Markante Amsterdammers: Jaap Boersma Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     December 28, 2010    
7060   0   0   0   0   0

Friese stijfkop vond zijn plek in Amsterdam

012011-inhoud_4Dat sommigen het raar vonden dat een oud-minister de ‘oppervuilnisman’ van Amsterdam werd, verbaasde Jaap Boersma zeer. Per saldo was het de baan die hem het beste beviel. Eigenzinnig was hij altijd al en status kon hem nooit veel schelen.

Jaap Boersma’s aanstelling als Amsterdams directeur Stadsreiniging was een geluk bij een ongeluk. Velen hadden hem niet in dank afgenomen dat hij zo openhartig over zijn slechte ervaringen bij zijn voorlaatste werkgever, energie- en bouwbedrijf OGEM was geweest. Zijn onthullingen in het kerstnummer van Vrij Nederland in december 1981 waren ingeslagen als een bom. Het had zijn kansen op een nieuwe baan bepaald niet vergroot. Boersma zocht de media altijd al graag. Als politicus was hij vaak in het nieuws geweest. Toen Wim Kan in zijn oudejaarsconference van 1976 het kabinet-Den Uyl besprak (“Weet je wie ook zeer bekwaam is?”) vergeleek hij Boersma zelfs met een testbeeld: die was zo vaak op televisie dat je op zijn uiterlijk het beeld scherp kon stellen.
Jaap (Jacob) Boersma werd op 2 december 1929 in Leeuwarden geboren. Hij groeide op in Franeker. Zijn vader was spoorwegarbeider. Na de HBS studeerde hij een jaar aan de Economische Hogeschool in Rotterdam en stapte in 1948 over naar de Vrije Universiteit in Amsterdam, waar hij behoorde tot de eerste studenten van de nieuwe economiefaculteit. “Ik begon in 1948 in de Rivierenbuurt, in de Niersstraat, kost en inwoning”, vertelt hij. “Alles was nieuw voor me. De eerste keer bijvoorbeeld dat ik door de rosse buurt liep… Ik schrok me dood, mensonterend vond ik het, ik wist niet dat zoiets bestond. In een bar aan het Thorbeckeplein ontmoette ik een meisje voor wie ik meteen een inzamelingsactie wilde organiseren om haar in staat te stellen een nieuw leven te beginnen. Mieke heette ze, ze kwam uit Friesland en was ook nog gereformeerd. Naarmate de avond vorderde werd mijn sociale bewogenheid hoe langer hoe groter: ik moest haar redden! Het was een hele knauw toen ze me vriendelijk lachend in een taxi zette met de boodschap dat ze voor dit leven koos, nergens zó makkelijk zó veel kon verdienen. Mijn tweede Amsterdamse adres was op de Schinkelkade, bij het bejaarde echtpaar Rot. Ze behandelden me als hun zoon.”

Kamerlid en minister
Als vakantiewerker bij een bollenfabriek in Sassenheim ontmoette hij intussen een aardig meisje-van-de-overkant, met wie hij na een jaar verkering trouwde. In 1953 werd drs. Boersma economisch adviseur van het Christelijk Nationaal Vakverbond (CNV) in Utrecht en verhuisde naar Zeist. Ook in de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) begon hij op te vallen. In 1964 werd hij Tweede Kamerlid en zeven jaar later minister van Sociale Zaken in het kabinet van partijgenoot Barend Biesheuvel, Geregeld botste hij met zijn rechtse DS’70-collega’s over het sociaal-economische beleid. Na de val van dit kabinet trotseerde hij in 1973 zijn fractieleider Biesheuvel door ja te zeggen op het verzoek van informateur Jaap Burger om minister te worden in het kabinet-Den Uyl (1973-1977). In dit kabinet koos hij vaak partij voor de linkervleugel. Ook met drinken en pingpongen kon hij in zijn Haagse jaren aardig meekomen met de linkse broeders. Zijn eerste jaar werd helaas overschaduwd door de dood van zijn zoon, die als dienstplichtig militair omkwam bij een vliegtuigongeluk. Boersma vluchtte in zijn werk, en zag in 1977 zijn huwelijk stranden. Datzelfde jaar werd hij weer even Kamerlid, maar hij had weinig vertrouwen in het slagen van de fusie van de drie confessionele partijen KVP, ARP en CHU in het CDA. Dus verliet hij de politiek en koos – tot schrik van veel oude vakbondsvrienden – voor het bedrijfsleven.
Eind 1978 trad Boersma in dienst bij de Overzeese Gas- en Elektriciteitsmaatschappij (OGEM), een verzameling van 240 bedrijven met ruim 20.000 werknemers, inmiddels ook in de bouwsector. Van die ‘bouwpoot’ werd hij bestuurder. Al snel merkte Boersma dat zijn collega’s hun energie vooral richtten op zelfverrijking. Zijn kritiek daarop viel slecht. Hoewel hij zijn werk succesvol deed, werd hij er in 1981 op slinkse wijze uitgewerkt. Hij kreeg het onverhoeds te horen nadat hij naar het directiekantoor was ontboden om over een nota te praten.

Beslissende ontmoeting
Vier jaar later keek hij er nog eens op terug in het boek Jaap Boersma. Wat ik nog zeggen wilde (geschreven met journalist Jeroen Terlingen): “Verzet heb ik me geen ogenblik. Het enige waarover ik me heb opgewonden is de procedure. Zo onvolwassen, zo weinig allure. Zogenaamd over een nota praten… Dat ding is geen ogenblik aan de orde geweest.Verrast was ik wel, ondanks alles. Ik heb op het daartoe geëigende tijdstip het voltallige gezelschap verteld dat ik me als een schurftige hond behandeld voelde. Maar dat was al weer zoveel later dat de opluchting over mijn vertrek groter was dan mijn woede.”
In Vrij Nederland en ook NRC Handelsblad deed Boersma een boekje open. “Bewust, zonder mezelf of anderen te sparen, maar niet beseffend dat ik zoveel zou losmaken. Ik denk dat mijn openhartigheid ertoe heeft bijgedragen dat er daarná deksels van putten zijn gelicht, waarvan ik de inhoud soms niet vermoedde.” Omkoping, machtsmisbruik, het houden van een geheime kas – tal van onfrisse zaken kwamen aan het licht. Het was onvermijdelijk: OGEM viel uit elkaar. In 1990 zou de Hoge Raad oordelen dat zijn collega’s wanbeleid hadden gevoerd. Hoe dan ook: hij moest op zoek naar een nieuwe baan.
Intussen was zijn in 1979 gesloten tweede huwelijk met een journaliste, op wie hij aan het eind van zijn politieke loopbaan verliefd werd, al snel geen succes gebleken. Hij vermeldt het beknopt in zijn memoires, maar nu wij hem opzoeken voor een gesprek over vooral de Amsterdamse jaren, praat hij er niet graag meer over. Liever stapt hij over op de ontmoeting in 1976 die zijn leven vier jaar later een gelukkiger wending zou geven. Boersma: “Op oudejaarsavond was ik samen met mijn vrouw in kasteel Nemerlaer in Haaren, Noord-Brabant, bij vrienden. Ik voelde me niet erg vrolijk, zonderde me wat af van het gezelschap en ging bij de deur een sigaretje roken. Opeens kwamen daar uit het donker een man en een vrouw aanlopen. Ik stond perplex, die vrouw leek sprekend op een lieve vriendin van me die heel ernstig ziek was. Ik maakte kennis met haar, ze bleek Ella te heten, en ik heb zelfs nog met haar gedanst, een sport die ik maar zeer sporadisch beoefen.”
Inmiddels zijn ze, zichtbaar gelukkig, 29 jaar met elkaar getrouwd.

Een ‘schonere’ reiniging
Na zijn vertrek bij OGEM in 1981 solliciteerde hij wel een keer of zes – tevergeefs. Wellicht had hij de naam gekregen weliswaar rechtvaardig te zijn, maar toch ook een beetje lastig. Bijna was hij burgemeester van Leeuwarden geworden, maar Ruud Lubbers hield zijn benoeming tegen: hij moest eerst maar een poosje in de luwte blijven. In 1983, nadat Jan Schaefer hem telefonisch had gepolst, werd hij directeur van de Amsterdamse Stadsreiniging (SR). “Het aanzien van het bedrijf was misschien niet zo hoog, maar ik heb het er buitengewoon naar mijn zin gehad. Uit de politiek toonde niemand enig begrip ervoor dat ik bij de Reiniging was gaan werken. Maar het was wel het werk dat ik uiteindelijk met het meeste plezier gedaan heb. Ik had ook, voor het eerst, het gevoel dat ik het samen met Ella kon doen. Die hoorde er ook helemaal bij.”
Niet dat het allemaal zo makkelijk was. Tijdens zijn inwerktijd in 1983 kwam al aan het licht dat er veel ‘onregelmatigheden’ waren: informeel extra geld vroegen van de horeca en anderen om afval weg te werken; spullen achteroverdrukken. “Al dat gerommel kón natuurlijk niet. En ik heb er met redelijk succes paal en perk aan gesteld. Het personeel was gefrustreerd. De burgerij keek ze met de nek aan, maar bezorgde ook veel extra werk door het vuilnis op de verkeerde momenten en plekken aan te bieden, los of in veel te zware zakken. En aan hun slechte arbeidsomstandigheden werd niets gedaan. Meteen al na mijn formele indiensttreding in september 1983 werd ik geconfronteerd met een grote vuilnisstaking. Daar heb ik toen begrip voor getoond. Dat werkte: toen het conflict voorbij was, kon ik ze met succes aansporen alle troep binnen een paar dagen weg te werken. We hebben het zware werk beter verdeeld en ook het publiek aangesproken. Toen ik de SR in 1993 verliet, was er denk ik wel wat meer aandacht voor de reiniging gekomen. Misschien heb ik er in beperkte mate aan bijgedragen dat het beroep wat in aanzien was gestegen.”

Goed gezien
Zijn weerzien met Amsterdam viel niet tegen. En hij had heel wat vergelijkingsmateriaal: hij woonde in zeker tien verschillende gemeenten. “Maar de leukste herinneringen bewaar ik toch aan de Rechtboomssloot, waar ik in 1983 met Ella woonde. De Nieuwmarktbuurt was een openbaring voor me: iedereen kende elkaar, hielp elkaar zo nodig en was er op uit het leven zo aangenaam mogelijk door te komen. Voor het eerst kwam ik ook regelmatig in een café, van Gerrit van Beeren. De cafébezoekers hebben ons nog verhuisd naar ons nieuwe huis aan de Keizergracht, per boot. Na een tijdje Oisterwijk, zitten we nu weer tot ons genoegen in Amsterdam, met prachtig uitzicht op het IJ.”
Nog altijd is Boersma geïnteresseerd in de politiek en nog altijd heeft hij uitgesproken opvattingen: “Ik vind vaak dat het te veel om de waan van de dag gaat. Flutzaken, spoeddebatten over niks. Ook gaat de verruwing me erg aan het hart, die in en buiten de politiek waarneembaar is. Er worden woorden gebruikt, er wordt een venijnige taal gebezigd, waar ik niet van hou. Ik kan met terugwerkende kracht nóg spijt hebben van de driftige manier waarop ik in het kabinet-Biesheuvel altijd tegen Mauk de Brauw van DS’70 inging. Al bleef het fatsoenlijk, het was toch niet verstandig. Ik heb veel waardering voor Kamervoorzitter Gerdi Verbeet, deskundig en geestig. Het huidige kabinet kan ik in één woord typeren: afgrijselijk. Hoe het voor het CDA mogelijk is zo’n sterke voorkeur te hebben voor de PVV boven de PvdA is mij een raadsel. Van de sociaal betrokken sfeer en geest van de oude AR is bij het CDA niets meer terug te vinden.”
Zijn grootste teleurstelling is wel dat er zo weinig vooruitgang is geboekt, sinds hij in 1985 in zijn memoires schreef: “Zonder drastische ingrepen in bestaande structuren komt die betere, rechtvaardiger samenleving geen stap dichterbij. (…) Waar blijft de politieke discussie over de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de banken?” Een vooruitziende blik die hij ook in een ander opzicht had: “De afkalving van het CDA heeft deze partij zo aan de VVD geklonken dat oppositievoeren een weinig vruchtbare bezigheid is”, noteerde hij in 1985. “Dat had ik toen nog niet zo gek gezien,” zegt hij nu.
Ter gelegenheid van ons gesprek heeft hij dit boek voor de eerste keer gelezen, zegt hij. Bij ieder ander zou ik aan een pose denken. Maar niet bij Jaap Boersma.

Tekst: Ko van Geemert
Januari 2011

Powered by JReviews