Jan Sierhuis Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     Juli 13, 2015    
2984   0   0   0   0   0

"Als men in Amsterdam, een republiek ergens in Noord Europa, geboren is in 1928, op 21 december, en men heet Sierhuis, Johannes Alphonsus, dan is men schilder." Zo begint een gedicht van Gerrit Kouwenaar uit 1962. Speciaal voor Jan Sierhuis, kunstenaar in Ransdorp, maar Amsterdammer in hart en nieren.


Iedereen kent Jan en Jan kent iedereen. Jan Sierhuis zit in een gemakkelijke stoel bij de kachel in zijn eenvoudige, maar smaakvol gemeubileerde woonkamer, omringd door tekeningen en schilderijen, allemaal dierbare herinneringen. Foto's van zijn mooie vrouw Tine, een jaar geleden overleden na drie jaar Alzheimer. 53 jaar getrouwd waren ze, en ook vóór die tijd al samen.
Hij verkneukelt zich nóg over de tijd waarin het begon: "Ik woonde al meer dan 15 jaar alleen, had een hele sliert vriendinnetjes. Veel actrices. Ik was bevriend met Cox Habbema, had een intense relatie met Adèle Bloemendaal. Als ik wat verdiend had, ging ik heerlijk eten in een restaurant aan de Keizersgracht, met de nodige flessen wijn erbij; dat kostte soms wel 150 piek! Op een keer mopperde ik tegen mijn vriend Jan Elias uit Zaandam: 'Al die vervelende meiden, als de poen op is zijn ze weg.' 'Ik ken wel iemand', zei hij. Als jij naar dat café in Zaandam komt, zorg ik dat ze er is. En daar zat ze. Ik had al gelijk door dat het een kanjer was. Op weg naar de laatste trein naar Amsterdam stonden we twee portieken verder al te knuffelen. Het klikte als een gek. Die trein miste ik. Ik mocht wel bij haar slapen, ze had een kamer b.b.h., bezigheden buitenshuis hebbende, dat had je toen nog. Bezoek was verboden. Via een listige methode, schoenen uit, sloop ik naar binnen. Ze had een twijfelaar, dus ik sliep op de grond. De volgende morgen voor zessen moest ik weer weg zijn. En dan lopend naar de Hembrug, een klere eind!"
Twee jaar later kwamen ze elkaar weer tegen. Hij nam haar mee naar z'n atelier op het Prinseneiland, waar ze zijn schilderijen bewonderde. 32 was ze, hij 30. Ze kregen twee zonen, Sandro en César: " Hoe kom je toch aan zo'n mooie vrouw?", hoorde hij vaak. Dan antwoordde Tine: "Ten eerste is hij een goeie kunstenaar, ten tweede hou ik van hem."

Fazant
86 is Sierhuis nu en hij heeft alle grote veranderingen in de stad aan den lijve meegemaakt. In zijn hoofd spelen nu vooral de jaren dertig een rol. Zijn grootouders komen oorspronkelijk uit Zaandam, zijn ouders zijn echte Jordanezen en woonden op steenworp afstand van elkaar. De wieg van z'n moeder stond in de Derde Goudsbloemdwarsstraat bij de Lindengracht, z'n vader had een motor- en rijwielstalling in de Nieuwe Leliestraat en later in de Bestevaerstraat. Daar kon je begane grond huren.
"Buurman Zandvoort, ome Sjors voor iedereen, huurde het huis ernaast, zodat ze samen, nadat het hek tussen de tuinen was weggehaald, over 400 vierkante meter tuin beschikten." Grinnikend: "Ze hielden kippen en geiten. Zomers fietsen ze naar Bussum om de fazantennesten leeg te halen. Die eieren gingen dan onder de kip en met Kerstmis aten we fazant!"
Zijn vader stierf in 1931 aan pleuritis toen Jan twee jaar en drie maanden was: "Hij reed motor in z'n interlockie, ging slordig om met z'n gezondheid. Ik herinner me nog dat ik hem de laatste keer bezocht in het Binnengasthuis. Dat vond ik eng. Ik had er zelf vanwege bronchitis een maand in een hoge drukkamer gelegen. Verder weet ik nog dat hij fantastisch kon kunstfluiten. Op bruiloften en partijen in de Jordaan floot hij hele opera's op tien vingers."
Over opera gesproken. Jan veert op: "In de jaren dertig zat de hele Jordaan in de Stadsschouwburg. De hele buurt kende La Traviatia uit z'n hoofd, alle opera's van Verdi. Josef Schmidt reed in een open calèche door de Jordaan, staande zingend, iedereen hing uit de ramen. Mijn grootmoeder had stapels platen van Jussi Björling, de hele collectie van Caruso. Als je een café binnenkwam stond er altijd wel iemand opera te zingen. Dat was een cultuur, die is nu helemaal weg. De Jordaan is een yuppenbuurt geworden."

Bloedkoralen
Grootvader Sierhuis was kleermaker. "En dat was wat in die tijd, hij maakte ook pakken voor mensen met poen." Zijn vrouw stond vis schoon te maken op de Lindenmarkt. Hij ziet haar nog voor zich: "Een prachtige vrouw, lange rokken, schitterende bloedkoralen om haar hals, vooral op zondag. Dan kwam er een koetsje voor en gingen ze over de pont naar het Tolhuis. De place to be op zondag voor tout Amsterdam!"
Jan Sierhuis groeide op in de crisisjaren: "Het waren barre tijden, bittere armoe. Ik moest naar de gemeentelijke eetzaal voor bijvoeding. Maar er was een grote sociale betrokkenheid en solidariteit. Je kende iedereen en de wijkagent kende ook iedereen. De steun was f 3,- per week en dan moest je nog twee keer per dag stempelen om te voorkomen dat je toch een baantje had. Een keer werd een katholieke familie steun geweigerd. Mijn vader is naar het sociale kantoor gegaan en heeft die man door het loketje getrokken: 'Weiger je een uitkering te geven? Dan gaat je kop er af!'"
Na de dood van mijn vader ging mijn moeder wegens tbc twee jaar naar het sanatorium Hoog-Laren in Laren. Mijn zuster Corrie en ik werden tijdelijk opgevangen door de buren, die al een groot gezin hadden, maar dat was geen punt, hele lieve mensen."
Het verhaal brengt hem bij de fietsenmaker in de Bestevaerstraat, die in ruil voor een schilderijtje de huur betaalde van Jans toenmalige atelier in de Paardenstraat. Als tegenprestatie tamponneerde Jan goudverf op de ijzeren lampenkronen die de fietsenmaker ontwierp: "Die hangen nu nog in café Eijlders."

Schoolarts
Hij beschrijft de piepkleine huisjes in die tijd: "Op elke verdieping twee gezinnen. Het hele huis van m'n grootmoeder was kleiner dan mijn huiskamer. De wc was in de keuken. Je moest een klep optillen, naast je stond de soep op het gas. En om de twee dagen kwam de Boldootwagen langs om de tonnetjes te legen. Zo ging dat."
Amsterdam is sindsdien enorm uitgebreid, vervolgt hij: "De Admiraal de Ruijterweg hield op bij de Krommerdt, waar hij de bocht maakt naar de De Clercqstraat. Daar reed de vermaarde Boedapester tram, de Haarlemse Kikker noemden we die.* Bij Sloterdijk, in de bocht bij de Tempelierstraat, ging hij langzamer rijden, zodat ik op de bumper kon springen en helemaal mee ging naar Zandvoort."
Tekenen en fantaseren deed Sierhuis van jongs af aan. Z'n moeder bracht afgedankt papier mee van de kantoren waar ze schoonmaakte; Jan tekende op de achterzijde. Bij de buurman op dezelfde etage, een huisschilder, hing een door Jan bewonderd schilderij van de moord op Julius Caesar. Van hem kreeg Jan z'n eerste linnen doekje: "Ik heb het schilderijtje nog." Met een luciferhoutje schreef de buurman zijn naam eronder en zei: "Eigenlijk ben je beter dan ik." Zijn moeder zag er niets in, stuurde hem naar de ambachtsschool om een vak te leren. Bij de schoolarts beklaagde ze zich: hij zit maar te tekenen en te fantaseren. Maar deze zei, Jan hoort het hem nog zeggen: "U heeft het niet door mevrouw, die jongen is een kunstenaar." "Ja", zei zijn moeder, "Rembrandt is ook doodgegaan van de honger."

Honderd piek
Op z'n veertiende ging hij op zichzelf wonen. En vanaf dat moment leek het of er altijd wel iemand op zijn pad kwam die hem hielp en aanmoedigde. Hij leerde kunstenaars kennen, keek als het ware de kunst af. Hij kwam in contact met een Russische buurman op de Nieuwe Achtergracht, die had een gigantische bibliotheek en stimuleerde Jan om Dostojevski en Tolstoi te lezen. Als hij op de Oudezijds Kolk zat te schilderen, waar je door een sleuf de Sint-Nicolaaskerk kon zien, werd hij regelmatig op de schouder getikt: "Wat mooi zeg, wat kost dat?" "100 piek", zei Jan dan. En hij kreeg het.
Dat overkwam hem ook eens in Parijs, waar hij een paar straten verder van het Place du Tertre ging zitten om de Sacré-Cœur te schilderen. "300 frank", riep Jan. Het werd betaald. In Café du Dôme ontmoette hij Orson Welles, Alberto Giacometti en Brigitte Bardot. "Iedereen kwam in dat café en ik ook natuurlijk!" Zijn eerste tentoonstelling had hij op z'n zestiende: hij verkocht alle tekeningen.
Een grote tentoonstelling met onder meer Picasso in het Stedelijk Museum vlak na de oorlog maakte op hem een verpletterende indruk. Het Parool noemde Picasso een oplichter, het werd een rel. Maar Sierhuis zag dat Picasso de oorlog had geschilderd: "Paars, grijs en zwart, geniaal!" Directeur Willem Sandberg werd een grote vriend. Hij kocht werk van Sierhuis voor het museum en dat gaf hem extra zelfvertrouwen. Overigens heeft het hem daar nooit aan ontbroken, evenmin aan ontzag voor notabelen. Respect had hij vooral voor mensen die hem iets konden leren.

Ajax
Zijn zakelijke instelling en contactuele vaardigheden deden de rest. In de periode dat hij veel flamencoschilderijen schilderde, stond er onverwacht een Mexicaan voor de deur. De man kocht een groot aantal schilderijen. Toen Tine thuiskwam zei Jan "Voorlopig geen armoede meer". Want die periodes zijn er ook geweest. Evenals jaren dat hij meer in de kroeg zat dan schilderde. De laatste tijd schildert hij minder, maar hij heeft nog altijd tentoonstellingen en verkoopt nog steeds. Onlangs nog een groot doek aan de directeur van de Arena, die hem gelijk uitnodigde voor de wedstrijd Ajax-FC Twente. "Een feest in de viplounge", vertelt hij vol trots.
Sierhuis voelt zich een echte Amsterdammer. Wat dat is? "Een onafhankelijke natuur, met een grote maatschappelijke betrokkenheid. Het meest heb ik dat gezien bij de Februaristaking. Toen ging Amsterdam toch maar helemaal plat. Daar zijn zelfs de Duitsers van geschrokken. Nergens in de bezette gebieden heeft een hele bevolking gestaakt. Alleen in Amsterdam. Op de muren rond het Waterlooplein stond overal geschreven: 'Blijf met je rotpoten van onze rotjoden af.' Aangrijpend."

De schilderscarrière van Jan Sierhuis
Als kunstschilder maakte Jan Sierhuis verschillende periodes door. Aanvankelijk vond hij inspiratie in reproducties van de AVRO-kalender over de Haagse, de Amsterdamse en de Larense School. Ook afbeeldingen van Israëls en Breitner fascineerden hem. In die tijd schilderde hij vooral naturalistische landschappen. Samen met Appel, Corneille en Lucebert stond hij in het centrum van de naoorlogse ontwikkelingen in de kunst. In 1947 raakte hij betrokken bij de Experimentelen, een jaar later bij de Cobragroep.
In de jaren vijftig en zestig werkte hij voornamelijk abstract. Daarna schilderde hij vooral menselijke figuren, weer later ging hij over naar figuratieve thema's, zoals dansende figuren, portretten en landschappen. Zijn passie voor flamenco had een grote invloed op zijn werk.
Zelf vindt hij zijn werk moeilijk te plaatsen. Kunstcritici karakteriseren hem als een expressionistische schilder met grote bewondering voor Matisse, Van Gogh, Cézanne en Picasso.

ANNEKE GROEN IS JOURNALIST EN ORGANISATOR (WWW.ANNEKEGROEN.NL).

Powered by JReviews