Met Bicker Raije door 18de-eeuw Amsterdam Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     December 15, 2010    
7221   0   0   0   0   0

De sores van pruikenmakers en visthuisbrengers

052009_BickerIn 2007 brachten wij in ieder nummer fragmenten uit de kroniek van de Amsterdamse ambtenaar Jacob Bicker Raije (1703-1777). Ze waren verzorgd door de historicus Machiel Bosman. Op 15 april verscheen De polsslag van de stad. De Amsterdamse stadskroniek van Jacob Bicker Raije (1732-1772): een uitgebreide keuze van de mooiste fragmenten uit de kroniek. Een mooie gelegenheid om met Bicker Raije als gids een wandeling door 18de-eeuws Amsterdam te maken. (Red.).

We beginnen op het Rembrandtplein. Een centrale plaats in Bicker Raijes leven, die op verschillende adressen hier vlakbij heeft gewoond: op de Herengracht, de Amstel en de Reguliersgracht. Dit plein heette destijds de Botermarkt en was in de 18de eeuw het toneel van de jaarlijkse septemberkermis. Daar kon men zich vergapen aan reuzen en dwergen, uitheemse beesten en tal van kunstenaars. In 1768 trad er een man op “die elke dag een geweldig aantal kiezelstenen vreet, zodat die in zijn buik rammelen als in een grote zak.”

We lopen de Halvemaansteeg in. De steegjes rond het Rembrandtplein vormden ook in de 18de eeuw al een uitgaansgebied. Hier werd in 1767 een uitsmijter van een speelhuis gearresteerd wegens mishandeling van een boer. Hij werd gebrandmerkt en in het Rasphuis gezet, de mannengevangenis aan de Heiligeweg. “Tijdens het brandmerken viel zijn pruik af, maar nadat hij was losgemaakt en de beul hem weg wilde leiden, keerde hij zich om en zei: ‘Wacht even, ik moet eerst mijn pruik weer hebben.’ Vervolgens raapte de beul de pruik op en zette hem die op zijn hoofd. Toen ’s middags enkele mensen in het Rasphuis kwamen die hem vroegen hoe het met zijn rug ging, zei hij goed, en dat als iedereen een dubbeltje wilde betalen, dat hij dan zijn bovenkleding zou uittrekken. Ze beloofden dat te doen, waarna hij zich aanstonds ontkleedde en zijn rug liet zien die er ellendig aan toe was. Maar hij zei dat als hij na twaalf jaar vrij mocht komen uit het Rasphuis, hij zich direct nog wel een keer zo zou willen laten geselen en branden - zo’n fors, ruw beest is hij.”

Seksschandaal

We steken de brug over naar de Kloveniersburgwal, gaan linksaf de brug bij de Staalstraat over en lopen door naar de Oudemanhuispoort. Op Kloveniersburgwal 82-100 stonden de elf zogenaamde Nummerhuizen. Huisnummers waren een zeldzaamheid in de 18de eeuw; doorgaans werden huizen aangeduid met hun ligging en eventueel een uithangbord. Op nummer 9 (nu 96) woonde de steenrijke en stokoude mejuffrouw De Cooning die in 1771 overleed. Ze deed, meldt Bicker Raije verwonderd, tot het laatst aan toe haar huishouden zelf: “Ze maakte haar eigen bed op en kookte zelf haar pot. Er kwam maar een of twee keer per week een schoonmaakster langs om het vuilste werk te doen.”

In de Oudemanhuispoort woonde in 1768 een pruikenmaker met zijn vrouw. Toen er vlakbij in de Nes een vondeling was aangetroffen, stuurden ze hun meid erop af om poolshoogte nemen. “Als het een meisje is,” liet ze weten aan de omstanders, “dan willen mijn mevrouw en meneer die zelf geen kinderen hebben dit kind wel als hun eigen dochter aannemen en opvoeden.” Het wás een meisje, maar toch ging de adoptie niet door: de regenten van het Aalmoezeniersweeshuis wilden er niets van weten.

Door ‘De Poort’ gaan we rechtsaf de Oudezijds Achterburgwal op tot nummer 185. Hier stond van 1596 tot 1782 het Spinhuis, de vrouwengevangenis van Amsterdam. Vrouwen verschenen destijds vrij vaak voor de rechter, vooral wegens het verbod op hoererij en buitenechtelijke seks. In 1752 kreeg het Spinhuis een invasie van weesmeisjes door een seksschandaal. “Bleek dat er dertien grote meiden uit het Aalmoezeniersweeshuis in de kraam moesten. Ze zijn naar het Spinhuis gebracht. De jongens die daaraan schuldig bevonden zijn zullen per eerste gelegenheid naar Oost-Indië worden gezonden.”

We lopen verder de gracht af, naar de Walenkerk, waar zich in 1755 een drama afspeelde. Tijdens een dienst stormde een bakkersknecht binnen met een zwaar geladen snaphaan. Hij had het op de predikant gemunt, maar miste doel en werd gepakt. De dominee had hem namelijk gemaand af te zien van verdere avances naar een rijke koopmansdochter en dat was bij de jongen niet goed gevallen...

Gered door tabaksklisteerspuit

We slaan linksaf de Oude Doelenstraat in. Bij de Varkenssluis over de Oudezijds Voorburgwal, werd in 1769 door medisch vernuft een meid gered die bij het water scheppen in de gracht was gevallen. “Door haar vaart, omdat ze met haar hoofd vooruit viel, schoot ze door naar het midden en zonk naar de bodem. Het was een heel karwei om een schuit die onder de varkenssluis lag daarvandaan te krijgen waardoor er ruim een kwartier verstreek voor ze weer met een haak van de grond werd gehaald. Ze werd voor dood naar binnen gebracht, maar men paste snel die nieuwe methode toe, door haar van achteren een tabaksklisteer te zetten, en verwarmde haar daarbij zo veel als men kon, en legde haar vervolgens in een warm bed, met als resultaat dat ze binnen twee uur weer geheel hersteld was.”

We slaan over de brug rechtsaf de Oudezijds Voorburgwal op en lopen door de Pijlsteeg naar de Warmoesstraat. Op 5 maart 1739 werd hier bij een slager het slachtoffer ondergebracht van een doorgedraaide Duitser die eerder die dag links en rechts mensen had neergestoken. Toen de Duitser, eenmaal opgepakt, ’s middags door het gerecht bij de slager werd langsgebracht, bekende hij terstond: “Io, io, ik hab das wol gedaan, wan sie mien maar los laat sal ik u altemaal den hals absnieden, en u op einen hoop leggen.”

We gaan rechtsaf de Warmoesstraat in. Kort na de dood van zijn moeder verhuisde Bicker Raije in 1756 van de Reguliersgracht hierheen. De Warmoesstraat was minder chic dan de grachten, maar de nabijheid van de weduwe Van der Souw maakte waarschijnlijk veel goed. Bicker Raije trouwde in 1764 met haar; ze hadden toen al een paar jaar een relatie. Door de Wijde Kerksteeg bereiken we de Oude Kerk. Hier ligt Bicker Raijes eerste vrouw Sophia Maria Goessens begraven, die in 1733 op haar 31ste overleed “na een uitterende ziekte van zes weken die begon met een pleuris in de rechterzij.”

Langs de kerk lopen we naar de Oudezijds Voorburgwal, daar linksaf en dan meteen de eerste straat links: de Lange Niezel. Daar speelde zich in 1763 een droevige zelfmoordgeschiedenis af: “Heeft een bakkersknecht die jarenlang bij een weduwe in de Niezel als meesterknecht had gewerkt, toen daar in de buurt een andere bakker was komen wonen die de klandizie van zijn bazin naar zich toetrok - nadat hij om die reden uit afgunst al eens in het water was gesprongen met de bedoeling zich te verdrinken, maar daar weer was uitgehaald -, zichzelf met een bakkersbeschuitmes de keel afgesneden.”

Door de luizen opgevreten

We lopen rechtdoor naar de Oudebrugsteeg. Op de hoek met de Beursstraat stond het Accijnshuis waar Bicker Raije jarenlang werkte als boekhouder. Hij maakt geregeld melding van de lotgevallen van zijn collega’s - zoals Jan Jeronimus de Latoer, die in 1759 zou zijn overleden aan “het grote leed dat hem door zijn uitzonderlijk kwaadaardige vrouw werd aangedaan.” Maar boontje kwam om haar loontje: “Daarop is die vrouw, nu ze niemand meer kon plagen, zelf akelig en klaarblijkelijk door Gods straffende hand overleden. Ze was door de luizen zo goed als opgevreten, die na haar dood uit haar neus, ogen en mond kropen, en is tot aan haar begrafenis niet koud of stijf geweest.”

Onder de Oude Brug zat een secreet dat diverse slachtoffers eiste. In 1734 viel een vrouw door een gat in de vloer waarna ze verdronken werd gevonden. Jaren later, in 1772, trof men hier een weesjongen verhangen aan. “Zijn voeten waren vastgebonden, en zijn ene hand was op zijn rug gebonden. Hij hing aan een spijl of aan de zitting van het secreet, met zijn benen in het water.”

We steken het Damrak over, gaan linksaf en daarna rechtsaf door de Mandenmakerssteeg naar de Nieuwendijk. Op nummer 192 was herberg De Son gevestigd - een bijzonder klantvriendelijk etablissement, getuige de behandeling van stamgast Cornelis Krilant, een van de grootste slempers, nachtbrakers en dobbelaars van de stad. “Op het laatst van zijn leven was hij vaak in De Son op de Nieuwendijk te vinden waar altijd een reistas voor hem klaarlag, die hij als hij ‘s morgens vroeg bij licht naar huis ging, wat hem bijna dagelijks overkwam, onder zijn arm nam, zodat het net leek alsof hij op reis was geweest en uit de nachtschuit kwam.”

We slaan rechtsaf de Gravenstraat in, waar in 1749 een boekverkoper werd opgepakt wegens het verspreiden van lasterlijke vlugschriften over de regering, en lopen langs de Nieuwe Kerk naar de Dam. Dit was het hart van het politieke en economische leven; hier vonden revoluties plaats. De Dam was ook het toneel van de gruwelijkste terechtstellingen, waar de Amsterdammers massaal voor uitliepen. Maar voor Bicker Raije had het plein nog een andere betekenis: ter hoogte van het huidige Nationaal Monument bevond zich de Zeevismarkt, waar hij jarenlang afslager van was. Dat was een luizenbaantje, want hoewel hij het grootste deel van de inkomsten incasseerde, knapte een ander het werk voor hem op. Zo ging dat in 18de-eeuws Amsterdam.

Zonder handen

Een zonderlinge verschijning op de Vismarkt was de visthuisbrenger Gilbert. “Hij droeg de vis in een mand die aan een leren riem om zijn hals hing. Hij was zijn handen op een oorlogsschip kwijtgeraakt toen hij op een kanon zat om dat schoon te vegen, dat zonder dat hij het wist geladen was en op datzelfde moment werd afgeschoten. Hij was getrouwd met een soldatenweduwe die met haar mannen verschillende slagen en belegeringen had bijgewoond, en die hem omdat hij zelf niets op de vismarkt kon doen overal bij hielp.”

Op naar de Kalverstraat. Hier woonde in 1757 een pruikenmaker “met een vrouw die zo slecht bij haar hoofd was dat ze op zolder in een besloten bedstee opgesloten zat. Ze lag daar meestal moedernaakt omdat ze alles van haar lijf scheurde. Deze vrouw kwam zonder dat iemand er iets van wist in de kraam, verloste zichzelf en vermoordde haar kind, dat men naderhand bij haar vond. De man verklaarde in geen jaren bij haar te zijn geweest, zodat men aanneemt dat die vrouw het van een van zijn knechten heeft.”

Neem de tweede straat links de Spaarpotsteeg in. Hier stond vroeger op het Rokin de befaamde handelsbeurs van Hendrick de Keyser, waar je alles kon krijgen wat er in de wereld te koop was, tot een leger op bestelling aan toe. Er kleefden onvermoede gevaren aan de handel, aldus Bicker Raije in 1756: “De heer Jan Boumeester is aan een droevig ongemak overleden. Hij had een kankergezwel bij zijn keel net boven zijn sleutelbeen. Het was naar men denkt veroorzaakt doordat hij als tussenhandelaar met een weergaloze kennis van kaneel dagelijks op de beurs kwam om met joden en andere mensen te handelen die het gebruik hadden elkaar tegen de borst te slaan. Op het laatst groeide het gezwel zo aan dat het zijn keel afsloot en hij stikte.”

Aan de overkant van het Rokin lopen we door de Sint Pieterspoort naar de Nes. We slaan rechtsaf. In de Kuiperssteeg, verderop aan uw linkerhand, werd in 1767 de vooraanstaande wijnkoper en verzekeraar Adriaan Scherf betrapt “met een straathoer met wie hij in volle actie was. Hij is rond de zestig jaar, heeft een keurig nette en mooie vrouw en verschillende kinderen, van wie er sommigen al getrouwd zijn en zelf weer kinderen hebben. Hij is zo onbeschaamd geweest om de volgende dag en de dagen erna weer in het openbaar te verschijnen, in koffiehuizen en zelfs op de beurs, terwijl hij net deed alsof hij nergens van wist.”

We lopen via de Langebrugsteeg naar de Oude Turfmarkt en slaan linksaf. Hier tegenover, bij de Olieslagerssteeg, ontdeed een buitenlandse vrouw zich in 1763 op wel bijzonder achteloze wijze van haar kind. Ze ging op een stoepje zitten, verloste zich, liet het kind liggen en ging ervandoor. Maar een aantal jongens dwongen de vrouw naar haar kind terug te gaan, waarna ze naar het gasthuis werd gebracht.

We slaan aan het eind van de Oude Turfmarkt rechtsaf naar de Munt, waar zich op 18 juni 1742 het volgende wonder voltrok: “Is een vrouw die enkele jaren om zo te zeggen lam was geweest en die gewend was om te lopen met een kruk onder haar arm en nog een handkrukje, toen ze uit de Oude Lutherse Kerk kwam en op het Schapenplein bij de Munt op een bankje was gaan zitten waar ze altijd even rustte, door ingrijpen van God almachtig plotsklaps van haar lamheid genezen. Ze is tot verbazing van vele mensen zonder krukken naar huis gegaan, nadat zij en haar zus eerst door chirurgijn Neelsing die daar woont voor de schrik vanwege dit onverwachte geluk waren adergelaten.”

Via de Reguliersbreestraat lopen we terug naar het Rembrandtplein, waar deze wandeling begon.

Tekst: Machiel Bosman
Mei 2009

Powered by JReviews