Nummer 1: Januari 2008

Het Amsterdam van Jan Wolkers
Tekst: Elsbeth Etty
012008_WolkersHoe is het mogelijk dat een ingedommelde stad onder de handen van Jan Wolkers verandert in een wakker walhalla? Literatuurkenner Elsbeth Etty herlas Turks fruit en beschouwt het Amsterdam van Jan Wolkers.
“En omdat ze er helemaal niet van ophoorde dat ik kunstenaar was vertelde ik wat voorvallen zo uit het Amsterdamse bohemienleven gegrepen. Niet te erg natuurlijk”. Aan het woord is de ik-figuur uit Jan Wolkers’ beroemdste roman Turks Fruit (1969) Hij is zojuist, liftend in de buurt van Roermond, opgepikt door Olga , een “mooie meid in zo’n grote Amerikaan”. De jonge lifter vertoont grote gelijkenis met Jan Wolkers, die van 1949 tot 1953 in de hoofdstad zijn opleiding volgde. “Ik studeerde beeldhouwkunst in Amsterdam. Op de Rijksacademie.”
Op meisjes als Olga, afkomstig uit Alkmaar, moet Amsterdam, zeker in combinatie met dat ‘bohemienleven’ een magnetische aantrekkingskracht hebben uitgeoefend. Kwijnend in ‘de provincie’ las ik Turks Fruit direct nadat het was verschenen, net 18 jaar oud en brandend van verlangen om voorgoed naar dat magische Amsterdam te vertrekken.
Opgegroeid in dezelfde dreven als Jan Wolkers had ik zijn verhalen en romans nooit geassocieerd met die bruisende stad tussen Amstel en IJ, het paradijs van de vrije seks, de popmuziek, het wilde losbandige leven. Oegstgeest, Leiden, de dorpse benepenheid waar zijn romanhelden aan wisten te ontsnappen door hun eigen fantasieën uit te leven: dát leverde herkenning op. Maar Turks Fruit, was andere koek, daarin werd een bestaan geschetst dat voor je open lag als je bereid was te breken met de bekrompenheid van het milieu en de plaats waar je toevallig was grootgebracht.
Hommage aan Amsterdam
Turks Fruit heb ik, toen ik de polders rond Leiden allang verruild had voor Amsterdam, nog verscheidene malen herlezen. De roman kreeg steeds een andere betekenis voor me, maar wat bleef was het gevoel dat het behalve een liefdesverklaring aan Olga, óók een hommage was aan Amsterdam, de vrijzinnige stad waar je als bohémien kon leven. Natuurlijk werd dat beeld versterkt door de film die Paul Verhoeven in 1973 – midden in de hippietijd - naar het boek maakte. Pas nu, na de dood van de schrijver en na herlezing van zijn Dagboek 1969 uit de periode waarin hij aan Turks Fruit werkte, kom ik erachter dat Amsterdam slechts een marginale rol in deze roman speelt.
Bovendien: het Amsterdam dat hij erin beschrijft is niet de stad waar de provo-revolutie en het bouwvakkersoproer hadden gewoed, de Maagdenhuisbezetting had plaatsgehad, niet de vrijplaats waar je zonder problemen aan hasj kon komen, waar popconcerten en massale Vietnam-demonstraties waren. Turks Fruit speelt in het suffe naoorlogse Amsterdam waar hard gewerkt werd aan de wederopbouw en alleen enkele kunstenaars en intellectuelen zich een ‘bohemienbestaan’ konden veroorloven.
Hoe de ik-figuur tegen Amsterdam als ingeslapen en wansmakelijk sociaal-democratisch oord aankijkt blijkt wel uit het hoofdstuk ‘Marxistische tuinkabouters’, waarin hij – zonder diens naam te noemen - afrekent met de stadsbeeldhouwer Hildo Krop. “Het viel niet mee om als beeldhouwer te beginnen in een stad die door een vorige generatie vol gepoot was met van die marxistische tuinkabouters. Overal zag je ze. Op bruggen. Tegen de gevels. Aan pisbakken. In zandsteen, in kalksteen of in graniet. Van die kleine mannetjes. Dwergjes met kale koppies en meestal ontbloot bovenlijf. Arbeiders moesten ze voorstellen in een staat waar de arbeid adelt. Maar een collega van me zei eens fluisterend: “Dat is geen menselijk socialisme. Dat is het socialisme voor de apen.” Nou ja, voorlopig had ik niets met die toegepaste Neandertalertjes te maken.”
Zinderend liefdesnest
Als de ik-figuur in Turks Fruit vertelt dat hij studeert aan de Rijksacademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam mogen we concluderen dat het begin jaren vijftig is. Vanaf 1950 woonde Jan Wolkers aanvankelijk met zijn eerste vrouw Maria de Roo en van 1957 tot 1960 met zijn tweede echtgenote Annemarie Nauta in de Zomerdijkstraat 22. Er is al veel geschreven over deze in de stijl van Le Corbusier gebouwde atelierwoningen die met hun achterkant aan de Uiterwaardenstraat liggen. In Turks Fruit spelen zich wilde taferelen af op dit adres, waar de kunstenaar en zijn – deels naar Annemarie Nauta gemodelleerde – geliefde Olga uitzinnige seks hebben, op de grond naar steeds dezelfde jazz-platen luisteren, hun kat verzorgen en tussen de bedrijven werken aan beelden waarvoor Olga model staat. Ook Een roos van vlees, over het drama met het verbrande dochtertje van Jan Wolkers en Maria de Roo, speelt zich af in de atelierwoning aan de Zomerdijkstraat, maar in deze roman is de situering van dit huis nog vager dan in Turks Fruit.
Alleen ingewijden kunnen uit de roman opmaken waar dit van creativiteit zinderende liefdesnest zich precies bevindt. “In het atelier waarin ik toen zat had in de oorlog een verzetsstrijder gewoond die door de Duitsers gefusilleerd was. Ze hadden na de oorlog een bronzen plakette aan de gevel bevestigd waarop stond GEVALLEN VOOR HET VADERLAND. Ieder jaar werd er een bloemstuk onder gehangen aan een roestige spijker, die je de rest van het jaar leek uit te nodigen om je eraan op te hangen.” De tekst op de door Fred Carasso vervaardigde plaquette aan de gevel van Zomerdijkstraat 22 luidt in werkelijkheid: “Hier woonde leefde en werkte Gerrit Jan van der Veen; gefusilleerd 10 juni 1944 voor het vaderland.”
Al wat we verder te weten komen over de plek waar de hoofdpersoon en zijn Olga hun grote liefde beleven en waar de bedrogen echtgenoot later rouwend achterlijft, is dat het ergens in Amsterdam-Zuid moet zijn Als ze van nachtelijke jazzconcerten terug komen lopen ze door de Van Baerlestraat en spelen ze, in “de lange Churchillaan” het spelletje ‘Welke Auto Koop Ik Voor Je Als Ik Rijk Ben’.
Voor korte wandelingen lopen ze via het De Mirandabad naar ‘de Dijk’ langs de Amstel, waar de ‘ik’ Olga nog eens mee naar toe sleept als het allang uit is tussen hen. “Ik dwong haar gewoon om met me in het donker naar de Dijk te wandelen. Ik was er zelf ook in jaren niet meer geweest. Hij was al bijna helemaal geëgaliseerd met het opgespoten land erom heen. De hoge ligusterheggen waren verdwenen en er liepen diepe sporen van bulldozers door de aarde. Er brandde een vuur van oude koffers en kapotte crapauds en van alles wat er na verloop van tijd op landjes verzeild raakt. (…)En toen keken we naar die openstaande schermen van verlichte ramen en ik probeerde haar te wijzen waar alles geweest was maar ik wist het zelf ook niet meer.”
Schaatsen in de zomer
De armlastige kunstenaar in Turks Fruit neemt zijn geliefde niet alleen mee naar buiten omdat hij een natuurliefhebber is, maar vooral omdat de natuur, anders dan jazzconcerten en films “niets kost aan entree”. Hij wandelt met haar “naar plaatsen die later allemaal tegelijk met haar verdwenen zijn. Opgespoten met zand en volgebouwd met flats. De Zuidelijke Wandelweg met de oranje tennisbanen achter de hoge vlieren en vervallen loodsen en onduidelijke schuurtjes”. Een andere geliefde route is de Buitenveldertse wandelweg “door het lage drassige weiland met de heldere slootjes waarover je in gedachte ook in het hartje van de zomer gebogen donkere figuren vanuit de stad op de schaats zag uitzwermen”.
Het Amsterdam van Jan Wolkers bevindt zich in Turks Fruit vooral aan de periferie van de stad, op plekken waar landjes, slootjes en bomen zijn. Het Amsterdamse Bos, waar de geliefden tussen de dennenstammen in de hondsdraf liggen en waar Olga midden in de winter door een wesp wordt gestoken is een geliefd oord. Veel minder inspiratie ontleent de ik-figuur aan de meer gecultiveerde stadsnatuur. Slechts een enkele keer bevinden de personages zich in het Vondelpark, waar ze honing uit weigelia’s zuigen, en ook de dierentuin wordt maar schaars bezocht. En als ze dan eens op het terras van het restaurant van Artis plaatsnemen hebben ze alleen maar oog voor een zilvermeeuw die een mus in één hap naar binnen slikt.
De binnenstad bezoeken ze vooral om naar markten te gaan. zoals ‘de pluimveemarkt’ op het Amstelveld waar Olga duiven koopt. De tweede ontmoeting van de ik-figuur met Olga is op de Nieuwmarkt tijdens de kermis. Niet minder ingrijpend is zijn bezoek aan de Albert Cuyp-markt om groente te halen, maar waar hij bij de dierenwinkel voor Olga het katje koopt waarmee ze later voor hem poseert. Dat detail uit Turks Fruit is zeker autobiografisch: het gipsmodel voor het beeld ‘Vrouw met kat', waarvoor Nauta poseerde, is te zien op heel wat atelierfoto’s uit die jaren. Jammer genoeg staat het voltooide beeld niet in Amsterdam, maar in de stad Groningen waaraan het in 1960 door het Bouwfonds Nederlandse Gemeenten is geschonken.
Een ander moeder-met-kind beeld waarvoor Olga in Turks Fruit model staat, wordt in het bijzijn van hare majesteit de koningin geplaatst “voor een gebouw van het Rode Kruis”. Dit is het bronzen beeld in het park van het Centraal Laboratorium van de Bloedtransfusiedienst in Slotervaart. Later, als Olga al dood is, gaat de kunstenaar er nog eens naar kijken: “En het sloeg ineens door me heen dat ik met dit beeld haar angst gestalte had gegeven. Haar angst voor het moederschap. Dat het geen vrouw was die een kind optilde, maar van zich afstootte naar de aarde.” Twee jaar na Turks Fruit publiceerde Jan Wolkers zijn documentaire autobiografie Werkkleding, waarin behalve foto’s van en krantenknipsels over deze beelden ook enkele bijbehorende citaten uit Turks Fruit zijn opgenomen.
Gezapige jaren
Veel beschrijvingen van Amsterdam zijn in Turks Fruit niet te vinden. Af en toe worden er schoenen gekocht bij de Bata in de Kalverstraat, ze gaan naar nachtvoorstellingen van de filmliga in Kriterion en er is een ontmoeting in de Bijenkorf – daarmee houdt het wel zo’n beetje op. Weliswaar bezoeken ze alle jazzconcerten “ook al moesten we er soms een week lang geen vlees voor eten”, maar nergens blijkt uit waar die concerten werden gehouden werden en wie ze daar ontmoetten. Als je Turks Fruit goed leest gaat het over een saaie ingedommelde stad waar geen donder te beleven valt.
Maar hoe is het dan toch mogelijk dat die gezapige jaren vijftig-stad onder de handen van Jan Wolkers verandert in het hippieparadijs en politiek geëngageerde walhalla dat velen er in 1969 in meenden te ontwaren?
Het antwoord op die vraag is te vinden in Dagboek 1969 over het jaar waarin Wolkers Turks Fruit schreef. Hij woonde toen al enkele jaren in het atelier aan de Zomerdijkstraat met zijn nieuwe geliefde Karina Gnirrep, dochter van oud-Februaristaker en prominent communist Piet Gnirrep. Met haar leidde hij een leven zoals zijn alter ego in Turks Fruit zich nooit met zijn provinciale Olga had kunnen permitteren. In het dagboek worden de nachtfilms in Kriterion, maar ook de voorstellingen in Cinetol, de Uitkijk, en het Leidsepleintheater in geuren en kleuren beschreven. Op het Spui heeft Athenaeum Nieuwscentrum zijn deuren geopend. De concerten van huisvriend Willem Breuker die ze bezoeken, vinden plaats in Carré en Paradiso. Wolkers neemt deel aan de studentenprotesten samen met Ton Regtien en Paul Verheij. Hij geeft grote sommen geld aan het communistische dagblad De Waarheid, houdt een lezing voor de communistische jongerenorganisatie ANJV, schildert verkiezingsborden voor de CPN en windt zich op over een aanval op Marcus Bakker in Vrij Nederland.
Kortom, in het jaar dat Jan Wolkers Turks Fruit schreef, het jaar van de Maagdenhuisbezetting en de opera Reconstructie had Amsterdam een grondige gedaanteverandering ondergaan en was Jan Wolkers van een a-politieke beeldhouwer veranderd in een geëngageerde schrijvende kunstenaar. De sfeer in het Amsterdam, zijn Amsterdam, van 1969 lijkt hij al dan niet bewust te hebben geprojecteerd op de stad waarin hij zich in 1950 vestigde en hetzelfde heeft hij misschien wel gedaan met Karina, die alle trekken vertoont van romanfiguur Olga tijdens de hoogtijdagen van haar stormachtige romance met de jonge beeldhouwer.

Afscheid van de Zomerdijkstraat
Hét Amsterdam van Jan Wolkers zelf is toch vooral het Amsterdam van de jaren zestig, met als middelpunt de Rivierenbuurt en omgeving en meer in het bijzonder de Zomerdijkstraat 22. Toen hij in 1980 met Karina naar Texel verhuisde, nam hij geen afscheid van Amsterdam, maar van die specifieke plek. In een interview met Vrij Nederland eind 1981 stond het zo:
“Wolkers krijgt het te kwaad als hij zijn afscheid van de Zomerdijkstraat beschrijft. De laatste nacht hadden Karina en hij op een matrasje in het lege huis doorgebracht. ‘De volgende ochtend namen we niet alleen afscheid van een huis. Het was afscheid van veel mensen die me lief en dierbaar zijn geweest, van eh…eh….eh…eh… nou van mijn kat Voske, van Gerrit Jan van der Veen. Ik woonde daar dertig jaar, ik…’
Wolkers, langzaam en zacht pratend: ‘Sorry, ik kan niet meer. Laten we even stoppen.’ Zijn ogen tekenen rood, hij maakt slikkende geluiden. We zitten zwijgend tegenover elkaar. Karina kijkt omhoog. Ze fluistert zonder richting: ‘In dat huis is een dochtertje van Jan omgekomen.’”
Dat dochtertje, wier drama beschreven staat in Een Roos van Vlees, ligt blijkens een dagboekaantekening van dinsdag 2 december 1969 begraven op Zorgvlied. Net als met Olga in Turks Fruit wandelt Jan Wolkers met Karina langs de Amstel waarbij ze de begraafplaats aandoen. “Zoeken naar graf van dochtertje. Kunnen het niet vinden.”
Naar het graf van Jan Wolkers, zal men in de toekomst ook vergeefs zoeken. Maar zijn geest blijft rondwaren in zijn boeken waarvan het mooiste, Turks Fruit, zich afspeelt in een Amsterdam dat voor een niet onaanzienlijk deel door hem is gecreëerd en dat hij omtoverde tot de plek waar ‘het gebeurde’ en waar ‘iedereen’ uit alle macht probeerde bij te horen.