Nummer 1: Januari 2008

Een vrolijke slenteraar met een scherpe blik

Christiaan Andriessen tekende zijn dagelijks leven, 1805-1808

Tekst: Peter-Paul de Baar


012008_AndriessenVan 1805 tot 1808 legde de jonge Amsterdamse kunstenaar Christiaan Andriessen zijn dagelijks leven vast in ruim 700 tekeningen met onderschriften: samen een uniek visueel dagboek, dat ons veel leert over de kleine details van het Amsterdamse sociale leven in de ‘Franse Tijd’. Dit najaar worden ze geëxposeerd. Als voorproef presenteren wij u in de hele jaargang maandelijks één fraaie dagboektekening waarover het een en ander te vertellen valt. Maar nu eerst: wie was die Andriessen?
“Eigenlijk zou dit dagboek op de Werelderfgoedlijst moeten staan., zegt kunsthistorica Annemieke Hoogenboom. zó uniek is het, voor die periode!” Al nuanceert ze dat meteen weer een beetje: vlak vóór Andriessen maakte ook de Amsterdamse koopman Jacob de Vos een getekend dagboek, waarin hij vooral het dagelijks plezier van zijn jonge kinderen liet zien. Ook heel prachtig, maar Andriessen, een gezelligheid zoekende jongeman, liet veel méér zien dan het leven binnenshuis. “Ach, we zetten ze gewoon sámen op die lijst.”
Hoogenboom is inmiddels druk bezig met de voorbereiding van een tentoonstelling van Andriessens dagboek, dit najaar in het Amsterdamse Stadsarchief, ter ere van het 150-jarig bestaan van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap. Na het Stadsarchief is het KOG de instelling die de meeste tekeningen van Andriessen in haar collectie heeft.
Andriessen is voor Hoogenboom geen ombekende. Al in 1997 publiceerde zij een artikel over hem in het maandblad Amstelodamum. Dat was een zijspoor van haar Utrechtse promotie-onderzoek naar de sociale status van kunstenaars in het begin van de 19de eeuw. Naar buiten toe begonnen die zich in die periode graag als een soort armoedzaaiers te presenteren: bevlogen aan het werk op een tochtige zolderkamer. Maar dat was meer romantiek dan werkelijkheid, ontdekte Hoogenboom. Kunstenaars werden juist zeer gewaardeerd en verdienden doorgaans een goede boterham. Zij het natuurlijk niet zo royaal belegd als die van de bankiers, dokters en rechters van wie zij de portretten schilderden of de woonkamer decoreerden. Juist daarom straalden de kunstenaars graag uit dat hun belang niet moest worden afgemeten aan hun materiële bezit. Zij leefden niet voor geld, maar voor de Kunst!
Dat gold ook voor de familie Andriessen. Vader Jurriaan had de pech dat zijn specialisme – behangselschilderijen – juist rond 1800 uit de mode begon te raken. Enige neergang in zijn inkomsten ondervond hij dus wel, en naar zijn eigen smaak meer dan genoeg om in 1806 koning Lodewijk Napoleon te verzoeken om financiële ondersteuning. Een antwoord kwam er nooit, misschien ook wel omdat de koning betwijfelde of de nood echt wel zo hoog was, De familie woonde sinds 1805 in een groot huis aan de Amstel (nummer 95, tegenover de Prinsengracht), met een paar inwonende dienstmeisjes. Toch net iets deftiger dan de bedelaars die veelvuldig het huis passeerden – en ook door Chrstiaan getekend werden.
Vader of zoon?
Lange tijd werd het dagboek toegeschreven aan Jurriaan Andriessen (1742-1819), Christiaans vader. Die was bij leven als kunstenaar ook veel bekender dan zijn zoon. Dat misverstand is vooral bewerkstelligd door de particuliere verzamelaar Roelof Veldhuizen, die de tekeningen in februari 1903 liet veilen. Hij had overal achterop in sierlijke letters, lijkend op Jurriaans eigen signatuur, “J. Andriessen’ gepend – ofwel uit onwetendheid, ofwel omdat hij besefte dat Jurriaan het op de veiling beter ‘deed’ dan diens vrij onbekende zoon. Sindsdien nam iedereen voetstoots aan dat Jurriaan de maker was. Totdat de grootste speurster van het Gemeentearchief, ‘Mej.’ (zoals zij zich levenslang koppig bleef noemen) I.H. van Eeghen, in 1963 onraad rook. De ‘ik-figuur’ beeldde zichzelf steeds wel behoorlijk jeugdig en vitaal af en was steeds op pad en naar feestjes, terwijl toch vaststond dat Jurriaan in 1799 een beroerte had gehad en zich in datzelfde jaar had geportretteerd als een wat zwaarlijvige heer op leeftijd. Helemaal zeker wist ze het toen zij een dagboektekening zag van 4 juli 1806, met daaronder in geheimschrift de tekst: “Mijn vaders verjaardag, oud vier en zestig jaar”. In de archieven was na te gaan dat Jurriaan Andriessen inderdaad op die datum 64 werd. Hij was dus niet de staande jongeman op de voorgrond, maar het oude heertje aan tafel! En de ik-figuur was dus zoon Christiaan! Dat maakte ook een reeks van andere afbeeldingen ineens veel begrijpelijker. Isa van Eeghen wijdde aan haar vondsten een hele serie in Amstelodamum en in 1983 wijdde zij er een heel boek aan: ‘In mijn journaal gezet.’ Amsterdam 1805-1808. Het getekende dagboek van Christiaan Andriessen.
Oog voor vrouwen
Christiaan Andriessen werd op 14 januari 1775 geboren als derde kind van Jurriaan Andriessen en Aletta Noordsieck. Zijn oudere broer stierf al na vijf jaar. Chris groeide op met zijn oudere zus Naatje en de jongste, Doortje. De laatste trouwde in 1797 met acteur en boekverkoper Coen van Hulst; ze kregen een dochter Cornelia Aletta alias Keletje. Dit kleine nichtje van Christiaan figureert veelvuldig in het dagboek. Zelf trouwde Christiaan nooit, al had hij blijkens zijn dagboek bepaald een open oog voor het vrouwelijk schoon.
Christiaan kreeg teken- en schilderlessen van zijn vader en later werkten vader en zoon regelmatig samen aan grote decoratieklussen. Een groot kunstschilder is Chris zelf nooit gewonnen. Hij won wel een paar prijzen die het genootschap Felix Meritis uitschreef voor leden onderling, maar afgaand op de enige reproductie daarvan waren dat stijve genrestukken. Vrijwel niets van zijn overige werk bleef bewaard. Zijn brood verdiende Chris vooral met tekenlessen: aan de jonge zonen maar vooral dochters van rijke families op de Heren- en Keizersgracht, maar ook, een paar jaar lang aan de leerlingen van een meisjesweeshuis in Weesp. Intussen hield hij tijd genoeg over voor huiselijke gezelligheid, bezoek aan tentoonstellingen, aan voordrachten en concerten in Felix Meritis op de Keizersgracht, aan de koffiehuizen in de Kalverstraat en de Nes (waar de wereldpolitiek werd doorgenomen) , aan allerhande feestjes bij kennissen thuis, aan de jaarlijkse kermis op de Botermarkt en af en toe aan een bijzonder spektakel , zoals (in 1805) de ‘tepronkstelling’ van een bigamist op een schavot voor het stadhuis op de Dam: om zijn nek droeg hij een bord met de tekst “Twee wyven”. Maar gewoon slenteren over de grachten deed Chris Andriessen ook graag, krijgen we de indruk.
Fotografische blik
Dat alles en nog veel meer vond zijn weerslag in het getekende dagboek. Waarom begon hij er aan? En waarom hield hij er naar vier jaar weer mee op? Het blijft duister. Maar Annemieke Hoogenboom vermoedt dat hij zijn dagelijkse tekeningen vooral maakte voor het vermaak van zijn familie en vrienden. Die zien zichzelf en hun al dan niet geliefde kennissen er steeds weer op terug, in soms mallotige situaties en met vaak grappige dialoogjes, uit het leven gegrepen. Er zijn ook prenten waarop we Andriessen met intimi ginnegappend over een dagboektekening gebogen zien staan.
Zo stijf als hij schilderde, zo losjes en levendig tekende Andriessen – waarschijnlijk juist (denkt Hoogenboom) omdat hij in dit tekenwerk geen rekening hoefde te houden met de smaak van de gevestigde kunstliefhebbers. Met de exacte weergave van de anatomie en het perspectief nam hij vaak een loopje, maar juist daardoor bereikt hij bewust of onbewust mooie effecten.
Er zit veel beweging in zijn tekeningen; en in de houding van zijn figuren komt hun stemming vaak mooi tot uiting. Het lijken wel ‘snapshots’, constateert Hoogenboom. “En in die zin kan je Andriessen wel een wegbereider van de fotografie noemen. Dat was niet alleen een combinatie van technische vindingen, maar ook een nieuwe manier van kijken.” Andriessen heeft zichtbaar plezier in het zoeken van originele kijkrichtingen, de weergave van licht en donker en van weersverschijnselen als een avondlijke sneeuwstorm, typerende bewegingen, ochtendmist of het schijnsel van een lentezonnetje op het jonge groen van bomen. Ook zijn teksten getuigen van een grote opmerkingsgave. Onder een tekening van twee bij een kraam hoeden passende meisjes noteert hij: “O jasses, nee, denk jou dat die me beter staat, Bet?”. En bij de begrafenis van een achterneefje tekent Andriessen heel typerend een scène ‘in de coulissen’- drie aansprekers die elkaar in de jas hijsen: “Help mij nu ook eens... Ja, maar waar moet die mantel ingehaakt worden?”
In Christiaan Andriessen is waarschijnlijk een groot journalist verloren gegaan. Maar zijn dagboek maakt veel goed.