Nummer 1: Januari 2008

Bevroren borstplaat

Kwakkelwinters deden eerste Nederlandse kunstijsbaan de das om

Tekst: Hansje Galesloot


012008_SchaatsenDe langste kunstijsbaan ter wereld in Flevoland verkeek zich bij de geplande opening op de invloed van het zachte weer. Precies om die reden hield de eerste Nederlandse kunstijsbaan aan de Linnaeusstraat het maar vijf jaar vol. Maar de Amsterdammers waren wel gewonnen voor twee nieuwe sporten: het bevallige kunstschaatsen en het ‘echt mannelijke’ ijshockey.

Met de exprestrein uit Parijs arriveerde op de avond van 21 november 1934 de Noorse ijskoningin Sonja Henie op het Amsterdamse Centraal Station, vergezeld van dertien koffers én van haar onafscheidelijke vader en moeder. De hele nationale pers was uitgerukt en noteerde dat ze was gekleed in een tijgerbontjas met een “coquet fluweelen dopje” op het
hoofd. Een zwerm jeugdige “autogrammenjagers” belaagde de charmante verschijning op haar tocht naar Hotel de l’Europe.
De volgende ochtend was de persmeute weer present op de eerste training van het 22-jarige sterretje op de gloednieuwe Sportfondsen Kunstijsbaan aan de Linnaeusstraat. “Een mooie baan! En het ijs is goed, ja,” liet Henie de verslaggevers weten, onder het geklop en gehamer van tientallen werklieden die zich in het zweet werkten om de tribunes nog net op tijd klaar te krijgen voor het openingsfeest van enkele dagen later. Gewillig poseerde Henie al pirouettes draaiend op het ijs voor de toegestroomde fotografen.


Sonja Henie als rage
Het was directeur Han Bierenbroodspot dan toch gelukt de meervoudig wereld- en olympisch kampioene te contracteren voor het openingsfestijn van zijn nieuwe baan. Henie was toen al een legende. Op haar elfde debuteerde ze op de Olympische Spelen. Vanaf 1927 werd ze tienmaal op rij wereldkampioene en driemaal olympisch kampioene. In 1937 stopte ze met de wedstrijdsport, vertrok naar Amerika, trad op in elf films die allemaal draaiden om haar eigen carrière als kindsterretje, en werd de spil van de Hollywood Ice Revue waarmee ze een miljoenenfortuin zou vergaren.
Ten tijde van de opening van de Amsterdamse kunstijsbaan, dat stuk ‘bevroren borstplaat’ zoals verslaggevers oneerbiedig schreven, was Sonja Henie op het toppunt van haar wedstrijdcarrière en met afstand de beroemde schaatsenrijdster ter wereld. Maar haar optreden in Amsterdam was niet alleen om die reden een sensatie. Henie en de eveneens uitgenodigde rijders van de Weense School waren de eersten die het Nederlandse publiek lieten kennismaken met het kunstrijden. Dit ‘figuren krassen op het ijs’ was door de Engelse adel bedacht en kreeg vanaf eind 19de eeuw in Wenen een steeds muzikaler en kunstzinniger aanzien. Al decennialang was het kunstrijden een internationale wedstrijdsport, maar in ons land deed niemand eraan.
Toen het dan eindelijk tot een kennismaking kwam, op het sprookjesachtige ijsfeest van de Sportfondsen Kunstijsbaan in het weekend van 24 en 25 november 1934, waren de vele duizenden toeschouwers met stomheid geslagen. Het optreden van Sonja Henie was “zoo weergaloos en zoo meeslepend dat het publiek juichend stond te applaudisseren”. Op 26 november trad Henie nogmaals op voor schoolkinderen die gratis toegang hadden. Tot verbijstering van de organisatoren kwamen 16.000 kinderen opdagen. In de jaren hierna werd de Noorse diva een rage onder rolschaatsende meisjes in Amsterdam.

Het Sportfonds van Biertje
Nederland is de bakermat van het schaatsen, maar in 1934 telde ons land in geen enkele tak van de internationale ijssport nog mee. De merkwaardig trage introductie van het kunstijs was daar debet aan. Natuurijs kwam hier te lande op z’n best enkele weken per jaar voor en dat was natuurlijk veel te weinig om goed te kunnen oefenen. De eerste kunstijsbaan ter wereld ging in 1876 in Londen van start, met toen al dezelfde techniek als later aan de Linnaeusstraat zou worden toegepast: een buizenstelsel verwerkt in de betonnen vloer van de kunstijsbaan, waardoorheen een koude vloeistof stroomt. In de eerste decennia van de 20ste eeuw ontbrak het niet aan plannen voor de stichting van een kunstijsbaan in Amsterdam, maar er kwam allemaal niets van terecht.
Redding voor de ijssport in ons land kwam van Han Bierenbroodspot die aan de wieg stond van een ingenieus spaarsysteem, het Sportfonds, waaraan spaarders met kleine maandelijkse stortingen konden bijdragen. In 1929 ging het eerste Sportfondsenbad in Nederland van start, op het terrein van de oude Oostergasfabriek aan de Linnaeusstraat. Het bad werd ondergebracht in twee van de vijf ‘kappen’ van het retortenhuis en was onmiddellijk een groot succes. De rest van het pand stond leeg en was aan verloedering ten prooi. Dat bracht ‘Biertje’ zoals zijn bijnaam luidde, op een nieuw idee: op het terrein kon ’s zomers een openluchtbad worden geëxploiteerd en ’s winters een kunstijsbaan.
Trouw aan zijn sportfondssysteem opende Bierenbroodspot de inschrijving voor spaarders voor de nieuwe kunstijsbaan. Hij wilde hiermee niet alleen het benodigde geld binnenhalen, aangevuld met een gemeentelijke subsidie, maar ook laten zien dat er draagvlak was voor zo’n kunstijsbaan. Binnen enkele maanden hadden zich voldoende spaarders aangemeld en kon men de plannen gaan uitvoeren. Het leegstaande deel van het retortenhuis werd gesloopt en daar werd een ‘bak’ van 60 bij 40 meter gemaakt, omgeven door een betonnen wand van anderhalve meter hoog. Met het sloopafval werd een zeven meter hoge helling gevormd. Die fungeerde ’s winters als staantribune – in totaal had de ijsbaan maar liefst achtduizend toeschouwersplaatsen – terwijl men er ’s zomers een laag zand op stortte bij wijze van strand. Bij flinke regenbuien spoelde het zand in het bad, maar een kniesoor die daarop lette. De aanpalende muur van het Sportfondsenbad werd vervangen door spiegelruiten, zodat de binnenbaders zicht hadden op het buitenbad. Dat laatste was met zijn diepte van ruim een meter vooral bedoeld voor kinderen, maar op bewaard gebleven foto’s zijn ook volwassenen en zelfs een enkele kanovaarder te ontdekken.

Belachelijke antiquiteiten
Kunstrijden mocht in Nederland dan onbekend zijn, ons land kende wel het schoonrijden: een eeuwenoude traditie van zwieren op het ijs, waarbij de rijders zich zo statig mogelijk in sierlijke bochten over het ijs bewegen. Op het openingsfeest van de kunstijsbaan aan de Linnaeusstraat traden ook Nederlandse schoonrijders op. Het publiek en de aanwezige verslaggevers schaamden zich echter de ogen uit hun kop voor deze vaderlandse knulligheid, want hoe knap het technisch ook was, het zag er niet uit in vergelijking met het spectaculaire kunstschaatsen. “Blijven jullie schoonrijders, belachelijke antiquiteiten, toch met jullie kunst uit opoe’s en opa’s tijd in het vervolg thuis,” beet een boze briefschrijver in het Handelsblad hen toe.
Met de populariteit van het schoonrijden was het dus wel gedaan, de toekomst was aan het kunstrijden. De Sportfondsen Kunstijsbaan organiseerde in de vijf jaar van haar bestaan geregeld drukbezochte ijsrevues met internationale sterren, waar de kranten lyrisch over schreven. In deze jaren schnabbelden kunstrijders er heel wat bij met optredens over de hele wereld. De grens met ijsdansen en acrobatiek op het ijs was daarbij vloeiend, zodat een circusachtig geheel ontstond. Een attractie van de eerste orde was de Engelsman Phil Taylor die het presteerde te schaatsen op stelten van een meter hoog. Vervolgens maakte hij een sprong over enige tafels waaraan zes medewerkers van de ijsbaan quasi-ontspannen hadden plaatsgenomen. Nog benauwender werd het voor een baanveger die, zeer tegen zijn zin, moest gaan liggen achter een rij van twaalf tonnen waar Taylor overheen sprong.
Op het openingsfeest van de ijsbaan had een negenjarig meisje, Annie Verlee, zich tot vlakbij de boarding naar voren weten te werken. Ademloos sloeg zij de verrichtingen van Sonja Henie en de andere buitenlandse sterren gade. Bij schoenwinkel Zwartjes in de Utrechtsestraat ontdekte ze kunstschaatsen in de etalage. Toen ze die van haar ouders had gekregen, trainde ze elk vrij uurtje op de kunstijsbaan. Daar waren door de directie gerenommeerde Weense trainers aan het werk gezet, die het kunstrijden in Nederland een impuls moesten geven. Na de oorlog zou Annie Verlee als trainster aan de basis staan van de schaatssuccessen van Sjoukje Dijkstra en Joan Haanappel, de eerste Nederlandse kunstrijdsters die internationaal doorbraken rond 1960. Zo gaf de ijsbaan aan de Linnaeusstraat de stoot tot het ontstaan van een Nederlandse kunstrijtraditie.
De Sportfondsen Kunstijsbaan werd ook enthousiast verwelkomd door de Nederlandse hardrijders, die vanuit allerlei plaatsen driemaal per week kwamen aangereisd om hier hun rondjes te draaien. Onder hen was Gonne Donker, die eind jaren dertig in het vrouwenschaatsen de internationale top bereikte. Voor wedstrijden in hardrijden was de baan te klein. Maar het ijsvlak was wel afgestemd op een andere tak van de ijssport, die net als het kunstrijden nog volslagen onbekend was bij het Nederlandse publiek: het ijshockey. Vlak voor de opening van de baan, in september 1934, werd een nationale ijshockeybond gesticht. De Amsterdamse IJshockey Club (AIJHC) werd de vaste bespeler van de baan, ook wel de Blauwe Zes genoemd. Het team werd getraind door drie Canadezen die ook zelf meespeelden. Het nationale team was identiek aan dit Amsterdamse team minus de drie buitenlanders.
Het is dus niet overdreven te zeggen dat het Nederlandse ijshockey op de baan aan de Linnaeusstraat is geboren. Jaren achtereen was elk seizoen sprake van een aantrekkelijk programma van internationale wedstrijden waar duizenden toeschouwers op afkwamen. Amsterdam werd zo gewonnen voor de ijshockeysport, waarvan vooral het ruige en “mannelijke” karakter tot de verbeelding sprak, afgaande op de krantenverslagen. Eenmaal kwam het zelfs tot een handgemeen op het ijs tussen heetgebakerde spelers, waar enkele heren met wandelstokken die van de tribune op het ijs sprongen een eind aan probeerden te maken.

Regen als spelbreker
De kunstijsbaan had de pech dat Nederland in de tweede helft van de jaren dertig uitsluitend zachte en regenachtige winters kende – dat probleem dateert dus niet van de klimaatverandering. De buitenlandse adviseurs hadden geen rekening gehouden met zulke kwakkelwinters. Hoewel de capaciteit van de ijsmachines na een jaar met twintig procent werd verhoogd, was dat nog steeds niet genoeg om het ijs permanent hard te houden. Het onoverdekte karakter van de baan bleek fataal. Al tijdens het eerste seizoen ontstonden plannen om de baan te overkappen met een wegschuifbaar dak, maar de investeringen waren kennelijk te hoog gegrepen. Wel bracht men een provisorische overkapping aan over een deel van de tribunes, want ook de toeschouwers hadden het in de stromende regen vaak zwaar te verduren.
In 1938 kon een faillissement worden afgewend doordat de technische installatie werd overgenomen door de Amsterdamsche Ballast Mij onder directie van Charles de Vilder, die ook eigenaar was van de Apollo-sporthal aan de Stadionweg. Deze firma wilde binnen enkele jaren een ijspaleis aan het Scheldeplein of naast het Olympisch Stadion realiseren. De Vilder bedong in ruil voor het overnemen van de machines dat de baan aan de Linnaeusstraat tot die tijd open zou blijven, om zo de continuïteit van vooral de ijshockeysport niet in gevaar te brengen. Ook dit ijspaleis bleek echter weer een doodgeboren kindje.
Voorjaar 1940 kwam een definitief einde aan het inmiddels kwakkelende bestaan van de Sportfondsen Kunstijsbaan. De machines werden overgebracht naar de Apollohal die werd omgetoverd in een overdekte ijsbaan. Maar eind jaren veertig moest ook de exploitatie van deze baan vanwege tegenvallende financiële resultaten worden gestaakt. Pas met de opening van de Jaap Edenbaan in 1961, de derde 400-meterkunstijsbaan ter wereld, bevond Amsterdam zich weer in de voorste regionen van het rijden op kunstijs.