Eten met overtuiging Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     April 22, 2011    
6212   0   0   0   0   0

Dossiers

Vegetarisch Amsterdam

11122005_VegetariersJúíst toen - kort voor 1900 - steeds meer arbeiders het zich eindelijk konden permitteren om af en toe eens een stukje felbegeerd vlees te eten, klonken er ineens stemmen die pleitten voor een vrijwillig vleesloos bestaan: de vegetariërs deden van zich spreken. Dat bleven zij, op uiteenlopende manieren, doen tot op de dag van vandaag. Vooral ook in Amsterdam.

Dacht het weekblad De Amsterdammer in 1880 nog dat vegetarisme een louter buitenlands verschijnsel was, dat waarschijnlijk geen lang leven zou zijn beschoren, in progressief Amsterdam was omstreeks 1900 een vegetariër al geen curiosum meer. In het voetspoor van de charismatische Ferdinand Domela Nieuwenhuis kwam menig socialist die zich beijverde voor een rechtvaardiger samenleving tot de slotsom dat ook aan dieren rechten toekwamen, zoals het recht op leven, wat zich slecht verdroeg met de consumptie van biefstuk en varkensrollade. Behalve tegen de uitbuiting van arbeiders, de onderdrukking van de vrouw, het kolonialisme, de prostitutie, het gevangenisstelsel, de militaire dienst, drankmisbruik en welke misstanden al niet meer ageerden deze idealisten daarom ook tegen dierproeven, de jacht, de slachthuizen en de mode om dode vogeltjes op je hoed te dragen.

Ten dele waren die bewegingen een reactie op de verstedelijking en industrialisatie. Terug naar de Natuur, was het motto. Net als het gebruik van alcohol en tabak was vleesconsumptie volgens veel vegetariërs niet natuurlijk, en dus verwerpelijk. Op dezelfde grond propageerden zij ruime reformkleding of, nóg ‘natuurlijker’, naturisme. (Maar niet op voortplanting gerichte seks was taboe: de Rein Leven-beweging had in de vegetarische beweging veel aanhang.) De grote stad, Amsterdam voorop, gold in deze visie als onnatuurlijk en ongezond. Propagandisten van de vegetarische zaak waren daarom doorgaans ook voorstander van de ontwikkeling van gezonde tuinsteden, of vestigden zich buiten de stad, waarbij vooral het Gooi populair was. Mensen als Jacob van Rees, professor in de histologie, de wiskundige L.E.J. Brouwer en vakbondsleider Henri Polak bleven weliswaar in Amsterdam werken, maar gingen wonen rond het landelijke Laren. Anderen zeiden ook hun werk in Amsterdam vaarwel. Frederik van Eeden stapte uit zijn psychiatrische kliniek en dreef de behoefte aan landelijk leven door in zijn beroemde kolonie Walden nabij Bussum - wat op een fiasco uitliep.

Vegetaries Eethuis

Maar lang niet iedereen kon zich een huis in het Gooi veroorloven. Wel valt op dat bijna alle Amsterdamse leden van de Nederlandsche Vegetariërsbond (opgericht in 1894) in de betere buurten woonden: in de grachtengordel en rond het Vondelpark. Niet één vond men er in de Jordaan, de Kinkerbuurt of de Dapperbuurt. Vaak waren ze wel links, maar zeker niet armlastig. Voor die Amsterdamse geestverwanten begonnen de anarchist Tjerk Luitjes en diens vrouw Trui in 1899 een Vegetaries Eethuis in Warmoesstraat 107, het eerste echte vegetarische restaurant van Amsterdam (en het tweede van Nederland). Het echtpaar runde de zaak niet lang: in 1900 maakte het de overstap naar de Kolonie van de Internationale Broederschap in Blaricum - evenmin als Walden een succes - terwijl het eethuis werd overgenomen door de Vegetariërsbond en nog hetzelfde jaar verhuisde naar Rembrandtplein 20.

Nadat op het Singel kort een tweede vegetarisch hotel-restaurant had bestaan, Natura geheten, ging in 1907 op Weteringschans 112 het vegetarisch hotel-restaurant Pomona open (vernoemd naar de Romeinse godin van het fruit.) Een jaar later ging het Rembrandtplein-eethuis hierin op. De zaak liep aanvankelijk dusdanig goed dat in 1910 een forse uitbreiding plaats kon vinden. De Belgische opvoedkundige Edward Peeters zou zich later herinneren: “Het vegetarisme bleef voor mij iets ziekelijks, tot mijn verblijf in de Amsterdamsche Pomona me het tegendeel bewees.” Desondanks viel eind 1914 het doek. Kort ervoor deed zich nog een incident voor. Vier militairen lieten proces-verbaal opmaken wegens het eten dat zij in Pomona kregen. Na de mobilisatie in augustus 1914 waren zij hier ingekwartierd - en volgens de inkwartieringswet hadden zij recht op een dagelijkse portie vlees…

Ondertussen was het een komen en gaan van vegetarische pensions en eethuisjes, tot in 1924. Toen werd opnieuw een restaurant Pomona geopend, een naam die in vooroorlogs Nederland bijna synoniem werd met vegetarisch restaurant. Na een verblijf in de Jan Luijkenstraat was het te vinden in de Nicolaas Witsenstraat, later op Reguliersgracht 23-25. Volgens het oordeel van een arts stak Pomona uit voedingskundig oogpunt uit boven andere eetgelegenheden in Amsterdam: “Immers vitaminen, voedingszouten en andere levensgewichtige stoffen worden de gasten hier niet onthouden; de groenten en overige spijzen worden hier niet ‘dood’ gekookt. Pomona-Amsterdam staat in het teken van de vitaminen.” Uiteindelijk werd de Tweede Wereldoorlog de zaak echter fataal.

Het vooroorlogse vegetarisme in Amsterdam uitte zich behalve in vegetarische restaurants, pensions en cafetaria’s op tal van andere manieren. Zo kende de stad een actieve afdeling van de Nederlandsche Vegetariërsbond, die lezingen, tentoonstellingen en excursies organiseerde; vonden er vegetarische kookdemonstraties plaats in de huishoudschool; kende de Volksuniversiteit enkele jaren een ‘cursus vegetarisme’; konden vegetariërs terecht bij diverse reformwinkels en heerste er bijvoorbeeld in de zogeheten Boddaert-tehuizen - instellingen voor “erfelijk-belaste, anti-sociale, tuchtelooze” kinderen - een vegetarisch regime.

Na de oorlog, die velen tijdelijk onvrijwillig tot vegetariër had gemaakt, bleef aanvankelijk het vegetarisme vooral beperkt tot kringen van theosofen, antroposofen, naturisten en dierenbeschermers. Tót provo in 1965 nieuw leven in de brouwerij bracht. Die beweging zelf was weliswaar weinig vegetarisch, maar het generatieconflict dat zij uitbuitte schiep ruimte voor vegetarische denkbeelden: als er afgerekend werd met de gevestigde autoriteiten, kon dat ook een breuk betekenen met het gevestigde voedingspatroon. Vooral de Kabouterbeweging, die in 1969 de provofakkel overnam, propageerde een nieuw maatschappijbeeld waarin vegetarisme nadrukkelijk aanwezig was. Het protest tegen de consumptiemaatschappij met haar massale, milieuverpestende voedselproductie kreeg een tegenhanger in een pleidooi voor kleinschalige, biologisch-dynamische landbouw. Roel van Duijn, die in 1969 het idee lanceerde van Amsterdam-Kabouterstad, was de voornaamste propagandist voor deze op de antroposofie geënte omgang met plant en dier. Zijn doel was om in Amsterdam de natuur terug te brengen. Dat gebeurde door het aanleggen van moestuintjes, het planten van bomen of de start van ‘kabouterwinkels’ waar milieuvriendelijke natuurvoeding te koop was. Het BD-voedseldepot op de Keizersgracht, de Knetterwinkel Iet Wiet Waait en De Groene Ballon waren daar voorbeelden van. Die verdwenen snel, maar natuurvoedingswinkel De Belly in de Nieuwe Leliestraat (sinds 1972) is er nog steeds. Vegetarisch eten kon je daarnaast in de Krities Alternatieve Kroeg (kortweg KAK) van studentenvereniging USA of bij krakerswinkel Het Vergulde Breekijzer.

Naast de biologisch-dynamische voeding kreeg de uit Japan overgewaaide macrobiotiek in korte tijd veel aanhang. Mike Lorsch, kunstschilder en vriend van de anti-rookmagiër Robert Jasper Grootveld, opende in 1968 op Tweede Rozendwarsstraat 22 als eerste een Macrobiotisch centrum. Meer nog dan Lorsch werd de ijdele Adelbert Nelissen het boegbeeld van de macrobiotiek. In 1971 startte hij de macrobiotische winkel De Rozemarijn, spoedig gevolgd door De Pimpernel en een restaurantje op de Keizersgracht. Dit alles werd in 1972 ondergebracht in de Stichting Natuurvoeding Amsterdam, waarvan twee jaar later ook een bakkerij onderdeel werd die zogeheten Manna-brood ging bakken. Dat was zo’n succes dat de naam Manna al snel de bedrijfsnaam werd voor een snel groeiende keten. Ondertussen zette Nelissen in 1975 het Oost-West Centrum op waaruit in 1978 het nog steeds bestaande omstreden Kushi Instituut voortkwam, tegenwoordig voorzien van het vegetarisch-macrobiotisch eetcafé Deshima.

In de krakersbeweging - die zijn wortels had in provo en Oranjevrijstaat - ontwikkelde het vegetarisme zich ondertussen tot het veganisme: veganisten gebruiken geen enkel dierlijk product: geen eieren, geen melk, geen wol, geen dons, geen leer. In de volkskeukens die in verschillende kraakpanden verschenen werd vaak veganistisch gekookt, zoals in de Kalenderpanden in het Entrepotdok en Pakhuis Afrika op de Oostelijke Handelskade. Tegenwoordig kun je onder meer nog terecht bij ADM (Westpoort), organic vegan café De Peper op de Overtoom, Miltvuur Keuken Zuid (MKZ) in de Schinkelstraat en ‘krakerskafee’ Molly Chaoot in de Pijp, dat tevens de keuken herbergt van de organisatie Food not bombs, die tweewekelijks gratis maaltijden uitdeelt op het Museumplein.

‘Biologisch-tandheelkundig verantwoord’

Ook buiten de anarchistische kraakscene kende het vegetarisme vanaf de jaren zeventig een duidelijke groei, die zich weerspiegelde in een explosie van vegetarische restaurantjes. Sommige bestaan nog steeds, zoals De Vliegende Schotel in de Nieuwe Leliestraat (vanaf 1980), De Waaghals in de Frans Halsstraat (1982), De Bolhoed op de Prinsengracht (1986) en, als oudste, The Golden Temple (1972), nu in de Utrechtsestraat. Andere zijn al weer ter ziele, zoals Floreat, Mother’s Milk, Sanitas, De Bast, Govinda, Baldur en De Olifant. Speciale vermelding verdient nog het geesteskind van de baardige tandarts Gerard Jan Baerents, The Flying Dutchman (later ’t Kombuys) op de Hogeweg, waar mensen konden eten op “biologisch-tandheelkundig verantwoorde grondslag”.

Deze groei van het vegetarisme had veel te maken met toenemende onthullingen over het lot van de dieren in de bio-industrie. In Amsterdam gevestigde organisaties als Wakker Dier, Varkens in Nood en (sinds eind 2002) de Partij voor de Dieren proberen mensen te laten nadenken over de gevolgen van hun voedingspatroon in de hoop dat zij diervriendelijker gaan consumeren, hetzij vegetarisch, hetzij biologisch. Vooral door toedoen van Bekende Amsterdammers zoals Georgina Verbaan, Katja Schuurman en Jort Kelder kunnen vegetariërs zich momenteel bovendien trendy wanen.

Tekst: Dirk-Jan Verdonk

November-December 2005

D.J. Verdonk is historicus en werkt aan een proefschrift over de geschiedenis van het vegetarisme in Nederland.

Powered by JReviews