Nummer 1: Januari 2008

Techniekgeschiedenis in de Oude Kerk
Computer houdt Oude Kerk bij de tijd
Tekst: Peter van der Pouw Kraan

012008_KerkVia trappen, ladders en steeds kleinere torenkamers passeren we in de Oude Kerk bijna vierhonderd jaar techniekgeschiedenis. De klimtocht voert ons langs de luidzolder op de tweede verdieping, de vier luidklokken op de derde en vierde etage, het prachtige torenuurwerk op de vijfde en de uurwerkkamer in de top.
Bij het ingaan van de zomer- en de wintertijd zet monteur Arent van Heems nog één klok gelijk in Amsterdam, in de St. Catharinaschool aan het Meerhuizenplein. Verder gaat dat automatisch. Het eigenlijke werk van de zes monteurs van de firma Eijsbouts is het onderhoud van publieke uurwerken. Het oudste uurwerk dat Van Heems onder zijn hoede heeft, dateert van 1650 en bevindt zich in het Paleis op de Dam. Ook onderhoudt hij de uurwerken van de Oude Kerk, de Zuiderkerk, de Westerkerk, de Munt en het Rijksmuseum.
Van Heems beklimt de Oudekerkstoren. Via een stenen trap bereiken we de eerste verdieping, waar we enkele oude, niet meer gebruikte carillonklokken uit de zeventiende eeuw passeren. Door een iets andere stemming passen ze niet meer bij het huidige carillon, legt de monteur uit.
Een houten trap leidt ons verder, naar de luidzolder, waar vier dikke touwen bungelen. Op de twee verdiepingen erboven hangen doodstil de loodzware luidklokken. Geloof, Hoop, Liefde en Vrijheid heten ze. Hoop is de jongste en dateert van 1771. Vrijheid is met 3700 kilo de zwaarste, en werd in 1659 gegoten door François Hemony.

Elektriciteit
Verder omhoog, een deurtje door. Daar, op de vijfde verdieping, staat een prachtig apparaat met gesmede tandwielen en assen, precies zoals ik me een oud torenuurwerk had voorgesteld. Het is meer dan twee meter hoog. De maker, Wouter Geurtsz., heeft er vier jaar aan gewerkt. In 1619 was hij klaar. Geurtsz. vervaardigde naast uurwerken ook siersmeedwerk en dat zie je er aan af. Op de vier hoeken van de machine staan ijzeren pilaartjes, aan de bovenkant verbonden met ijzeren bogen en krullen.
Het mechaniek werd aangedreven door gewichten, die iemand wekelijks met een slinger omhoog takelde. De slinger ligt er nog, maar de gewichten zijn verdwenen. Een paar kleine elektromotoren hebben al het werk van het indrukwekkende 17de-eeuwse gevaarte overgenomen.
De speeltrommel voor het carillon is het enige originele onderdeel dat nog in gebruik is. Het is een horizontale cilinder, een meter of twee in doorsnee, opgebouwd uit 120 smeedijzeren stroken met in elk een rij vierkante gaten van één bij één centimeter. Uit sommige gaten steken metalen pennen. Nootjes heten die in carillontermen. Het huidige klokkenspel dateert in zijn oorspronkelijke versie van 1658, maar de speeltrommel stamt nog van een ouder exemplaar.

Eeuwen programmeren
Opeens start een elektromotor en begint de trommel met luid geraas te draaien. De nootjes duwen metalen handels, of lichters, omlaag. Van elke lichter loopt een staaldraad naar hamers helemaal boven in de toren. De hamers worden opgetild en vallen tegen klokken zodra een nootje een lichter is gepasseerd. Vaag klinkt het carillon boven het lawaai van de trommel uit. Maar met mijn hoofd uit een torenraam, uitkijkend over het dak van de Oude Kerk, hoor ik het luid en duidelijk.
Het carillon telt 47 klokken, waarvan er 14 nog in de zeventiende eeuw door François Hemony zijn gegoten. De andere klokken werden rond 1964 op basis van de oude klokken gemaakt door de firma Eijsbouts. "De broers François en Pierre Hemony waren de meestergieters van Nederland," vertelt Van Heems. "Ze hadden een methode bedacht om ze fijn af te stemmen, dat was toen uniek. Vanaf die tijd hebben we knappe carillons in Nederland en het deel van België dat toen bij Nederland hoorde."
De nootjes hebben verschillende lengtes. "Anders kun je geen echte muziek vormen," legt hij uit. "Er moet wat verschil in zitten. Je hebt ook twee hamers om een toon twee keer kort achter elkaar te laten klinken. Daarom hebben we ook een dubbelnootje."
Vandaag is dit zijn werkplek. De trommel wordt verstoken, van andere melodieën voorzien. Hij zal straks de nootjes eruit halen en morgen met een collega de trommel herprogrammeren, nog net zoals dat vierhonderd jaar geleden gebeurde.
Intussen is een blokje ijzer aan de rand van de trommel langs een magneetschakelaar geschoven en stopt de aandrijfmotor. Er klinken elf klokslagen. "Dit was de uurmelodie. Hij speelt vier melodieën. De uurmelodie is het langst. Daarna speelt ie de kwartmelodie. Dat is vaak een heel klein melodietje. Dan een halfuurmelodie, die is weer langer. Dan krijg je de kwart-voormelodie en dan komt ie weer bij het uur."
Die verschillen hebben te maken met de oorsprong van het carillon als instrument, vertelt Van Heems. Als je vroeger in de verte een klok hoorde, kon je de eerste slagen wel eens missen. Dan wist je nog niet hoe laat het was. Daarom werd de voorslag bedacht, een waarschuwing vooraf door enkele anders klinkende klokken.
Verschillende voorslagen gaven de hele en halve uren en kwartieren aan. Allengs werden dat complete melodieën en was het carillon geboren, het eerste mechanische muziekinstrument. Van Heems: "Het carillon zoals het nu bestaat, is ontwikkeld door Nederlanders. Heel lang geleden hadden de Chinezen ook iets dergelijks, maar ze hebben er nooit muziek mee gemaakt zoals wij dat in Nederland doen."

Metalen kastje
We beklimmen nog een paar ladders, passeren staalkabels die van de trommel omhooglopen naar de carillonklokken. "Kijk uit voor je hoofd". Een schaars verlichte zolderkamer. "Hier kom je bij de uurwerkkamer. Denk om de drempel." Dat is alles? Ik had iets imposanters verwacht. "Dat is alles ja, c'est tout."
Midden in het kamertje staat het uurwerk, een dicht metalen kastje van enkele decimeters in het vierkant. De elektromotor die erin zit drijft vier assen aan die elk naar een wijzerplaat lopen. Vlak achter de wijzerplaten wordt de draaiing via een paar tandwielen in een verhouding van 1 op 12 verdeeld over de twee wijzers. Iedere minuut draaien die in zes seconden naar hun nieuwe positie. Als ze daar zijn aangekomen staat de klok gelijk en pauzeert de motor weer 54 seconden.
Maar hoe weten die motoren nu wanneer ze moeten gaan draaien? Eeuwenlang is het op tijd lopen van uurwerken een probleem geweest. De uitvinding van het slingeruurwerk halverwege de zeventiende eeuw bracht een enorme verbetering, maar precies was het nooit. En wat is trouwens de juiste tijd als elke kerk-, stations- en stadhuisklok net iets anders aanwijst? Een centrale, nauwkeurige klok voor een hele regio, waarop alle klokken worden gelijkgezet: dat was de oplossing.

Atoomklok
In het Physikalisch-Technische Bundesanstalt, het Duits federaal instituut voor fysica, te Braunschweig staat een cesium-atoomklok met een nauwkeurigheid van een seconde op een miljoen jaar. Kijk, daar kun je wat mee. Via een radiozender in Mainflingen, dichtbij Frankfurt, schenkt hij heel West-Europa de juiste tijd. En passant worden ook nog de datum en een code voor de overgang naar zomer- of wintertijd meegestuurd.
In de toren van de Oude Kerk is tegen de muur bij het zeventiende-eeuwse uurwerk een onopvallend grijs kastje geschroefd. Een klokcomputer, het coördinerend meesterbrein ter plaatse. Het vangt het radiosignaal uit Duitsland op en stuurt een startsein naar de motoren van de speeltrommel en de wijzers. "De romantiek is er een beetje af. De oude uurwerken worden vervangen door de elektronica en dat werkt natuurlijk altijd feilloos, behalve als de bliksem inslaat."
We dalen alle trappen weer af om ergens aan de Kloveniersburgwal een broodje te eten. Het is twaalf uur. Sinds ik de speeltrommel net zag draaien hebben in Braunschweig oscillerende cesiumatomen alweer 9.192.631.770 x 3600 keer getrild en overal in Nederland klinken de carillons over de grachten.