Nummer 10: Oktober 2008



Amsterdam twee eeuwen ouder
Baanbrekend proefschrift over ontginningsgeschiedenis
Tekst: Peter-Paul de Baar

102008_Amsterdam_ontstaanOver de vroegste geschiedenis van de Amsterdamse omgeving is veel onzin geschreven, vindt historisch-geograaf Chris de Bont. Hij promoveert op 28 oktober op een proefschrift over de ontginning van het veengebied tussen de duinen en het Gooi. Veel historici ontbreekt het aan kennis van wat veen is en hoe een veenlandschap verandert als je erin gaat graven. De Bont weet dat wél en komt vanuit die optiek tot nieuwe inzichten over de oudste bewoning van Amsterdam.

In februari vorig jaar presenteerde taalhistoricus en amateur-archeoloog prof. Piet van Reenen in dit blad een gedurfde nieuwe visie op het ontstaan van Amsterdam. Volgens hem was de Amstel deels gegraven en had het IJ eeuwenlang nauwelijks bestaan. De Linnaeusstraat bestempelde Van Reenen tot de oudste weg van Amsterdam.
In juni 2007 publiceerden wij reacties van een reeks deskundigen: historici, historisch-geografen en archeologen. Zij wezen er fijntjes op dat veel van wat Van Reenen beweerde, niet echt nieuw was – al was daar in de overzichtswerken nog weinig van doorgedrongen. Zo opperde de bodemkundige prof. Leen Pons al in 1973 het idee dat de Amstel deels gegraven was. Hij had echter weinig bewijs. Ook over het tijdelijk dichtgroeien van het IJ was al veel eerder gespeculeerd. Van Reenen erkende volmondig dat hij niet alles zelf had bedacht, maar wel allerlei elementen tot een samenvattend verhaal had willen samenbrengen.

Vergeten bewoners
Eén door ons benaderde expert hield intussen zijn kruit droog. Dat was drs. Chris de Bont. Aan Wageningen Universiteit bleek hij bezig aan een promotieonderzoek over de ontginningsgeschiedenis van het gebied tussen de duinen en het Gooi. Inmiddels is die dissertatie klaar: Vergeten land. Ontginning, bewoning en waterbeheer in de westnederlandse veengebieden (800-1350). En nú wil hij zijn verhaal wel kwijt. De Canon van Amsterdam kan meteen al herschreven worden, want al in het eerste venster haalt men van alles door elkaar, knort De Bont.
Wat is het gangbare beeld van het ontstaan van Amsterdam? “De geschiedenis van Amsterdam begint kort na 1200,” meldt de internet-encyclopedie Wikipedia. “Toen werd dit moerassige gebied, Aemestelle genoemd, vanuit de Utrechtse regio stukje bij beetje ontgonnen. Langs de monding van de Amstel, bij het IJ, werden dijken gebouwd.” En de Canon heeft het dan over “een gehucht van vissers en boeren” dat hier ontstond.
Nou, zo ging het dus niet precies, constateert De Bont (zelf opgegroeid langs die Amstel, tegenover het oude Gemeentearchief) op het terras van een Amsterdams café dicht bij de dam waaraan de stad zijn naam ontleende. “Dat er rond 1200 dijken kwamen langs de Amstel, dát klopt, maar wat weinigen beseffen is dat dit pas het allerlaatste stadium was van de veenontginning. De eerste fase begon al minstens twee eeuwen eerder. Toen al kwamen de eerste ontginners het veen in, op zoek naar een nieuw bestaan, waarschijnlijk omdat er in hun oude gebieden (de duinen en het Gooi) om bruikbare grond gevochten moest worden. Op dat moment begon dus de bewoningsgeschiedenis van wat later Amsterdam werd, want het waren geen dagloners die na een dagje scheppen ’s avonds weer teruggingen naar het Gooi. Een tweede hardnekkig misverstand is dat ze pas konden gaan ontginnen nadat ze door dijken beschermd waren. En ten derde kwamen die eerste Amsterdammers (boeren, vissers én ambachtslieden) er niet allemaal tegelijk te wonen.” Hoe hij precies tot die conclusies is gekomen, doet De Bont graag uit de doeken.

Grote sponzen
Geschiedschrijvers van deze oudste tijden (zeg maar tot 1300) hebben een groot probleem, vergoelijkt De Bont. Er zijn nauwelijks relevante schriftelijke bronnen en al helemaal geen kaarten. De oudste zijn van omstreeks 1500. Alleen via omwegen kun je dus achterhalen wat er gebeurd is. Historici kijken vooral naar documenten, archeologen naar vindbare resten en geologen naar bodemsporen, maar al die benaderingen hebben hun grenzen. Historisch-geografen kijken graag over die vakgrenzen heen. En bovendien: “Ik kijk allereerst naar wat er landschappelijk mógelijk was,” aldus De Bont. Het lijkt een open deur, maar je zal de historici maar de kost moeten geven die dingen beweren die fysisch-geografisch helemaal niet kunnen.
Je moet allereerst terdege weten hoe veen reageert, legt De Bont uit. Veen ontstaat uit resten van dode planten die zo weinig met zuurstof in aanraking komen dat ze niet snel verteren. Dat gebeurt vooral in vrij natte gebieden. Die plantenresten stapelen zich dan op tot zompige massa’s die voor het grootste deel uit water bestaan. Om daar stevige grond van te maken moet dat water eruit. Dat gebeurt door er sloten in te graven, vanuit een al bestaande, lager gelegen waterloop, waarheen het water uit de veenmassa kan wegstromen. Dat is de eerste ontginningsfase (zie tekening).
Tussen de sloten ontstaan droge kavels, waarop akkers worden aangelegd, met simpele boerderijtjes. Maar door inklinking daalt vervolgens het bodemniveau, zodat die grond door het grondwater weer natter wordt en daarmee ongeschikt voor akkerbouw. De akkers verhuizen dan landinwaarts; een achterdijk beschermt ze tegen het water vanuit het hogere veen. Het vroegere akkerland wordt nu weiland. En die verhuizing landinwaarts herhaalt zich vaak nog eens. Maar dan is het niveau van het gewonnen land het dichtst bij de rivier intussen al zó ver gezakt, dat het bijna of helemaal onder het niveau van het rivierwater dreigt te komen. Dus wordt er dan een dijk langs de oever aangelegd. Precies zoals kort na 1200 langs de Amstel gebeurde. Dat is dus de derde ontginningsfase, niet het begin, zoals vaak wordt verondersteld.

Verdronken hoogveen
Nu is het ene veen het andere niet. Generaties kinderen leerden dat je in West-Nederland laagveen hebt en in het oostelijke deel van ons land hoogveen. Helemaal onzinnig zijn die termen niet, maar ze slaan alleen op de huidige ligging van die venen. Laagveen is veen dat in contact staat met grondwater en daaruit het ‘voedsel’ haalt voor de begroeiing: vooral riet en elzen. Hoogveen is zó hoog opgegroeid, dat het alleen nog door zuur regenwater wordt gevoed. Daarop kan weinig anders groeien dan veenmos.
Lang dacht men dat laagveen ook in contact met het grondwater is ontstaan, terwijl hoogveen dan uit landplanten zou zijn gegroeid. Inmiddels weet men beter. Veel West-Nederlands laagveen is oorspronkelijk bóven de zeespiegel gevormd en is pas later door bodemdaling onder water geraakt. Je kunt spreken van ‘verdronken hoogveen’. Bodemkundigen onderscheiden veensoorten nu liever naar voedselrijkheid. Zo is het West-Nederlandse laagveen van de Middeleeuwen vooral als voedselarm veen te typeren. Gevoed door regenwater, kan dit veen uitdijen tot grote sponzen die meters boven hun omgeving uitgroeien. Naar de vorm van die hoogten (rond of langgerekt) spreekt men van ‘veenkoepels’ of ‘veenruggen’. Daarbovenop verzamelt het water uit de sponzige massa zich hier en daar in kleine poelen: de ‘meerstallen’. Als die bij veel regen overstromen, kronkelt het water naar beneden en vormt veenriviertjes.

Verkaveling
Van dat natuurlijke afwateringssysteem maakten de eerste ontginners dankbaar gebruik. Vanuit een bestaande waterloop groeven ze sloten het veenland in, liefst in de richting van een helling – want water stroomt graag omláág.
Verschillende veentypen vroegen natuurlijk om een eigen aanpak. In vlakke veengebieden kon volgens een zeer regelmatig patroon worden ‘verkaveld’. De ideale maat daarvoor werd zelfs van bovenaf vastgelegd: de ‘cope’ (wat eigenlijk koopcontract betekent). In de jaren vijftig ontdekte rechtshistoricus Hendrik van der Linden dit systeem in middeleeuwse bronnen. Het ging uit van keurig rechthoekige kavels van 115 meter breed en 1250 of het dubbele (2500 meter) lang. Aan die standaardmaten lag de ervaring van generaties ontginners ten grondslag. Zij wisten hoe lang een sloot minimaal moest zijn om voldoende water te kunnen opvangen bij hevige regenval.
Maar die klassieke cope-maten waren afgestemd op de omstandigheden van een tamelijk vlak veenlandschap. Op veenruggen hoefden de sloten minder lang te zijn om het water goed te kunnen afvoeren. Ook hoefden ze niet zo dicht naast elkaar te liggen: hier hielp het hoogteverschil al een handje. Dat gold ook voor de ronde veenkoepels, maar daar lag bovendien een taartpuntvormig karakter van de kavels meer voor de hand.
Historici hebben die vormafwijkingen weleens geweten aan gebrek aan discipline. De mediëvist prof. Cornelis Dekker schreef dat de bisschop van Utrecht er in de 11de eeuw kennelijk meer de wind onder had dan de graaf van Holland, want in het Utrechtse gebied werden de cope-maten veel strakker aangehouden dan in de westelijker venen. De Bont verklaart dat verschil nuchter uit het feit dat men in de Hollandse regio voornamelijk te maken had met reliëfrijk veenlandschap – een mooi voorbeeld van zijn nieuwe benadering.

Afgepelde kaart
“Ik wilde vooral achterhalen hoe die oudste ontginningen nu precies waren verlopen,” zegt Chris de Bont. “In welke richting gingen ze graven en waarom? En wat gebeurde er nadat ze er eenmaal zaten? Hoe losten ze het probleem op dat door oxidatie (de inwerking van zuurstof) en door inklinking (het droger en dunner worden van het veen) de ontgonnen grond snel daalde? Waren ze daar eigenlijk wel op bedacht, hadden ze een remedie paraat? Ik probeerde in de hoofden van die ontginners te kruipen.”
Daarvoor moest De Bont allereerst weten wat zij aantroffen. Zijn ongekend gedetailleerde reconstructie van het landschap rond 800 is misschien wel de allergrootste verrassing van dit proefschrift. Zoals gezegd: geschreven bronnen over het toenmalige landschap zijn er niet en kaarten evenmin. Nadat De Bont had bestudeerd welke verkavelingspatronen te verwachten waren in voedselrijk of voedselarm veen, probeerde hij die vormen in het landschap te herkennen. Daarbij keek hij natuurlijk eerst naar de oudste kaarten van rond 1500, maar die bleken wel erg globaal en meetkundig onbetrouwbaar.
Daarom gebruikte hij vooral de oudste serie wél supernauwkeurige kaarten: de militaire topografische kaarten van omstreeks 1850. Daarop is elk slootje te zien, uit een periode waarin Nederland nog spaarzaam was bebouwd. Heel veel landschapssporen op die 19de-eeuwse kaarten gaan dan ook terug tot de tijd van de eerste middeleeuwse ontginningen, maar je moet ze wel kunnen herkennen. Vanaf de middeleeuwse verkaveling tot het moment waarop men die 19de-eeuwse kaarten maakte, zijn er nogal wat elementen bijgekomen: molenweteringen, dijken, wegen, inpolderingen, noem maar op. Met behulp van zijn kennis van die latere patronen en de modernste digitale cartografische technieken heeft De Bont die 19de-eeuwse topografische kaart systematisch ‘afgepeld’ tot hij alleen de alleroudste elementen over had.
Dat was vooral een patroon van riviertjes en sloten. Hoogteverschillen waren op die ‘afgepelde kaart’ niet expliciet te zien, want rond 1850 waren die allang verdwenen. Maar ze lieten zich wel afleiden uit de richting van de sloten. Ten slotte vergeleek De Bont zijn hypothesen ter controle met de oudste vage kaarten, oorkonden, archeologische vondsten en plaatsnaamkundige veronderstellingen.

Dichtgegroeid IJ
Hoe zag volgens De Bont dat landschap van omstreeks 800, niet lang voor de allereerste ontginningen, eruit? Wel heel anders dan nu, dat staat vast. Voor de AT5-serie naar aanleiding van de Canon van Amsterdam sopte presentator Herman Beliën in september enthousiast met imposante laarzen door het Breukelerveen: je kon hóren hoe zompig het was. Maar destijds zag een belangrijk deel van het landschap rond Amsterdam er volgens De Bont heel anders uit. “De gebieden met het voedselarme veen, waar het met regenwater doordrenkte veen steeds meer opbolde, kenden behoorlijke hoogteverschillen – tot zo’n vier meter. In Nederland heb je nu geen vergelijkbaar landschap meer.”
Heel bepalend was onmiskenbaar de ‘Grote Hollandse Waterkering’: een lange, hoge veenrug die vanuit Zuid-Holland – langs het tracé van de huidige Schinkel en Kostverlorenvaart en via het Twiske – doorliep tot in de kop van Noord-Holland. Het bestaan van die waterkering is voor De Bont een belangrijk argument om, net als enkele voorgangers, te veronderstellen dat het IJ in de periode 800-1000 tijdelijk niet bestond – althans niet bij het huidige centrum van Amsterdam. In de prehistorie en in de Romeinse tijd had er een breed Oer-IJ gestroomd vanuit het toenmalige Flevomeer (nu IJsselmeer) naar de Noordzee bij Castricum. Maar in de vroege Middeleeuwen was het IJ door zandbankvorming afgesloten geraakt van de Noordzee. Als gevolg van rietbegroeiing was het vervolgens sterk versmald en bij het latere Amsterdam was het zelfs helemaal met veen dichtgegroeid.
De Bont sluit niet uit dat het IJ oostwaarts toch enigszins in verbinding bleef met het oude Flevomeer, dat inmiddels het Almere heette. “In ieder geval bleef de bedding van het Oer-IJ altijd een vrij laag landschapselement, dat zich vanaf ongeveer 1000 door veendaling en na 1100 ook door stormvloeden weer met water vulde en opnieuw heel breed werd.”

Andere plek Sloten
Toen hij had vastgesteld waar het veenlandschap oorspronkelijk hoog of laag was, kon De Bont ook bedenken welke kant riviertjes op hadden gestroomd en in welke richting afwateringssloten waren gegraven. Het leidde tot talloze conclusies waarvan we er hier maar een paar kunnen noemen.
Bijvoorbeeld over de allereerste plek van het dorp Sloten. Dat dorp werd al kort na 1000 vermeld, maar afgaand op opgravingen is het huidige Oud-Sloten niet ouder dan 1200. Waar lag dat oudste Sloten dan wel? Op een kaart van ongeveer 1600 staat ten noorden van het huidige dorp, aan de zuidrand van het voormalige Slotermeer (nu Sloterplas), de naam “Out-Kerkhoff”. Waar een kerkhof was, moet een kerk dus een dorp geweest zijn, speculeerde stadsarcheoloog Jan Baart in Ons Amsterdam (januari 1992). Maar opgravingen daar leverden niets op. Geen wonder, schrijft nu De Bont. Juist op die plek lag rond 1000 een kleine veenrug. Ontginners groeven nooit omlaag, dus hier kan hun uitvalsbasis niet gelegen hebben. Volgens De Bont lag het oudste Sloten dus ten zuiden van het huidige dorp, waarschijnlijk in wat nu Badhoevedorp is.
Ook met Van Reenens stelling dat de huidige Linnaeusstraat dateert uit de tijd van de eerste ontginningen, veegt De Bont de vloer aan. Hij laat zien dat deze weg niet past in het oorspronkelijke slotenpatroon en dus van later datum moet zijn. Daarmee staat meteen Van Reenens theorie over ontginningsrichtingen op losse schroeven, want dat was juist op het wegenpatroon gebaseerd.

Gegraven Amstel
En dan de Amstel. Van Reenens stelling dat een deel daarvan – tussen de huidige Berlagebrug en Blauwbrug – gegraven was, verraste vorig jaar het grote publiek en zelfs heel wat historici. Maar níet de in dit gebied geïnteresseerde historisch-geografen. Die hadden sinds het eerder genoemde artikel van professor Pons al wel een vermoeden. Onduidelijk bleef intussen hoe dan de oorspronkelijke twee delen van de Amstel gelopen hadden. En waaróm groef men deze verbinding?
De Bont neemt aan dat het noordelijke stuk van de latere Amstel (nu Rokin en Damrak) ontsprong ter hoogte van de huidige Blauwbrug bij het Waterlooplein. In noordoostelijke richting vloeide dit water via de route van het huidige Buiten-IJ naar het toenmalige Almere (nu IJsselmeer). Dat die ‘noorder-Amstel’ dwars door het dichte IJ heen aansloot op de Waterlandse Die – zoals Pons en Van Reenen dachten – en pas bij Uitdam in het Almere uitmondde, gelooft De Bont voorlopig niet: dat zou wel een erg lange afwateringsroute zijn. Het tweede stuk, de Amstel ten zuiden van de Omval, begon in de voorloper van het Watergraafsmeer en stroomde – anders dan nu – zuidwaarts, om uiteindelijk uit te monden in zowel de Rijn als het Almere (via de Vecht).
Waarom verbonden de ontginners die twee oer-Amstels? Volgens De Bont was tegen 1200 de Oude Rijn dichtgeslibd en was het maaiveld van de ontgonnen venen overal al ver gedaald, waardoor de zuidelijke afwatering van Amstelland haperde. Men besloot het water zoveel mogelijk noordwaarts af te voeren, naar het IJ. Dáárom werd de zuidelijke Amstelstroom vanaf de Omval verbonden met het huidige Rokin en Damrak. Uit subtiele knikken in dat schijnbaar rechte ‘kanaal’ leidt De Bont af dat dit stuk in drie etappes is gegraven: eerst een stuk vanaf de Omval noordwaarts, toen een stuk zuidwaarts vanaf de huidige Stopera en ten slotte een verbindingsstuk, ter hoogte van het voormalige Gemeentearchief.
Een datering van deze graverij is lastig, maar De Bont gokt op ergens tussen 1200 en 1250. De dam in de Amstel zal zijn aangelegd nadat de beide Amsteldelen tot één krachtige stroom verbonden waren, pakweg tussen 1225 en 1250.
En misschien wel het meest interessant is De Bonts reconstructie van de bewoningsgeschiedenis van het oudste Amsterdam – het begin van dit artikel. Om te kunnen gaan ontginnen hoefden de kolonisten heus niet te wachten op bedijking van de Amstel, vat de promovendus samen. Toen lag de rivier immers nog lager dan het omringende landschap en was er dus nauwelijks overstromingsgevaar. De Bonts fascinerende conclusie luidt dat de bewoning van Amsterdam bij de Nieuwendijk eigenlijk twéé keer begonnen is. De eerste keer ergens in de 11de eeuw door ontginnende boeren, die noodgedwongen steeds verder landinwaarts verhuisden. En de tweede keer – nadat rond 1200 een dijk was aangelegd – door vissers en handwerkslieden. Maar dus niet door boeren en vissers tegelijk.
In organisatorische zin werd natuurlijk pas die tweede vestiging de basis voor de gemeenschap die zich Amsterdam ging noemen. Maar dat is nog geen reden om die eerste agrarische Amsterdammers te vergeten, al lieten ze niet meer sporen na dan wellicht een beetje haardas in het veen.