Nummer 7-8: Juli-Augustus 2012


07-2012_Hirsch
'Wie den hobbezak droeg, frequenteerde ons huis niet'

Parijse stijl was keurmerk modehuis Hirsch

Eindelijk, eindelijk was het zover. De Franse haute couture bereikte het nog wat slaperige Amsterdam. De mondaines hoefden niet meer naar Parijs voor de chicste laatste mode. Vanaf 24 september 1882 was Maison Hirsch aan het Leidseplein hun adres. Op zolder zwoegden de naaisters, in de salons lagen de exclusieve japonnen. Hirsch legde het later af tegen de confectieketens. Nu liggen er glimmende iPhones op de verkooptafels.

Het scheelde een haar of Amsterdam had misschien wel nooit het modehuis Hirsch op het Leidseplein gekend. “Er is hier voor ons niets te beginnen”, zeiden in 1881 Sylvain Kahn en Sally Berg tegen elkaar nadat ze in de stad hadden rondgekeken zonder een geschikt pand te vinden voor hun plannen.
Beiden waren toen 24 jaar. Berg, geboren in Duitsland, en Kahn, die uit de Elzas kwam, waren als jochies van veertien bij de Belgische confectionair Leo Hirsch in Brussel gaan werken. Toen ze ver genoeg in het modevak waren gevorderd, begonnen ze van een eigen modehuis te dromen.
Hirsch zag daar wel wat in. Hij stelde zijn ambitieuze assistenten voor in Amsterdam neer te strijken en zorgde voor de financiering. De twee namen de trein, maar zagen ter plaatse nergens een beschikbare locatie met de allure die ze beoogden. Net toen ze teleurgesteld weer naar Brussel terug wilden sporen, kwam een makelaar met een optie. Op de hoek van het Leidseplein en de Weteringschans stond een gebouw, waarin het pianomagazijn Ebbeler was gevestigd. Jan Ebbeler was net overleden en de erven zouden het grote 19de- eeuwse hoekpand wel willen verkopen.
Zo bleef het project voor een chique modemagazijn naar Parijse trant op het nippertje toch voor Amsterdam behouden en kon een jaar later, in 1882, Maison Hirsch & Cie met veel fanfare worden geopend. Le tout Amsterdam stroomde toe om zich te wentelen in de voorname sfeer van weelderige toiletten uit Parijse modeateliers en elkaar in de tearoom en de luxueuze zitjes minzaam toe te knikken terwijl mannequins de nieuwste robes van zijde en chiffon demonstreerden. De Amsterdamse clientèle was erg gesteld op de bijzondere hoffelijkheid van het personeel, dat het Frans als voertaal hanteerde.

De komst van Hirsch was een gebeurtenis van de hoogste orde voor de Amsterdam elite. In een terugblik schreef het Algemeen Handelsblad in 1928: “Met het openen van haar zaak aan het Leidscheplein op 24 September 1882 heeft de firma Hirsch naar Amsterdam en daarmee naar Holland gebracht wat tot dán toe alleen den élégantes in Parijs en Brussel mogelijk was gemaakt. Vele vrouwen uit de Amsterdamsche haute volée wachtten op de gelegenheid, de Fransche façons kant en klaar te kunnen bezichtigen. Nog kent de heer Sylvain Kahn, de stichter van het modehuis, de namen van haar, die zijne eerste clientèle vormden. Het waren dames uit de Amsterdamsche industrieële en effectenwereld, wier nazaten ook thans nog behoren tot de upper-ten. Sommigen van haar hebben toen japonnen, waaronder feestgewaden, laten maken: crinolines en queues de Paris, die museumstukken zijn geworden.”
Sylvain Kahn en Sally Berg waren lang niet de enige Duitse Joden die in deze jaren naar Nederland kwamen. Na de Frans-Duitse Oorlog (1870-1871) maakte de eerste Duitse rijkskanselier, de Pruis Otto von Bismarck, Joden en katholieken het leven zuur met zijn Kulturkampf. Hij beschouwde de katholieken wegens hun trouw aan Rome en de Joden als vijandig tegenover de nationale eenheid. Veel van die immigranten zaten in het modevak en stichtten nieuwe zaken in Amsterdam, zoals de katholieken Lampe, Peek, Cloppenburg, Hollenk
Kort nadat Berg en Kahn Maison Hirsch hadden geopend, vestigden van Joodse kant Josef Cohen uit Dinsladen en zijn vrouw Rosa Wittgenstein (nichtje van Kahns vrouw Julie) in 1889 hun Maison de Bonneterie aan het Rokin. Joodse confectionairs waren er ook van Nederlandse herkomst. Op de Nieuwendijk was in 1869 een zekere Samuel Philip Goudsmit uit Oud-Beijerland een garen- en bandzaakje begonnen onder de naam De Bijenkorf dat twintig jaar later door zijn neef Arthur Isaac in een paar bijgekochte aanpalende panden werd uitgebreid met damesconfectie. En uit Groningen waren de broers Eduard en Lazarus (Lion) Gerzon naar Amsterdam getrokken om – in 1889 en op de Nieuwendijk – een modewinkel te openen.

Bevallige mondaines
Maar de Parijse stijl bleef het exclusieve stempel van Maison Hirsch. Sylvain Kahn vertelde in het genoemde Handelsblad-artikel hoe die Franse allure aansloot bij de Amsterdamse chique. “‘Poppefiguurtjes waren de mondaines uit dien tijd’, de heer Kahn zegt het met een exquis vingergebaar. ‘De wijze, waarop zij haar toiletten droegen, was van een languissante bevalligheid. De slepende gewaden eischten een aparte kunst om te worden opgehouden. Ik herinner mij de sierlijkheid, waarmee de vrouwen, in den tijd, toen de balayeuses een ravissante en geraffineerde sleepdecoratie vormden, haar kleed opschortten juist tot den bovenrand van de fijne chroomleeren of laklederen bottine. Verder dan dien rand mocht geen vrouw van goede zeden en goeden smaak haar, met nansouk, tarlatan of kant versierden japonrand heffen. Wie den euvelen moed had, vijf à tien centimeter hooger te tillen; wie van het goed gevormde been méér toonen dorst dan den geschoeiden enkel – fidonc! - haar fatsoen werd door alle vrouwen, die den balayeuse slechts schortten tot den bottinerand, in twijfel getrokken.’”
Sinds die eerste jaren had de couturier overigens wel de mode zien veranderen, vertelde hij aan de krant, “met een zeker dédain en met een trek van ironie om den mond”. Gruwzaam dieptepunt was de opkomst van de zogeheten reformkleding rond 1900 oftewel de ‘hobbezak’. “‘Wij’, zegt de heer Kahn en nóg klinkt zijn stem misprijzend, ‘wij hebben den hobbezak nóóit gemaakt en onze clientèle heeft dat ook nooit van ons verlangd. Wie den hobbezak droeg frequenteerde ons huis niet.’”
Compagnon Berg had intussen zijn modegevoelige vleugels allang weer verder uitgeslagen. In 1895 kocht hij het Weense modehuis Drecoll en met Kahn begon hij in 1902 onder die naam zelfs een filiaal in Parijs. Het ging de ondernemende couturiers immers goed in Amsterdam: Hirsch was en bleef de zeer geliefd bij hun welgestelde clientèle, onder wie ook de vorstinnen Emma en Wilhelmina. Op 21 september 1907 werd het 25-jarig bestaan van de zaak dan ook luisterrijk gevierd met onder andere een receptie in het Concertgebouw.

Thé dansant
De bazen die altijd al blijk hadden gegeven van een zorgzaam personeelsbeleid – veel van de Franse verkoopsters mochten wonen op de bovenste verdieping van het gebouw – maakten ter gelegenheid van het jubileum een genereus gebaar: ze kochten in Laren ter hoogte van het Sint Janskerkhof een stuk grond van 2,5 hectare, waar ze een herstellingsoord bouwden voor het personeel – inmiddels meer dan 200 mensen – en hun kinderen. Naar Sally Berg werd het oord de Berg-stichting genoemd, dat na de Tweede Wereldoorlog nog lang heeft dienst gedaan als opvang van Joodse weeskinderen.
Het oude pianomagazijn was inmiddels te klein geworden en in 1910 besloten de modemakers hun vestiging aan het Leidseplein aanzienlijk te vergroten tot een waar internationaal modepaleis. De Amsterdamse architect Alphons Jacot kreeg de opdracht een nieuw gebouw te ontwerpen en schiep het monumentale pand met de sierlijke arcades en de vijf etages boven de winkelparterre.
Dat ging wel ten koste van Café Hollandais, van oudsher de buurman van de pianohandel. Het moet een gevierd etablissement zijn geweest met een welvoorziene leestafel, een biljartzaal en, volgens een bron, “het gezelligste terras van de stad, waar het op zomerse avonden aangenaam toeven was”. In het nieuwe gebouw werd café-restaurant Trianon ondergebracht, geëxploiteerd door de wijnkopers Ferwerda enTieman. Zij introduceerden een nieuwe attractie voor de dames van de betere stand: iedere middag een thé dansant, waar hun jongedochters een dansje mochten maken met de vermetele jongeheren die het waagden een buiginkje voor hen te maken.
De Trianon-exploitanten voelden zich iets té deftig, zo bleek direct, toen ‘te gewone’ bezoekers en met name Joden ontdekten dat men niet in de zaak gewenst was: hun werd ijskoud de dubbele prijs voor de koffie of het biertje gerekend. Het werd een forse Amsterdamse rel. De Trianon-directie erkende – met wel bijzonder weinig begrip voor het bij uitstek Joodse karakter van het modehuis – dat ze aldus het ‘cachet’ van het etablissement wilde behoeden. Ter compensatie schonk ze uiteindelijk f100,- aan de Joodse armenzorg.

Mannequins uit Parijs
Het nieuwe Maison Hirsch was nu in ieder geval met een totaal vloeroppervlak van 21.000 m2 en (inclusief de trotse lichtkoepel) een hoogte van 38 meter op slag het grootste warenhuis van Nederland.
Voor architect Jacot (1864-1927) was het de meest prestigieuze opdracht uit zijn carrière. Begonnen als leerling op de ambachtelijke Quellinusschool van P.J.H. Cuypers, had hij gewerkt bij enkele vooraanstaande architecten, zoals A.L. van Gendt (Concertgebouw, Stadsschouwburg), om daarna met zijn oude schoolkameraad Willem Oldewelt het bureau Jacot & Oldewelt te vormen. Samen bouwden zij nogal wat winkelpanden in de Vijzelstraat, Utrechtsestraat en Leidsestraat, waaronder het in 1899 geopende kapitale gebouw voor het modemagazijn Nieuw Engeland op de hoek van Singel en Koningsplein. Ziekte noopte Oldewelt in 1903 met werken te stoppen (hij overleed in 1906) en aldus was het Alphonsus Maria Leonardus Aloysius Jacot die – met zijn collega Jan Gerard Snuijf – tekende voor het nieuwe Hirschgebouw.
Een “winkel van Jacot” stond in kringen van opdrachtgevers, blijkens een monografie over hem uit 1915, voor “een gezellige ruimte, waarin het aangenaam was te verkoopen, goed om te etaleren en waar de klanten zich thuis gevoelden.” Maar toen de steigers voor het monumentale Hirschgebouw waren verdwenen, stak in vakkringen een storm van kritiek op. Jacot zou zijn schepping vrijwel letterlijk hebben geplagieerd op het nieuwe warenhuis Selfridge’s in Londen en nog afgezien daarvan vond de vakwereld het neoclassistische gebouw “slap van middelmatigheid”. Een collega-architect schimpte: “Het inwendige toont al even weinig talent als het uitwendige; het is van die nietszeggende zoetsappige middelmatigheid, die zeer dicht bij de smakeloosheid staat.”
De Amsterdamse beau monde trok zich van dit gekrakeel niets aan en toen Amsterdams burgemeester Antonie Röell in 1912 het nieuwe gebouw trots had geopend liep het storm voor de feestelijke nieuwigheid ter gelegenheid van de opening: een modeshow. Opgetogen rapporteerde het Algemeen Handelsblad de volgende dag: “De firma Hirsch had mannequins of pasjuffertjes uit de grootste moode-paleizen van Parijs naar hier laten komen. Deze mannequins zouden de nieuwste uitdenksels der Parijsche modes om de leden drapeeren, en, zoo rond passagierend, een revue des modes actuelles vertoonen.”

Bakens verzet
De krant lichtte het nieuwe evenement zorgvuldig toe. “Op de gaanderijen zijn duizenden stoelen geplaatst. Daartusschen is een breede doorgang open gelaten; een mannequin treedt naar buiten. Zij kijkt snel om zich heen, bemerkt de lichte baan vóór zich, en schrijdt voort. De menschen zijn ademloos. Die Parisiennes te midden der Amsterdamsche menschen los te laten. C’est épatant.”
Hirsch was een begrip geworden in Amsterdam en evenzeer een magneet voor de hoogvliegers buiten de hoofdstad. Het ging de couturiers voor de wind. De expansieve Sally Berg opende in die tijd ook een parfumfabriek in Neuilly-sur-Seine. Maar toen de crisisjaren opdoemden moesten de bakens worden verzet. Kahn erkende in 1928: “We zijn niet meer alléén ingericht voor de rijke dames van de buitens in Overveen en Bloemendaal – ook een doktersvrouw, een notarisvrouw, de dames uit de welgestelde burgerij kunnen nu bij ons terecht.”
Een jaar later, in 1929, overleed hij. Zwager en zakenpartner Sally Berg was hem al in 1924 voorgegaan. Enkele jaren later bloeide onder Sylvains zoon Bernard Kahn en Sally's 'halfneef' Robert Berg de zaak weer op en floreerden op de modeshows de “cocktail- en avondjaponnen waarvoor alle aardsche tuinen hun bloemen schenen te hebben afgestaan” (Handelsblad, 1935).
Tot ook over Hirsch de nazischaduw viel. Onder bewindvoerder Bauer werd de zaak doortastend leeggeplunderd en in 1943 geliquideerd. Bernard Kahn kwam in Buchenwald om. In 1945 begon zijn broer René samen met Robert Berg opnieuw een kleine zaak, waarvoor ze introkken bij de firma Kalker (schoonzoon van Kahn sr.) in de Kalverstraat. Drie jaar later konden ze terugkeren in een deel van het oude gebouw. “Met de terugkeer van deze modezaak die er van oudsher hóórt, heeft het Leidseplein zijn vooroorlogse gedaante teruggekregen”, juichte dagblad De Tijd.

Woelige mensenmenigte
Maar de oude glorie was verbleekt en tegen de confectieketens en de goedkope mode van V&D en de Hema legde Hirsch het tenslotte af. In 1976 viel het doek. De parterre met de grote etalageramen werd verhuurd aan de luchtvaartmaatschappijen Pan Am en BEA en het Brits Verkeersbureau, de bovenverdieping aan het advocatenkantoor Baker & McKenzie. In 1990 verkochten de erven voor f76 miljoen het pand aan de Zweedse projectontwikkelaar Lars Nilsson, die de door de opgeheven vliegmaatschappijen verlaten ruimten aan ABN Amro verhuurde. Nilsson overleed in 2009. Zijn erven hebben laten weten nooit meer van het prestigieuze pand af te willen en er alleen huurders van hoog kaliber in toe te laten.
Op de tweede etage zit nu het trendy reclamebureau JWT Amsterdam en de derde verdieping is voor ABN Amro. Beneden is de bank een eindje naar links opgeschikt om ruimte te maken voor de zo gewenste prestigieuze exploitant. Door acht boogramen valt nu het licht over het plein vanuit Apple’s sneeuwwitte tempel van de vingertoppencommunicatie. Bij de opening op 3 maart j.l. was het net als 100 jaar geleden. Toen schreef het Algemeen Handelsblad (op 6 maart!): “Een woelige menschenmenigte verdrong zich Zaterdag gedurende den geheelen avond op het Leidscheplein en het begin van de Weteringschans waar de etalagekasten van de firma Hirsch & Cie. baadden in het licht der electrische gloeilampjes.” Alleen lagen er nu geen ravissante jupes-culottes (broekrokken) op de verkooptafels, maar glimmende iPads.

Tekst: Frans van Lier
F. van Lier is journalist, schrijver en beelden kunstenaar.