.”

Na Over het IJ besloot Van Beijnum zijn journalistieke carrière af te sluiten en zich volledig te wijden aan het schrijven van fictie. Bi zijn reconstructie over ‘De brievenbusmoord’ moest hij zich nog houden aan de feiten, maar qua stijl en structuur is de wording van de romanschrijver al zichtbaar. In 1994 verscheen zijn eerste roman, Hier zijn leeuwen, waarin een eenzelvige, oude man in een psychiatrisch ziekenhuis zijn avonturen in Afrika en New York in de jaren twintig overdenkt. Hoewel Amsterdam het vertrekpunt is, speelt het verhaal zich grotendeels af in een fictieve wereld. Zowel plaats als tijd staan mijlen ver af van de werkelijkheid van de schrijver. Met dit boek rekende Van Beijnum af met zijn journalistieke verleden. “Onbewust,” zegt de schrijver achteraf, “heb ik mij daarom zoveel mogelijk van mijn eigen werkelijkheid afgekeerd. Ik moest afstand houden. Alleen die psychiatrische inrichting kende ik. Ik heb ooit voor een reportage een week in een psychiatrische inrichting in de Van Eeghenstraat gezeten. Daar heb ik mijn hoofdpersoon ook ontmoet. Het was een heel trieste bedoening daar: een zestal doorgebroken herenhuizen waarin tientallen piepkleine kamertjes waren gemaakt. Die kliniek had ik tijdens het schrijven voor ogen, al komt de lezer niet meer te weten dan dat de inrichting vlakbij een groot park staat.”

Het hart van de zonde

Na Hier zijn leeuwen kan Kees van Beijnum het literaire schrijven wél met zijn eigen werkelijkheid combineren. Hij begint aan Dichter op de Zeedijk. De hoofdpersoon, Contstant Wegman, groeit op in De Rode Laars op de Zeedijk. Het is een hotel-café met twijfelachtige reputatie, dat door zijn grootmoeder met ijzeren hand wordt gerund. Hij brengt het grootste deel van zijn jeugd door onder het biljart, waar hij de vaste klanten nauwlettend in de gaten houdt. Een illuster gezelschap buurtbewoners passeert de revue. Drietje, die zijn bouwvakkerspet al jaren niet meer van zijn hoofd heeft gehaald en voor elke zin die hij zegt eerst een kleretyfus of pleurisnogantoe ten gehore brengt. Of Dikke Vera, die twee krukken nodig heeft aan de bar en af en toe met een man naar boven verdwijnt. En niet te vergeten Smeuling, een dwerg die in de Oudezijds Armsteeg een verhuurbedrijf in bakfietsen bestiert en steevast aan de bar in slaap valt. Maar boven alles observeert Constant zijn drank- en goklustige grootmoeder, die onder het dobbelen met één oog in de gaten houdt of de barjuffrouw geen bier uit de tap laat lekken en met het andere oog hoeveel klandizie er bij de concurrentie naar binnen gaat.

Kees van Beijnum heeft nooit op de Zeedijk gewoond, maar bracht een groot deel van zijn jeugd door in de Warmoesstraat. Sinds 1964 dreef zijn moeder daar (op nummer 15) hotel-café Centrum. Kees’ vader was twee jaar eerder overleden en Kees’ grootmoeder had dochter Jos aan deze nering geholpen. Die oma, Johanna Heldoorn-Onsia, stond in de buurt bekend als de onverschrokken tante Jopie. Oorspronkelijk had zij een groentewinkel in West, maar half jaren vijftig was ze in de horeca terechtgekomen. Eerst kocht ze café Emmelot, Oudezijds Voorburgwal 52.
Rond 1960 volgde hotel The Crown, schuin aan de overkant op nummer 21; Emmelot deed ze toen over aan haar dochter Marie. Kees’ moeder stond er een tijd achter de tap, totdat zij Centrum kreeg. Haar broer Herman Heldoorn en zijn Arubaanse vrouw Dahlia wilden nu óók wel een café en de ondernemende Jopie hielp ze aan het wat verlopen café-hotel De Roode Laars, Zeedijk 17, een voormalige schoenmakerij. Het hotel in Dichter op de Zeedijk is een mengeling van horecagelegenheden die Van Beijnums familie van moederskant op en rond de Wallen exploiteerde. De schrijver schoof met panden en personages tot alles op zijn plek stond en er een romanhotel was ontstaan met een eigen architectuur en met eigen wetten.
Van Beijnum: “Ik heb voor het hotel op de Zeedijk gekozen omdat ik de ‘Dijk’ de meest aansprekende straat van de buurt vond. Die heeft de vorm van een kronkelende slang die met zijn bek open onwetende mensen vanaf het Centraal Station opwacht. De Zeedijk werd ook wel het hart van de zonde genoemd. De personages in mijn boek zijn ook samensmeltingen. Het zijn mengelingen van opmerkelijke gasten, die ik tijdens mijn jeugd zag komen en gaan. In Emmelot bijvoorbeeld kwam ook zo’n arbeider die nooit zijn pet afdeed, en op de Voorburgwal woonde Jan-van-‘t-deurtje, die altijd over zo’n half deurtje leunde. Maar alleen die uiterlijkheden nam ik over; de karákters van Drietje en Ben komen helemaal uit mijn fantasie. Alleen mijn grootmoeder heb ik heel natuurgetrouw neergezet. Dat was echt iemand die fier en met blote vuist het leven en haar klanten tegemoet trad. Zij kende geen angst. Als het moest, sloeg ze eigenhandig lastige klanten naar buiten. En gokken, daar hield ze van. Het was de enige vrouw die met de Chinezen meedobbelde.”

Vondel woonde in mijn buurt

De wereld waarin Constant Wegman opgroeit, is er een waar de bevolking goed van de tongriem is gesneden en knokpartijen met de regelmaat van de klok uitbreken. Constant is niet opgewassen tegen de ruwheid van de buurt, waar alleen de brutaalste overleven en het in het leven aankomt op het uidelen van de eerste klap. Constant probeert de klappen juist te ontwijken. Hij is een dromer en creëert zijn eigen wereldje. Het liefst staat hij uren op de brug over de Oudezijds Kolk en staart hij over de Oudezijds Voorburgwal. De brug is zijn observatiepost, zijn eiland van geluk. Hij voert er ellenlange gesprekken met de dichter Vondel, die ooit in de Warmoesstraat een winkeltje in kousen en garen had. Constant, die de magie van taal heeft ontdekt, wil dichter worden en Vondel leert hem het vak.
“Het jongetje uit het boek is het meest fictieve personage,” vertelt Van Beijnum. “Anders dan iedereen denkt, lijk ik niet op hem. Ik wilde helemaal geen dichter of schrijver worden. Als dat al in mijn hoofd was opgekomen, had iedereen me daar hard om uitgelachen, denk ik. Ik was meer een jongen die op de Nieuwmarkt voetbalde, of later pokerde met de Amerikaanse soldaten die in het hotel van mijn moeder verbleven.”
Van Beijnum is zelfs niet in de buurt geboren, maar in de Fannius Scholtenstraat in Oud-West. Vandaaruit verhuisde hij met zijn moeder naar Slotermeer. Zij had toen al wel hotel Centrum, maar vond het beter dat Kees niet op de Wallen opgroeide. Het bleek echter onmogelijk om een hotel op afstand te runnen. Als er crisis uitbrak in het hotel (en dat gebeurde nogal eens) ging het gezin tijdelijk in de Warmoesstraat wonen. Maar toen de nachtportier er met de kas vandoor ging, was de maat vol. Jos van Beijnum-Heldoorn besloot in 1966 permanent haar intrek in het hotel te nemen en Kees verhuisde mee.
“Ik ging toen naar het gymnasium in Osdorp en durfde eigenlijk nooit te zeggen waar ik woonde. ‘In het centrum’ zei ik altijd, of ‘vlak bij het Centraal Station’ als ze me dwongen specifieker te zijn. Maar nooit ‘in de Warmoesstraat’, want dan kleefde er toch wel iets aan je. Tót we op school Vondel gingen lezen en ik hoorde dat hij in de Warmoesstraat had gewoond. Toen was ik opeens heel trots op mijn buurt. ‘Die dichter woonde in míjn buurt en niet bij jullie in Nieuw-West,’ dacht ik toen. Daarom voerde ik hem op in mijn boek. Niet omdat ik nou zoveel met hem heb als schrijver, maar omdat w uit dezelfde buurt komen. Dat mijn hoofdpersoon Constant heet, is natuurlijk geen toeval. Ik heb hem vernoemd naar Constantijntje uit Vondels Kinder-Lyck.

Standsverschil in Slotermeer

Dichter op de Zeedijk eindigt als harddrugs hun intrede doen in de buurt en Constant volwassen wordt. Het verval van de buurt raakt in een stroomversnelling en nare gebeurtenissen volgen elkaar op. Zo moet Constant lijdzaam toezien hoe zijn platonische liefde, het barmeisje Muis, met de buurt, mee verloedert en op zijn droombrug over de Kolk voor het eerst heroïne gebruikt. Het verval van de buurt begint omstreeks 1965, als Constant twaalf jaar is en bereikt zijn dieptepunt als de romanheld volwassen wordt. “Het leek mij mooi dat te laten samenvallen,” zegt Van Beijnum, “daarom is Constant in het boek ook íetsje ouder dan ikzelf. Ik heb er nog de tijd meegemaakt dat niemand het meer leuk vond daar. Midden jaren zeventig was het zo erg dat de postbode de brieven niet meer langs wilde brengen. Die moesten worden afgehaald op het postkantoor. De cafés werden vanwege de drugsoverlast stuk voor stuk dichtgespijkerd. De Roode Laars moest ook dicht, in 1978. De hele buurt is kapot gegaan en van het rijtje familiecafés is alleen café Emmelot nog in de oude staat blijven bestaan, onder de hoed van tante Marie. De voormalige Roode Laars is, na de hele renovatie van de buurt, wel weer open gegaan. Het heet nu De Rode Baron, maar de sfeer van vroeger vind je er niet meer terug.”
Van Beijnum kon de verloedering niet heel lang aanzien en ging op 20-jarige leeftijd op zichzelf wonen in de Pijp. Die buurt was minder woelig dan de ‘Dijk’, maar ook hier vond hij zijn verhalen. De Pijp speelt dan ook een rol in de 1998 verschenen roman De ordening, waarin het leven wordt beschreven van Stella Verstarre, een ex-studente filosofie. Maar het verhaal speelt zich verder vooral af in het Gooi, waar Stella het archief ordent van de weduwe van een voormalig NSB-voorman.
Een echt Amsterdamse romans is wel in de maak. “Mijn volgende boek, De oesters van Nam Kee, speelt in Slotermeer, waar vorig jaar rellen tussen allochtone jongeren en de politie uitbraken. Daar gaat mijn boek zijdelings ook over. Niet ver van Plein ’40-’45 staat midden tussen de hoge flats een rijtje prachtige villa’s, aan het begin van de Burgemeester Eliasstraat. Daar woont mijn hoofdpersoon. Dat stuk straat trok mijn aandacht. Zo’n enorm standsverschil op zo’n kleine oppervlakte vind je nergens.”
De oesters van Nam Kee bevat (zoals de titel suggereert) ook scènes die op de Zeedijk spelen, maar geen herinneringen aan Van Beijnums jeugd op de Wallen. Het is een moderne roman over grootstedelijke problemen. Wel speelt het verhaal weer in een buurt waar Van Beijnum zelf heeft gewoond. Met dit boek, dat begin volgend jaar uitkomt, heeft hij bijna alle plekken waar hij ooit woonde gebruikt. Blijft alleen zijn geboortewijk nog over. Rijpt er in Van Beijnums hoofd wellicht een verhaal dat zich afspeelt in de Staatsliedenbuurt?

Tekst: Marlies Ruiter

Powered by JReviews