Arm uit eten Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     April 22, 2011    
5574   0   0   0   0   0

Dossiers

Soeploodsen en gaarkeukens

11122005_ArmenWie te arm of te onhandig was om zelf een potje te koken, en geen geld had om duur te gaan dineren, kon soms nog terecht bij stedelijke of particuliere liefdadige instellingen, waar voor niks of bijna niks eten kon worden afgehaald. De schaamte voorbij.

In december 1800 beraamden enkele Amsterdammers een plan: vanwege de extreem hoge prijzen van veel levensmiddelen wilden zij een soepkokerij oprichten. Vandaar uit konden ze in de winter aan “noodlijdende en behoeftige Ingezetenen, Portiën Oeconomische Soupe” uitdelen. Van die behoeftigen waren er echter heel veel: gedurende de hele 19de eeuw leed het grootste deel van de (werkende) bevolking in Amsterdam aan permanente ondervoeding.

Armoede was er altijd geweest in de stad. Al sinds de 14de eeuw kende Amsterdam (kerkelijke) liefdadigheidsinstellingen en ook de overheid bemoeide zich met de voedselvoorziening van de stad – al was het maar om oproer te voorkomen. Het stadsbestuur bemoeide zich daarom vooral met de broodvoorziening, het voornaamste volksvoedsel. In dure tijden legde de stad zelf graanvoorraden aan en soms gelastte ze rijke burgers om een bepaalde hoeveelheid graan in huis te hebben voor hun minder bedeelde stadsgenoten. Ook konden de armen tegen gereduceerd tarief stadsbrood kopen. In de winter van 1543-1544 deelde de stad bijvoorbeeld zo’n 9000 broden uit – overigens niet aan klaplopers en bedelaars. De ene arme was nu eenmaal de andere niet; tegenover ‘eerlijke’ armen, stonden ‘luie bedelaars’, die maar liever de handen uit de mouwen moesten steken.

Voor arme stadsgenoten die niet in een liefdadige instelling verbleven, stelde de stad omstreeks 1380 “vier goede eersamighe knapen” aan die de “arme huyssittende” lieden moesten ondersteunen. Hieruit kwamen de twee Huiszittenhuizen voort, één voor de Nieuwe en één voor de Oude Zijde. Vermogende Amsterdammers die zelf iets voor hun minder fortuinlijke medeburgers wilden doen, konden financieel bijspringen. Zo gaf Joost Buyck in 1548 een gift aan het Sint Pietersgasthuis, waarvan jaarlijks een deftige maaltijd met wijn en gebraad voor “den armen menschen” moest worden bereid. In ruil daarvoor moesten die arme mensen wel bidden voor het zielenheil van Buyck en zijn gezin.

Voedselrelletjes

Wat voeding betreft hadden de Amsterdammers het sinds eind 16de eeuw overigens relatief goed. Toch kwam een stijging van de voedselprijzen altijd hard aan, zeker bij ouderen, zieken, weduwen en ongehuwde vrouwen die het zonder hulp toch al nauwelijks konden bolwerken. Arbeiders met grote gezinnen en losse werkers hadden het vaak ook moeilijk, vooral in de winter. Vanaf begin 17de eeuw deelde het Aalmoezeniershuis dan ook voedsel uit aan behoeftigen en in de Oude en Nieuwe Kerk werd een paar keer per week gecollecteerd voor de armenzorg. De Huiszittenhuizen deelden wekelijks onder meer brood, boter en kaas uit aan streng gecontroleerde armen. Diegene die de boel bedonderde, te lui was om te werken of zich onzedelijk gedroeg werd van de bedelingslijst geschrapt.

Eind 18de eeuw ondervonden ook de Huiszittenhuizen de gevolgen van de economische malaise. In 1789 kaartten de huiszittenmeesters van de Oude Zijde bij het stadsbestuur het verhaal aan van een vrouw die altijd trouw in “groote lieden huizen” had gediend, maar in haar “gebreckige ouderdom” slechts weinig steun kreeg. “De ervaering leert daarom ook, dat ze door honger en koude onder de pannen op de vliering sterven.” In de “achterstraaten” waren zelfs al voedselrelletjes geweest, onder meer over de hoge prijs van boekweitmeel.

De verpaupering begon in de 19de eeuw onrustbarende vormen aan te nemen. Terwijl de elite zich voedde met vlees, wild, gevogelte, vis, groenten en fruit, waren brood en vlees voor de armen bijna onbetaalbaar geworden. Zij leefden op aardappels – het nieuwe volksvoedsel. Inmiddels maakte 20% van de Amsterdammers regelmatig gebruik van de bedeling, een vergelijkbare groep deed daar zo nu en dan een beroep op. De armenzorg kon dat niet aan, want ook daar liepen de inkomsten terug: de collectes brachten minder op en het stadsbestuur bezuinigde.

Volgens de heersende gedachte werkte te veel ondersteuning “luiheid en losbandigheid” in de hand. Bovendien hadden de behoeftigen zelf schuld aan hun situatie, zo meenden de beter gesitueerden. Toch gingen zij niet helemaal aan de armoede voorbij, al was het maar om tegelijkertijd het zedelijke en morele peil van de armen wat op te krikken. Sommigen gaven geld aan de armenzorg, anderen toonden zelf initiatief en beijverden zich om een ‘spijskokerij’ op te zetten. Dat idee was niet nieuw. In Engeland experimenteerde Benjamin Thompson, graaf van Rumford (1887-1814), tevens uitvinder van de centrale verwarming, de snelkookpan en het thermische ondergoed, al enige tijd met het massaal produceren van goedkoop en gezond volksvoedsel. Hij vond de “oeconomische” soep uit, in de volksmond ook wel Rumfordse soep genoemd.

Het initiatief sloeg aan. De marine verschafte een groot aantal koperen ketels en vermogende stadsgenoten schonken geld, waarvoor ze ‘lootjes’ kregen. Deze konden ze naar eigen inzicht uitdelen aan behoeftigen. In november 1800 opende in de Haarlemmer Houttuinen de eerste “Spijskokerij” haar deuren. Gedurende de winter konden armlastigen hier op dinsdag, donderdag en zaterdag tegen inlevering van een lootje een portie soep halen. Neel Doff (schrijfster van Keetje Tippel) beschreef in Dagen van honger en ellende (1911) hoe je aan lootjes kwam. “Om zeven uur ’s morgens gingen wij in de rij staan voor de deur van de rijke huizen aan de hoofdgrachten. (…) En dan kregen we bonnetjes voor erwten, bonen en gort aangereikt. Wij waren overgeleverd aan een liefdadigheid die opzettelijk zo bekrompen mogelijk werd gehouden en waardoor wij voor altijd werden ingedeeld bij de klasse der zwervers en paria’s.” Want dat was de keerzijde van de filantropische medaille.

Hutspot en karnemelksepap

In die eerste winter van 1800 deelde de spijskokerij wekelijks 2400 porties soep uit. Deze werd bereid van groene erwten, witte bonen, gort, tarwe, en andere groenten, met bijvoeging van vers rundvlees, gelei uit beenderen en tarwebrood. De aanloop bij de soepkokerij was groot en deze kreeg een vaste plek op de Herenmarkt. Daar trok de ‘Inrichting tot spijs- en turfuitdeeling: Aan de Weldadigheid gewijd’ een houten loods op met gemetselde fornuizen, die bekend raakte als de ‘soeploods’. Het aantal uitgedeelde porties was elke winter opnieuw afhankelijk van giften. In de winter van 1808-1809 maakte de soeploods een klapper: koning Lodewijk Napoleon tekende in voor 1500 aandelen. Omgerekend kwam dat neer op 144.000 porties in zestien weken.

Maar het was bij lange na niet genoeg. Tot overmaat van ramp mislukte in 1845 de aardappeloogst en wisten enkele vermogende Amsterdammers ternauwernood een oproer te voorkomen door scheepsladingen graan te laten komen. Hierdoor bleef in elk geval de broodprijs binnen de perken. De soeploods verstrekte de winter daarop liefst 380.000 porties soep. Het kon echter allemaal niet voorkomen dat cholera en tyfusepidemieën tussen 1830 en 1870 in Nederland meer slachtoffers maakten dan elders in Europa.

Terwijl het stadsbestuur de armen nog maar eens aanmoedigde vooral zelf hun brood te gaan verdienen, deelde de communistenvereniging een brochure uit, waarin de ellendige situatie van werklozen en hun gezinnen werd geweten aan de “ongehoorde knevelarij en woekerzucht” van de rijken. En die rijken, zo constateerden door de stad aangestelde keurmeesters in 1862, hadden geen idee dat mensen (en vooral kinderen) in de achterbuurten gedreven door “razenden honger” hun kostje op mestvaalten bij elkaar scharrelden en alles nuttigden wat eetbaar leek. “Soms in zoo walgelijke vorm, dat een dier zich daarvan onthouden zou.”

Ondertussen nam het aantal liefdadige instellingen toe; Amsterdam telde er rond 1850 zo’n 300. De behoeftigen waren na een wetswijziging vrijwel geheel overgeleverd aan dergelijke kerkelijke en particuliere organisaties; de Huiszittenhuizen werden opgeheven en het stadsbestuur bood alleen nog hulp als het “absoluut onvermijdelijk” was. In 1870 achtten onder meer de Amsterdamse departementen van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen het wenselijk om in de hoofdstad een Volksgaarkeuken op te richten. Nog in datzelfde jaar huurde de maatschappij een oud koetshuis in de Spuistraat waar in de eerste week 3200 porties (warm) eten werden verstrekt. In 1871 gingen er in totaal 126.088 schotels erwtensoep, rijstesoep, hutspot, bonen en karnemelksepap à tien cent over de toonbank. In 1872 en 1874 werden dan ook twee extra volksgaarkeukens geopend, in de Utrechtsedwarsstraat en de Pijlsteeg. Jantje van Leyden deed in Eten en drinken in Amsterdam verslag van een bezoek aan de gaarkeuken in de Spuistraat, waar hij onderwijzers, studenten, een veekoper en een schilder tegenkwam. “Alle klassen der maatschappij [vereeren] deze uitstekende goedkoope restauraties met haar bezoek,” constateerde hij.

‘Centrale Slobberbak’

Een nieuwe crisis in de jaren tachtig kwam na de korte tussentijdse opleving extra hard aan en leidde tot heuse hongeroptochten en voedselrelletjes. De opkomende arbeidersbeweging zal daar ook een rol bij hebben gespeeld. Nog in 1888 berekende een arts dat in Nederland zelfs de best betaalde (geschoolde) arbeider zich niet behoorlijk kon voeden van zijn loon. Maar de economie trok weer aan en rond 1910 stond er bij arbeidersgezinnen af en toe wat vlees of vis en groenten op tafel. De huishoudpot bood soms zelfs wat ruimte voor kaas, eieren en fruit. Aan deze voorzichtige verbeteringen maakte de Eerste Wereldoorlog een abrupt einde.

Toen de voedselvoorziening in 1917 ernstig haperde, richtte de gemeente onder leiding van wethouder F.M. Wibaut zelf een gaarkeuken op. Op 1 mei opende op de Hoogte Kadijk de eerste Centrale Keuken, vanwaar uit de stamppot en de wintersoep over een veertigtal plaatsen in de stad werden gedistribueerd. De Amsterdammers spraken geringschattend over de “Centrale Slobberbak”. Maar daarmee was het dieptepunt nog niet bereikt, want in de zomer van 1917 vielen tijdens het Aardappeloproer tien doden en zeker honderd gewonden (zie ook de rubriek Hier gebeurde het). In deze periode leefden massa’s mensen op het randje van de hongersnood en verstrekten de Centrale Keukens bijna negen miljoen maaltijden.

Wibaut en zijn eveneens sociaal-democratische collega De Miranda wilden de schrijnende armoede definitief uitbannen. Nadat in Europa de vrede was getekend, voerden zij een voortvarende levensmiddelenpolitiek, die echter niet bestand was tegen de crisis van de jaren dertig, toen veel Amsterdammers zelfs te arm waren voor een maaltijd in een van de volkskeukens; deze sloten in 1937 dan ook hun deuren - op de gaarkeuken in de Spuistraat na. (Die bestaat nog steeds, onder de naam De Keuken van 1870). Toen de gemeente in 1934 de steunuitkering verlaagde, dreef gebrek de Amsterdammers weer de straat op (het Jordaanoproer) en om de rust te doen weerkeren kwamen halverwege de jaren dertig dan ook weer diverse Centrale Keukens in bedrijf.

Bittere tijden braken opnieuw aan tijdens de Duitse bezetting, doordat vrijwel alle levensmiddelen op de bon gingen en de eerste levensbehoeften schaarser werden. In de beruchte hongerwinter nam de voedselsituatie catastrofale vormen aan. Mensen aten tulpenbollen en suikerbieten en stonden met pannetjes in de rij bij de gaarkeukens voor zaken als vogelzangzaadsoep. Mensen stierven van honger op straat en door de verslechterde weerstand eisten tyfus, tbc en hongeroedeem tussen oktober 1944 en mei 1945 duizenden slachtoffers.

Na de Tweede Wereldoorlog kwam de grote ommezwaai: de sociale zekerheid bood iedereen een acceptabel bestaansminimum en daarmee leek de armoede definitief bezworen. Tot de economische malaise en daarop volgende bezuinigingen eind jaren zeventig. En ook nu weer hebben sommige Amsterdammers moeite het hoofd boven water te houden. In arme wijken in Zuidoost krijgen ruim 1000 daklozen, verslaafden, bejaarden en gezinnen wekelijks een voedselpakket. Ook brengt de Voedselbank van Regina Mac-Nack twee keer per week 200 warme maaltijden rond. En in Amsterdam-Noord deelt het Leefkringhuis op maandag en donderdag melk, vla, toetjes en andere zuivel uit. “Sinds de invoering van de euro,” vertelt medewerkster Aicha el Atmani, “is het voor sommige mensen met een uitkering en kinderen te moeilijk om zonder hulp te overleven.” Om diezelfde reden start buurthuis De Meeuw met een ‘kookcafé’ voor minima. Zonder “oeconomische Soupe” maar, naar de geest van deze tijd, met thema’s als de Oriëntaalse of Surinaamse keuken.

Tekst: Marcella van der Weg

November-December 2005

M. van der Weg is journalist.

Literatuur

Ach lieve tijd, Zeven eeuwen Amsterdam, de Amsterdammers en hun armen, Waanders, 1989.

Amstelodamum, maandblad, 1919, 1960.

Renée Kistenmaker en Carry van Lakerveld (red), Brood, aardappels en patat, eeuwen eten in Amsterdam, Muusses, 1983.

Marco H.D. van Leeuwen, Bijstand in Amsterdam ca. 1800–1850, Waanders, 1992.

Martin Schouten, De socialen zijn in aantogt, Van Gennep, 1967.

Powered by JReviews