Een wandeling door de Hoofddorppleinbuurt Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     April 16, 2013    
8528   0   0   0   0   0

De Hoofddorppleinbuurt is niet de bekendste buurt van Amsterdam. En ook niet de spectaculairste. Toch is het een fascinerend stukje stad, vooral door de menging van de sferen van West en Zuid.

Lang niet iedere lezer zal de buurt spontaan kunnen aanwijzen. Het Hoofddorppleinkwartier (zoals het vroeger vaak werd genoemd) is een lange smalle strook, ten westen van de Schinkel, aan de noordkant begrensd door het Surinameplein en aan de zuidkant door het Aalsmeerplein. Levendig centrum is het Hoofddorpplein. Dat werd, als eerste nieuwbouw in de Sloterbinnenpolder, in 1928 ‘opgeleverd’; zo’n zes jaar later was de nieuwe buurt in hoofdlijnen af.
Maar we beginnen onze wandeling op de Overtoomsesluis, de brug over de Schinkel aan het einde van de Overtoom. Hier hield begin 20ste eeuw de stad op. Vanaf de zuidkant van de brug zien we aan de overkant van het water de Sloterkade. Meteen links van de ingang van de Surinamestraat staat een groot roodbakstenen woonblok uit 1929, van architect Daan Roodenburgh. Het wordt afgesloten door een pand uit 1937, met een blokvormig ‘torentje’. Dat was, tot omstreeks 1960, de Mars-fabriek, van de bekende gevulde chocoladerepen. Tussen de Mars-fabriek (Sloterkade 11) en het daaropvolgende huis met spitse topgevel uit omstreeks 1900, is een smalle gang; die leidde naar een schilderachtig steegje, dat straks uitgebreider ter sprake komt. Even voorbij de ingang van de Andreas Schelfhoutstraat staat het Aalsmeerder Veerhuis uit 1634, sinds een kwarteeuw bewoond door monumentenbeschermer Geurt Brinkgreve. Pal daarnaast zien we de blokkendoos die in 1971 werd gebouwd voor de Bankgirocentrale (in 1999 verbouwd tot appartementencomplex). Bij die verbouwing werd het betonnen skelet weliswaar bekleed met rode baksteen, maar een misbaksel blijft het.

Verdwenen watertoren

We wandelen over de brug rechtuit de Surinamestraat in, naar het Surinameplein. Daar houden we links aan. Het halfronde deel van het plein dateert uit 1927-1929. Aanvankelijk vormde het de grens met het tuinbouwgebied in de Sloterpolder. In de jaren dertig werd de noordkant van het plein verder bebouwd, tot de Westlandgracht. De rest van de zuidzijde dateert uit de jaren vijftig en zestig. In 1962 werd in het verlengde van het Surinameplein over de Westlandgracht de Cornelis Lelylaan geopend; ook het plein ging daardoor op een autoweg te lijken. We proeven hier onmiskenbaar de winderige sfeer van Amsterdam-West. In de jaren negentig werd de hele Hoofddorppleinbuurt nog gerekend tot de wijk Overtoomseveld. Maar sinds een jaar of tien valt de buurt bestuurlijk onder stadsdeel Zuid, waarvoor de standsbewuste buurtbewoners hevig hebben gelobbyd.
Voorbij Surinameplein 27 slaan we linksaf richting de Andreas Schelfhoutstraat. Tot 1921, toen de straat nog in de gemeente Sloten lag, heette ze Bosboomstraat, naar de 19de-eeuwse schilder Johannes Bosboom. Maar na de annexatie door Amsterdam dreigde verwarring met de Bosboom-Toussaintstraat in de Helmersbuurt, vernoemd naar de echtgenote van de schilder, zelf een beroemd romanschrijfster. De straat werd toen vernoemd naar zijn kunstbroeder Schelfhout.
Eerst gaan we even rechtsaf de straat in, naar nummer 39. Daar gluren we door de spleet van het hek en zien een oprijlaantje naar een kapel. Dat is de voormalige hervormde Pro Regekapel (1940; architect Hamerpagt), gesitueerd tussen de achtertuinen van het blok Andreas Schelfhoutstraat-Haarlemmermeerstraat-Floris Versterstraat-Wijsmullerstraat. In 1995 trok deze hervormde gemeente in bij de gereformeerde Woestduinkerk in de Woestduinstraat. De kapel is nu een kinderkledingfabriekje. We keren om en lopen voorbij de Wijsmullerstraat tot de hoek van de Jacob Marisstraat. Links vooruit zien we weer het torentje van de Mars-fabriek. Aan de voet daarvan (ter hoogte van Andreas Schelfhoutstraat 4) stond tot eind jaren zestig een rijtje oude huisjes in Zwitserse chaletstijl, in het verlengde van de gang tussen Sloterkade 11 en 19. Het was een restant van de pre-stedelijke polderbebouwing. Van de Sloterkade via deze straathoek verder in zuidwestelijke richting lag in de jaren twintig nog de Slotervaart. Door de bouw van de buurt werd die steeds korter. Ze verdween geheel in de jaren vijftig, toen de Westelijke Tuinsteden werden gebouwd.
We gaan rechtsaf de Jacob Marisstraat in. Dat die dateert van voor de annexatie van 1921 zien we alleen al aan de huisnummering. Tegen de Amsterdamse regels in lopen de nummers op van het zuiden naar het noorden. Het deel van de straat dat we nu betreden is niet het oudste, maar wel het merkwaardigste. Dat is vooral te danken aan de ‘kabouterhuisjes’ (nummer 79-93), gebouwd door aannemer/architect De Waal in 1919. In 1905 besloot de gemeente Sloten een straat aan te leggen met “woningen voor de betere klasse”, min of meer evenwijdig aan de Sloterkade. Daarmee wilde Sloten niet alleen profiteren van de woningnood in Amsterdam, maar ook de verkeersdrukte op de Sloterkade verminderen. De Jacob Marisstraat werd aanvankelijk dan ook een kleine verkeersader, vooral nadat in 1915 de paardentram van Sloten naar Amsterdam door deze straat ging rijden. Het deel van de straat ten zuiden van het Jacob Marisplein werd gebouwd tussen 1905 en 1910, de rest tussen 1910 en 1920. Doordat de Haarlemmermeerstraat in de jaren dertig de nieuwe hoofdstraat werd, is de Jacob Marisstraat nu een oase van rust. En nog altijd een beetje deftig. Hier woonden steeds veel hoofdambtenaren, schoolhoofden, leraren, architecten, schrijvers en kunstenaars. Bouwkundige Michel de Klerk, voorman van de Amsterdamse School bewoonde van 1911 tot 1917 nummer 24, op 90 woonde jarenlang fotograaf Bernard Eilers (1878-1951) en op 63 G.B.J. Westerman (1880-1971), ‘de paardenschilder’. De schrijver Israël Querido (1872-1932) bracht op nummer 16 zijn laatste jaren door.
Aan het eind van dit deel van de straat ligt het Jacob Marisplein. Het opvallendste huis, in Hollandse renaissancestijl, is nummer 20, gebouwd in 1911. In het hoekhuis nummer 30 woonde eerdergenoemde bouwondernemer J.A. de Waal. Hij was in 1911 de uitvinder van de De Waalpalen, holle met zand gevulde buizen van gewapend beton, die aan elkaar gemonteerd kunnen worden; hun totale lengte werd daardoor vrijwel onbeperkt. Ze worden voornamelijk toegepast waar ouderwets heien ongewenst is.
Helemaal aan de zuidkant van het plein stond van 1908 tot omstreeks 1920 een imposante watertoren. Toen de Jacob Marisbuurt gebouwd werd, kon dit deel van Sloten nog niet profiteren van het in 1853 opgezette Amsterdamse waterleidingnet. Dus begon een particulier bedrijf hier drinkwater te leveren. Het hier opgepompte water bleek echter van slechte kwaliteit. In 1913 ging het Amsterdamse waterleidingbedrijf ook de buurgemeente bedienen. De overbodig geworden watertoren werd zeven jaar later gesloopt.

Particuliere bouwers

Aan het eind van het plein kijken we even naar links, richting Sloterkade. Op de hoek zien we het terras van eetcafé Gent aan de Schinkel, ooit een schipperskroeg. Daartegenover leidt sinds zo’n vijftien jaar een fietsbrug over de Schinkel rechtstreeks naar het Vondelpark. Wij slaan echter rechtsaf de Théophile de Bockstraat in. Even verderop verandert die in een majestueuze boulevard. Dwars over de brede groenstrook (de ‘Koetjeswei’) steken we rechtsaf over naar de Wijsmullerstraat. Volgens het Algemeen Uitbreidingsplan van 1935 zou deze groenstrook een brede gracht worden, maar dat plan ging niet door. Opvallend in de Wijsmullerstraat zijn de brede gemetselde borstweringen. We betreden hier de nieuwe buurt, gebouwd rond 1930, direct na de Mercatorbuurt. In de jaren twintig decreteerde de rechtse regering (net als nu) dat het maar eens afgelopen moest zijn met die sociale woningbouw. De gemeenten en woningbouwverenigingen kregen geen subsidie meer. Het overgrote deel van de Mercatorbuurt en Hoofddorppleinbuurt is dan ook gebouwd door particuliere ondernemers, volgens goedkope procédés. Gelukkig schakelden ze daarvoor, onder druk van de gemeente, meestal wél goede architecten in. De Wijsmullerstraat werd ontworpen door Daan Roodenburgh en J. Zietsma. De eerste zijstraat links is de Floris Versterstraat. Daar zien we tegenover elkaar twee in oorsprong protestantse lagere scholen, links op nummer 11 de Willem van Boeijenschool en rechts (10) de voormalige Pro Regeschool, verbonden met de achtergelegen kapel. Die laatste school herbergt nu onder meer een kinderdagverblijf. We zien dat de protestantse architecten (Roobol, 1931; Op ’t Land, 1932) lak hadden aan de heersende Amsterdamse-Schoolmode. Deze gebouwen verliezen over een jaar of vijf hun onderwijsfunctie, als de Van Boeijenschool met basisschool De Notenkraker (Bennebroekstraat) samensmelt tot één Brede School, te bouwen in de Théophile de Bockstraat. De Van Boeijenschool wordt een ‘culturele broedplaats’, in de Pro Regeschool komen seniorenwoningen.
We komen in de Haarlemmermeerstraat. Dat dit de hoofdstraat van de buurt is, zien we onder meer aan de hoogte van de huizen. Er staan prachtige platanen die vaak nog boven de daken uitsteken. Pal aan de overkant staat nummer 158, waar – op eenhoog – atlete Fanny Blankers-Koen woonde in 1948, toen zij vier keer goud won tijdens de Olympische Spelen in Londen. Op dinsdag 10 augustus werd zij hier na een rijtoer door de hele stad gehuldigd. Buurman A.A. Weyde bood haar namens de hele buurt een nieuwe fiets aan, “opdat ook als haar benen het lopen moe worden, zij snel voort zou kunnen”.
We gaan linksaf de Haarlemmermeerstraat in. De meeste huizen hier zijn in 1931-1934 ontworpen door H.A.J. en J. Baanders, vader en zoon. Al snel kruisen we weer de ‘Théophile de Bockstrook’, zoals het stadsdeel deze groene allee noemt, al heet de noordkant eigenlijk Albert Neuhuysstraat. In de rechter middenberm staat een laagbouwcomplex van beton en glas, in gebruik als jeugdhonk en noodlokalen. Kort na de oorlog – toen er dankzij de ‘ babyboom een nijpend scholentekort was - stond hier een houten ‘Finse noodschool’. Hier is eerdergenoemde Brede School gedacht. De samenkomende scholen van verschillende gezindten blijven zelfstandig, maar delen één speelplaats en andere voorzieningen.
Het volgende deel van de Haarlemmermeerstraat is het mooiste. Herman en Jan Baanders ontwierpen ook deze gevelwanden in Amsterdamse-Schooltrant, met prachtige portiekbogen. Korte tijd later kozen zij overigens voor een meer modernistische stijl, getuige hun strakke Blauwe Theehuis in het Vondelpark (1935).
Rechtsaf door de Weissenbruchstraat komen we in de Warmondstraat en gaan daar linksaf. De rechterkant van de straat werd in 1932-1933 ontworpen door bureau Gulden & Geldmaker. De kapitalistisch klinkende naam ten spijt, was de belangrijkste vennoot Zeger Gulden in de jaren dertig gemeenteraadslid voor de SDAP. De overkant, uit 1929, was een schepping van Piet Kramer, vooral vermaard om zijn schitterende woonblokken en scholen in de P.L. Takbuurt en omgeving en zijn sierlijke bruggen. We passeren de Bennebroekstraat en zien een glimp van basisschool De Notenkraker, vroeger de Bennebroekschool en Warmondschool. Bij Warmondstraat 198 gaan we rechtsaf de Hillegomstraat in. Rechts staat een schoolgebouw in rode baksteen. Sinds 2002 is dit bedrijfsverzamelgebouw AOC Oud-Zuid, waarvan Ons Amsterdam sinds eind maart het middelste lokaal op de eerste verdieping gebruikt. Het werd in 1930 gebouwd door de Dienst der Publieke Werken, tegelijk met het achterliggende schoolgebouw in de Bennebroekstraat. Het rechterdeel van het pand (nummer 12) heette Schinkelschool, het linkerdeel (nummer 14) Hillegomschool. De openbare Hillegomschool droeg de ‘ondertitel’ Eerste School voor Persoonlijkheidsonderwijs. Die onderwijssoort was bedacht door onderwijzer Leo Groeneweg (1877-19xx), die in 1920 toestemming kreeg een proefklas te beginnen in de Staringschool en in 1930 een eigen school naar zijn recept mocht gaan leiden. Het kwam er vooral op neer dat er geen vast lesrooster was en de leerlingen iedere dag zo zelfstandig mogelijk een opgedragen taak moesten uitvoeren. In 1947 ging Groeneweg met pensioen; kort daarna verhuisde de Hillegomschool naar de Rietwijkerstraat, waar de aparte signatuur snel verwaterde.
Aan het eind van de Hillegomstraat ligt de Woestduinstraat; rechtsaf, langs een kinderspeelplaats, komen we in de Bennebroekstraat en gaan linksaf tot de Westlandgracht. Bijna achteraan is nummer 44: dat huis was in 1979 het toneel van een veldslag tussen een knokploeg van de particuliere huisbaas en boze buurtbewoners, die wisten dat hij van plan was het leeggekomen huurhuis te splitsen en per etage duur te verkopen. Dat begon toen een trend te worden en de activisten waren ertegen, omdat er minder huurwoningen overbleven en er meestal sprake was van langdurige leegstand. Het haalde echter weinig uit.
De Westlandgracht was van 1933 tot de jaren vijftig de westrand van de stad. Door het brede water en de platanen is het er nog steeds aangenaam wandelen. We lopen door tot de Heemstedestraat. In 1957 werd deze doorgetrokken naar Nieuw-West. De al bestaande winkelstraat, die we linksaf ingaan, won daardoor aan economisch belang en passeerde de Aalsmeerstraat als tweede winkelcentrum van de buurt. Het eerste winkelgebied – en centrum van de buurt - was natuurlijk het Hoofddorpplein met de aansluitende Hoofddorpweg. Sinds 1929 was het plein het eindpunt van tramlijn 1. In 1948 werd dat lijn 2, die in 1975 naar Slotervaart werd doorgetrokken. Het plein werd in 1927-1928 bebouwd door de beroemde J.M. van der Mey, die in 1916 met zijn Scheepvaarthuis op de Prins Hendrikkade de basis had gelegd voor de architectonische stroming die de Amsterdamse School ging heten. Het winkelbestand is sterk veranderd, maar op nummer 27 was ook al voor de oorlog een slagerij en op 8 een banketbakkerszaak, al heetten die anders dan nu. Zeker een halve eeuw oud is ook de unieke snoepwinkel op de hoek van de Aalsmeerweg. Het alleroudst is echter het bruine buurtcafé op nummer 1. Vanaf het prille begin in 1928 heet dat al Pleinzicht.
Ter wille van het toegenomen verkeer werd in 1961-1962 een rotonde aangelegd. De meest betreurenswaardige verandering in het uiterlijk van het plein was de sloop, omstreeks 1975, van het ranke torentje met klok boven op Hoofddorpplein 29, dat meteen de aandacht trok als je vanaf de binnenstad het plein naderde. De onderhoudsplicht berustte destijds bij de eigenaar van het pand, en toen het bouwvallig bleek heeft hij het ‘nutteloze’ bouwsel gemakshalve maar verwijderd.
De Hoofddorpweg brengt ons naar de Zeilbrug, maar die gaan we niet over. De eerste Zeilbrug werd in juni 1927 geopend. Ze was ontworpen door Piet Kramer en rijkelijk van symbolische sculpturen voorzien door stadsbeeldhouwer Hildo Krop. Maar de roest sloeg toe en ze werd te smal voor het drukke verkeer. In 1999 is de brug dus vervangen door een veel breder en moderner exemplaar, maar het beeldhouwwerk van Krop is daar weer tegenaangeplakt.
Over de Sloterkade lopen we zuidwaarts. We passeren de aloude Schinkelapotheek en een modern woningblok, waar vanaf de jaren dertig tot omstreeks 1980 bioscoop Victoria stond. Iets verder, op nummer 168, stond vanaf ongeveer 1910 de AEG-fabriek van elektrische apparaten. In 1999 werd een deel van de voorgevel geïntegreerd in een postmodern appartementencomplex, The Light Factory.
Met een flauwe bocht gaat de Sloterkade over in de Rijnsburgstraat. Dat is eigenlijk het begin van de Sloterweg naar Sloten, maar die weg is bruut in tweeën gehakt door de nieuwbouw van Slotervaart. Bijna aan het eind links ligt begraafplaats Huis Te Vraag, in gebruik van 1890 tot 1962. Ze ontleent haar naam aan een verdwenen herberg, waar rooms-koning Maximiliaan in 1486 de weg zou hebben gevraagd naar de Mirakelkapel in de Kalverstraat. Wat er ook van waar is: wonderbaarlijk mooi is deze plek nog steeds en bovendien een mooi einde van deze wandeling.

Met dank aan Marlies van Sint Annaland en Henk Oortwijn.

Peter-Paul de Baar

Powered by JReviews