Heerding op de Herengracht. Jeugdherinneringen van Ina van Faassen Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     Juli 28, 2011    
5311   0   0   0   0   0
[Ons Amsterdam feb. 1999:]

“De geur van de appels zit nog in mijn neus.”

TEKST: Ina van Faassen

Op de hoek Herengracht/Wijde Heisteeg zat ruim 60 jaar lang de fruit- en delicatessenwinkel van Coenraad Heerding. Onafhankelijk van elkaar stelden Heerdings zoon Coen en Heerdings kleindochter, actrice Ina van Faassen, hun herinneringen op papier en stuurden die naar Ons Amsterdam. Op ons verzoek verwerkte Van Faassen de herinneringen van oom Coen in haar eigen levendige verhaal.
Heerding_Herengracht_500_pix

Amsterdam, ik wil er graag over schrij­ven. Ik ben er geboren, ik leef er en ik hoop er ook dood te gaan, dus voor één keer mag het wel. In het algemeen voel ik me lekker in steden omdat het smeltkroe­zen zijn, met mensen van allerlei soorten boven en onder en door elkaar heen.

Amsterdam is niet zomaar een stad, het is ook een dorp. Het bewijs? Alle kinderen van mijn kennissen, vrienden en collega’s zijn met elkaar getrouwd - het wordt nog eens inteelt. In New York vind je dat niet. Mijn jeugd lag op de Herengracht van de jaren dertig, veertig en vijftig. Een stille gracht zonder auto's, met verduisterde huizen en soms de angstschreeuw van iemand die in het pikdonker in het water gevallen was. Een zonnige gracht in mei 1945, waar uit open ramen luidkeels het Wilhelmus klonk en we allemaal broe­ders waren, de houtje-touwtje-jassen en de eerste sigaret.
Mijn grootvader had aan de overkant van die Herengracht een winkel in fruit, comestibles en delicatessen. Die winkel stond op de hoek van de Wijde Heisteeg, waar ook de ingang was. Een hoek is goed voor een winkel, daar springt-ie in het oog, en als extra voordeel lag hij ook nog bij een brug. Zo konden het fruit en de delicatessenh en niet tre vergeten de comestiblers tegelijk naar drie kanten roepen: ‘Mensen, koop ons toch!’

Dreigende sloop dwong tot koop
In 1885 was opa Coenraad Hendrik Heerding als loopjongen voor het eerst Wijde Heisteeg 9 binnengestapt. De loopjongen groeide uit tot grootwinkelier, die leverde aan de belangrijke hotels – het American Hotel werd door de familie haastig het A.H. genoemd. Ook leverde hij aan katholieke ziekenhuiizen zoals het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis (wat vroeger uitzonderlijk was vor een niet-katholiek) en aan de hofjes. Later kwamen de scheepvaartmaatschappijen erbij; grote boten voeren over zee met druiven van mijn opa. Tot 1966 bleef de firma Heerding bestaan.
Vóór de oorlog was de winkel tot negen uur ’s avonds open. En hoe vroeg moest opa ’s morgens naar de markt voor zijn inkoop met de handkar? Nou, vul zelf maar in. Het was een winkel met vooral vers en goed fruit. Op de toonbank stond een glazen vitrine, schaaltjes bonbons daarin, los uitgewogen. En verder de bete­re soorten conserven, onder meer piep­kleine blikjes truffels en truffelsnippers. Opa verzorgde meer en meer partijtjes buiten de deur. Op oudejaarsavond open­de hij oesters bij rijke mensen. In het pothuis van de winkel zijn mijn moeder en haar broer geboren. Oom Coenraad Hendrik, geboren in 1907, beschreef in 1990 zijn jeugd en die van z'n zus, mijn moeder dus. Van zijn ver­haal maak ik hier dankbaar gebruik. In dat half ondergrondse uitsteeksel "liepen soms de ratten over het bed", zei mijn moeder wel eens achteloos. Er was een keukentje en de bedden stonden achter een houten tussenwand. In 1911 stuurde opa mijn moeder naar de hogere burgerschool, want ze moest haar talen leren. Ze was het enige meisje in de klas. Later hoorde ik hem belhamels van de winkelstoep jagen met altijd weer dezelfde zin: "Moet je niet naar school!?" Pas in 1920 kwam de grote verandering: het gezin verhuisde naar de overkant, Herengracht 352 twee- en driehoog. Er was een aparte slaapkamer voor pa en moe, Jo (m'n moeder) sliep op de derde etage vóór, met uitzicht op bomen en grachten, en Coen aan de achterkant.
Tot haar 21ste heeft mijn moeder dus in dat akelige pothuis gewoond, realiseer ik me nu. Terwijl ze toen toch al werkte op de typekamer van de Nederlandsche Handel-Maatschappij.
De koop van dat mooie huis Herengracht 352, en het huis ernaast, is een verhaal apart. Het zal in 1918 geweest zijn dat De Nederlandsche Bank op de Oude Turf-markt (nu Rokin) verhuisplannen had, omdat het gebouw te klein werd. Het hele blok Wijde Heisteeg, Singel tot aan de Beulingstraat, Herengracht zou worden gesloopt. Paniek! Hoe moest de Heerding-zaak blijven bestaan? De winkel was een huurhuis. Opa en oma gingen op zonda­gen het toen opkomende Zuid inspecte­ren: de Pieter Cornelis Hooftstraat waar woningen winkels werden, de Willems-parkweg, de Cornelis Schuytstraat... Tot er opeens een kans kwam vlakbij, aan de overkant, een huis te kopen. Oom Coen: "De grachtenhuizen waren nog geen monument, al was er wel een groeiend besef. Vader had wat aandelen Scheepvaart, de Hollandsche Lloyd noteerde huizenhoog en met 3/4 hypo­theek en een kwart eigen geld werden in 1920 vader en moeder eigenaar. De winkel Wijde Heisteeg werd wat ruimer geëxploiteerd, het gezin kon 352 boven betrekken en beneden verhuren. En tege­lijk werd het huis 354 gekocht. Hoe kwam mijn vader erbij om twéé huizen te kopen? Moest de winkel daar dan heen?" In Vier eeuwen Herengracht (1976) lees ik dat opa ƒ40.000 heeft betaald - kun je nagaan hoe hoog de nood was. De sloop voor De Nederlandsche Bank ging uiteindelijk niet door en de winkel bleef waar hij was.

Allemaal Heerdings, behalve ik
Op Herengracht 352 heeft de familie lang gewoond. Voordat mijn moeder en ik er introkken (in de oorlog gingen we boven wonen, omdat mijn grootouders gedwon­gen door de hoge trappen naar de parterre waren gegaan) kwam ik er natuurlijk vaak over de vloer en we aten er geregeld. Na de warme maaltijd hoorde ik soms dat opa's vork nog steeds over het lege bord ging. En oma zei, toen ik huilde over m'n kapotte knie: "Beter een gat in je knie dan een gat in je kous." Waren dat soms echo's van hun armoedige jeugd? Later, als ik keurig aangekleed naar de schouwburg ging om een voorstelling te zien, zei ze altijd: "Zo kun je vóór de kramen om." En als ik thuiskwam vroeg ze: "Was het vol?" Een geboren koopvrouw. De familie bestond uit opa Coenraad Hendrik Heerding, oma Maria Wïlhelmi-na Heerding, mijn moeder Johanna Christina Heerding, oom Coenraad Hendrik Heerding junior en zijn vrouw, tante Miek Heerding, en hun drie kinderen Heerding. Iedereen heette Heerding, behalve ik. Mijn ouders scheidden toen ik vijf was, en mijn moeder ging toen werken in de zaak. Het was 1933. Inter­nationaal een beladen jaar doordat in Duitsland Hitler begon, maar behalve de politiek heel-bewusten en visionaire kunstenaars wisten de meeste mensen van niks.
Mijn moeder en ik woonden toen op Kei­zersgracht 303, hoek Wolvenstraat. Een koude kamer met een petroleumstel, 's avonds gedeeld door een kamerscherm, waarachter mijn opklapbed. Ik was een jaar op 'het kleine schooltje' in Beren­straat 7, een prachtig pandje dat nu parti­culier wordt bewoond. Kijk even als je in de buurt bent. Boven de deur zit een grote gevelsteen: een varend schip, Amster­dams Welvaren, in kleur. Het schooltje was christelijk en ik leerde er over Jezus, dat hij aan het kruis hing en dat z'n lip­pen werden bevochtigd met azijn. De juf­frouw bond mijn mond een keer dicht met een theedoek, omdat ik teveel praat­te. Maar op het toneel heb ik later lekker doorgepraat.
We woonden daar tot ergens in de oorlog. Ik was veel in die kamer, hbs, huiswerk. Uit verveling deed ik soms of ik een trap afging, die er niet was. Door steeds wat die­per door m'n knieën te zakken. Voor mijn publiek van het kantoor aan de overkant.

De ongelukkige kapper
Mijn moeder en ik verhuisden dus naar het huis van opa en oma op de Herengracht. Een mooi pand van buiten. Ik citeer uit dat dikke Herengracht-boek: "Een zandstenen gevel onder een gebeeldhouwde uit- en ingezwenkte top, bekroond door een borst­beeld van Minerva; het huis kreeg dan ook de naam Minerva. De advocate mr Frida Katz heeft in 1933 haar kantoor gehad in dit pand. Zij kreeg bekendheid als lid van de Tweede Kamer en van de Amsterdamse Gemeenteraad.
Er was veel te zien vanuit het huis - ook doordat het op een brug keek. Tegenover ons woonde, zoals oom Coen schreef, "de ongelukkige kapper". De situatie die hij schetst zal rond 1917 spelen: "Ik kwam in mijn prille jeugd zo af en toe bij die coiffeur en volgde met .bewondering hoe een deftig man geschoren werd. Aan de wand keurige kleine kastjes, een emaillen bordje met naam of initialen erop, en daar­in dan het eigen scheermes, de eigen kwast en de eigen scheerzeep. Het mes was nog zo'n echte knip, dat met veel élegance door de kapper op een lange en brede leren band werd aangezet, zoals het aanscherpen toen heette. Veel klanten hadden snorren, mijn vader trouwens ook, en soms werden die met pommade mooi glimmend afge­werkt."

In 1961 vertelde mijn moeder me dat die kapper zijn vrouw en zijn zoon had gedood. Vaak had ik die zoon op de stoep zien staan. Hij was enig kind. En achterlijk, zoals dat toen heette. Dus droeg hij een alpinopet tot net boven de ogen en oren. Een forse knaap. Hoe liep het precies mis? Nu weet ik het pas, want Ons Amsterdam-medewerker Eric Slot zocht het onlangs voor me op in de politierapporten. 23 maart 1961. Een kapper in ruste wurgt 's morgens zijn vrouw en slaat 's middags zijn licht debiele zoon dood. Vindplaats: Bonairestraat 80. De 40-jarige zoon werkte in het Amsterdamse Bos en riep regelmatig tegen zijn vader, die de kapperszaak aan de Herengracht drie jaar daarvoor had ver­kocht, dat hij nu de enige was die geld inbracht. Toen zoonlief thuiskwam, sloeg de 72-jarige vader hem met een hamer de hersens in. Waarom hij die dubbele moord had gepleegd? "Dat vertel ik nooit." De kapper wilde zich daarna vergassen. De officier eiste vijftien jaar.

De stal van Heerding
In 1929 kocht opa Herengracht 397, hoek Beulingsloot, voor ƒ16.400 en verkocht het een jaar later voor ƒ24.740 aan de naamloze vennootschap C.H. Heerding & Co. In 1930 (en in 1941 nog eens) werd de benedenruimte verbouwd en ingericht tot bergplaats voor de zaak. In de wandeling heette het pand 'de stal van Heerding'. De kelder was een mooie speelplaats; de geur van de appels zit nog in m'n neus. De par­terre was een grote stenen ruimte met daarin natuurlijk veel fruit. De aardbeien­tijd! In een uiterst korte periode moesten er zoveel mogelijk worden verkocht en was het leven teruggebracht tot het gevecht met de aardbei. Later noemde ik de periode voor mijn premières van een toneelstuk paniekerig 'm'n aardbeientijd'. Fruitmanden ("manden fruit" zei m'n moeder hardnekkig) vlogen de deur uit, een keer ook naar de burgemeesters­woning van D'Ailly, feestelijk vergezeld door twee Fruit-Koninginnen. Het verbaast me achteraf dat de familie­leden mij in hun hectische leven niet veel meer hebben ingeschakeld. Je zou den­ken, een gratis loopmeid is niet weg. Achterin was een kantoortje van glas, daar resideerde mijn moeder. De grote pakhuisdeuren aan de voorkant stonden vaak wagenwijd open, er moest de hele dag van alles in en uit, de producten, personeel, de bestellingen. De namen van klanten vlogen je om de oren: Bonebak­ker (juwelier), Lieftinck (later minister), Houthakker (kunsthandelaar), Gisèle van Waterschoot van de Gracht (glazenierster, later getrouwd met burgemeester Arnold d'Ailly), Lechner (doordat mevrouw Lechner negentien kinderen had gebaard, rij­den er nu nog steeds verhuiswagens met die naam door de stad), Boissevain, Quarles van Ufford, de dames Mirandolle... Soms zoemen die namen nog als liedjes door m'n hoofd.
Boven het pakhuis woonde Heerding junior. Oom Coen en tante Miek werden behoorlijk opgeslokt door het succesvolle fruitbestaan, maar de kinderen leefden toch in een normaal gezinsverband. Ik logeerde soms bij Mieke, Marjo en de derde Coenraad Hendrik en verjaardagen werden er vrolijk gevierd, 't Was anders dan alleen spelen op straat - meer warm­te om je heen. De familie was anti-Duits. Het verzet vroeg of Heerding ondergedo­ken geallieerde piloten kon bergen. Oom Coen: "Met drie kleine kinderen om ons heen waren we niet zo heldhaftig. Maar op onze zolder kwam wel materiaal voor een noodhospitaal. De B.S. [Binnenlandse Strijdkrachten-ivp] wilden het grote tele­foonkantoor, twee grachten verder, over­vallen en bezetten. Helaas, of gelukkig, is dat niet doorgegaan. In mei '45 zocht de huisdokter op onze zolder een paar echte rubber handschoenen uit en was daar gelukkig mee."

Hoe was het om op een gracht op te groei­en? Goed hoor. En normaal. Wat ik mee­kreeg van mijn jeugd? Dat hard werken heel normaal is, dat werkende vrouwennormaal zijn, en dat oom Coen me een jaar Nederlands liet studeren en bij Bone­bakker een broche voor me kocht, vond ik ook normaal, want een jong persoon vindt het normaal dat er voor haar gezorgd wordt. Ik ben lang niet rouwig om een toch tamelijk eenzame jeugd.
Ik had eigenlijk over Amsterdam willen schrijven. Maar het blijkt over de Heerdings te gaan.

Ina van Faassen (1928-2011) was actrice en schrijfster. Alle foto's komen uit haar collectie.

Powered by JReviews