Markante Amsterdammers: Hetty Blok Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     December 14, 2010    
5189   0   0   0   0   0

‘Amsterdam had iets magisch’

092008_BlokHetty Blok is Amsterdamser dan haar Groningse tongval voor haar glansrol in Ja zuster, nee zuster doet vermoeden. Al jong wist ze dat Amsterdam haar stad zou worden: “Daar móest je wel wonen, en dat wilde ik ook heel graag.”

Hetty Blok had de Amsterdamse tongval al onder de knie toen ze nog lang niet in Amsterdam woonde. “Door de radio,” zegt ze, “thuis in Arnhem, toen ik nog klein was en Snip en Snap in De Bonte Dinsdagavondtrein hoorde. Ik sprak natuurlijk al Arnhems, of, zoals ze daar zeggen: Ernems. En ik kende Zeeuws omdat mijn ouders Zeeuws waren. Bovendien had ik een neefje in Groningen wonen, bij wie mijn moeder en ik wel eens gingen logeren. Vandaar dat ik Gronings ging spreken. En omdat ik vanaf mijn zestiende in Utrecht woonde, heb ik daar ook het Utrechts geleerd.”
Al die accenten heeft Hetty Blok (87) in haar lange carrière wel eens gesproken. “Haar feeling voor talen en dialecten is zo perfect dat ze in Parijs, Groningen, Londen, Maastricht, Berlijn, Amsterdam, New York of Goes geboren zou kunnen zijn,” schreef producer Wim Ibo al in 1954 in zijn boekje Onder Collega’s. Maar er waren er twee die haar het meest van pas zijn gekomen. In de jaren vijftig was ze Sjaan, de huishoudster in de immens populaire radioserie De familie Doorsnee - en Sjaan sprak hevig Amsterdams. En in de jaren zestig was ze de met een Groningse tongval gezegende Zuster Klivia in de minstens zo succesvolle tv-serie Ja zuster, nee zuster.

Zo lekker, zo thuis
Op de meisjes-hbs in Arnhem deed ze haar eerste toneelervaringen op. Als de dag van gisteren herinnert ze zich een voorval met een haarspeldje dat vastraakte aan een stoel waarop ze zat. In het besef dat ze even later moest opstaan uit die stoel, maakte ze in alle rust dat speldje los, zonder ook maar één moment uit haar rol te vallen. “Ik voelde me zo zeker, zo thuis...” En evenmin is ze vergeten wat de rector tegen haar zei toen ze de school verliet: “Er is aan jou voor Arnhem een actrice verloren gegaan.” Daarmee was bezegeld wat haar toekomst zou zijn. Al ging ze eerst nog wel naar een secretaresseopleiding bij Schoevers: “Ik kan nog steeds stenoën; alleen is het teruglezen wat moeilijker geworden.”
Na een kleinkunstcursus van de radio trad ze in 1943 toe tot Wim Ibo’s cabaretgroepje De Jonge Nederlanders. Ibo heeft later verteld dat hij een paar weken na de bevrijding bij zijn ouders op het balkon in de zon zat, in de buurt van de Kolenkit in Amsterdam-West, toen er in hun straatje een Canadese legerjeep stopte. Een jonge vrouw in uniform deelde chocolade uit aan de straatjeugd. Ibo had nog niets in de gaten, tot die vrouw opeens heel hard “hé Willem!” riep. Hij keek naar beneden en herkende Hetty Blok. Ze kwam uit Utrecht, waar ze op dat moment tolk en secretaresse voor een Canadese rechter was. “Volgende week repeteren!” riep Ibo terug.
Die repetities golden het programma Wij vieren feest! dat werd gepresenteerd als een “actuele kleinkunstrevue”, half in het Nederlands en half in het Engels voor de geallieerden in het publiek. Daarmee was haar carrièrekeuze definitief gemaakt. Nu nog een woning. Want ook toen ze nog in Arnhem woonde, wist ze al dat een actrice - of cabaretière, of hoe je haar vak ook wilt noemen - in Amsterdam moest wonen. “Amsterdam had iets magisch,” beaamt ze. “Daar móest je wel wonen, en dat wilde ik ook heel graag.” Veel woonruimte was er niet, maar ze had geluk: via via kon ze een klein kamertje bemachtigen in een huis aan de Willemsparkweg.

Helemaal geen diva
Ook haar werk speelde zich in die dagen grotendeels in Amsterdam af. Afgezien van de drie maanden in 1946, toen ze door het toenmalige Nederlands-Indië reisde met een cabaretgroepje van Benny Vreden - voornamelijk om in de buurt te zijn van haar vriend Tib Tiebosch, die daar onder de wapenen was. Verder speelde ze vaak in het De la Mar-theater in de Marnixstraat, een voormalig schoolgebouw waarvan de bouwer Piet Grossouw een theater had gemaakt ter ere van zijn vrouw, de fameuze actrice Fien de la Mar. “Fien was aardig,” vertelt Hetty Blok. “Ze hing helemaal niet de diva uit.”
Fien de la Mar riep haar op een dag naar haar kleedkamer om iemand te ontmoeten: “Daar was een mevrouw met een bril op en een regenjas aan. Dat bleek Annie M.G. Schmidt te zijn. Fien had een vers van haar gekocht, en dat was nu juist de enige tekst van Annie die ik nooit leuk heb gevonden.” Moeiteloos citeert Hetty Blok ruim zestig jaar later de eerste regels van dat vers: “Oh welk een gemier, zij mint haar vaders koetsier...” Daarna vertelt ze wat Fien de la Mar toen zei: “Mevrouw Schmidt heeft ook nog een versje voor jou.” Het bleek een meezingliedje te zijn. “Ik doe nooit meezingliedjes, zei ik, want ik vond dat ik daar veel te fijnzinnig voor was. En toen vroeg ik of mevrouw Schmidt misschien nog een ander versje voor mij had.” Geen van tweeën kon toen weten dat ze nog veel met elkaar zouden werken.
In 1948 begonnen drie seizoenen bij Wim Sonneveld in het Leidsepleintheater. Na afloop stak Hetty Blok wel eens het Leidseplein over om naar De Kring te gaan. Zelf ging Sonneveld zelden of nooit mee: “Wim was eigenlijk een huismus. Hij zat nooit in een café. Hij nam ons na de voorstelling veel liever met z”n allen mee naar zijn huis aan de Keizersgracht, of we bleven nog na in de foyer. Wim vond het enig om dan lol te maken.”
In hetzelfde jaar kwam Tib Tiebosch “in een mooi tropenuniform” terug uit Nederlands-Indië. Ze kregen er aan de Willemsparkweg een tweede kamer bij. Tiebosch ging politicologie studeren en kon daarnaast aan het werk als inspeciënt bij Sonneveld. Drukke jaren voor Hetty Blok, want overdag werkte ze een paar keer per week mee aan radio-uitzendingen, terwijl ze ’s avonds in het theater stond. “Met de trein naar Hilversum en dan lopend naar de studio. Van vermoeidheid lag ik ‘s middags om vijf uur in de studio te slapen op een vleugel. ’s Avonds om acht uur moest ik weer spelen. In het theater bracht Lia Dorana vaak een hapje voor me mee, nasi goreng of zo, omdat ik geen tijd had gehad om te eten.”

Amsterdams uit de Pijp
Intussen hadden Tiebosch en zij meer ruimte nodig, omdat ze haar paranoïde geworden moeder in huis moesten nemen. Via een driehoeksruil kregen ze in 1949 een huis in de Botticellistraat: “Een buitengewoon lief straatje waar ik heel prettige herinneringen aan heb.” De eerste jaren waren haar dagen nog steeds overvol. Overdag de radio en ‘s avonds het theater, eerst bij Sonneveld en later in het trio Arabesque, met acteur Cruys Voorbergh en pianist Cor Lemaire. En de rol van de radio werd vanaf oktober 1952 nog veel prominenter. Toen begon Annie M.G. Schmidt met haar veertiendaagse, legendarisch geworden radioserie In Holland staat een huis (beter bekend als De familie Doorsnee), waarin Sjaan de werkster met de hoog-Mokumse tongval was. “Iemand die er verstand van heeft, zei een keer tegen mij: jouw Sjaan spreekt het Amsterdams uit de Pijp. Jo Vischer jr, mijn tegenspeler, beheerste het Jordanees. Hij kon het woord mens uitspreken als “mejns”. Ik kon dat niet.”
De opnamen werden niet in Hilversum gemaakt, maar in het (later afgebrande) Minerva-paviljoen, ten overstaan van een lachgraag publiek waarin de vader van regisseur Ibo meestal het hardste lachte van iedereen. Eens in de maand werden twee afleveringen opgenomen: “Het tarief voor de acteurs was f 50 per aflevering. Maar omdat we er twee op een dag maakten, leek het de VARA niet nodig ons 100 gulden te geven. Ze vonden f 75 wel genoeg.”
In 1953 trouwden Hetty Blok en Tib Tiebosch en het jaar daarop kregen ze hun zoon Victor. Aanvankelijk kon de jonge moeder nog in het theater blijven werken omdat haar echtgenoot thuis studeerde. Maar al gauw stopte ze. “Ik was een ouderwetse moeder,” zegt ze, “ik vond dat ik bij mijn kind moest zijn.” Jarenlang deed ze zodoende alleen radio- en tv-werk. Toen haar zoon twaalf was, kwam Ja zuster, nee zuster. “Bij de première van Heerlijk duurt het langst, haar eerste musical, zei Annie Schmidt tegen me dat ze een serie ging schrijven voor Leen Jongewaard en mij. Ik sprong een gat in de lucht.” Het werd haar allergrootste successerie.
“En toen Victor achttien was, zei hij: ik zou het leuk vinden als je weer eens toneel ging spelen.” Prompt, alsof het zo was afgesproken, vroeg Beppie Nooy haar toen voor een voorstelling van het Amsterdams Volkstoneel. In totaal speelde Hetty Blok in drie stukken mee. Ze herinnert zich onder meer hoe zuinig de familie Nooy was op de kleding: “Mijn jak in Het kind van de buurvrouw werd in het volgende stuk weer door iemand anders gedragen.”
De nog onverminderd actieve Hetty Blok woont intussen al sinds 1961 in haar benedenwoning in de Watteaustraat. “Toen we hier kwamen,” vertelt ze, “was het hier nog lang geen goudkust. Ook de flats langs de Parnassusweg waren er nog niet. Buitenveldert moest nog gebouwd worden; het gebied tussen Amsterdam en Amstelveen is pas later helemaal opgevuld. We hadden hier alleen een wild veld met struiken waar ik met kind en hond doorheen banjerde. Een verrukkelijke kale boel. Op zondag gingen we wandelen op de dijk. Dan zagen we patrijzen en bloemen en een oefenveldje voor stratenmakers. Nu is dat de ringweg.”

Tekst: Henk van Gelder
September 2008

Powered by JReviews