Nummer 1: Januari 2008

012008_Cover


Op het omslag: Bet van Beeren tapt een biertje in het café ’t Mandje. Collectie Jan Carel Warffemius.

- Café ’t Mandje
- Dagboek Christiaan Andriessen
- Het Amsterdam van Jan Wolkers
- Kunstschaatsen in Oost
- Nieuwe techniek in Oude Kerk




Bet van Beeren: bijna-mythische kroegbazin

Tekst: Karin Lakeman
012008_Cafe

Ze is al veertig jaar dood, maar blijft de tongen beroeren: Bet van Beeren, de flamboyante eigenaresse van café ’t Mandje op de Zeedijk. Openlijk lesbisch en stoer, maar ook eenzaam en drankzuchtig. “Bet kon drinken als de katten melk”, aldus haar onlangs overleden zus Greet. Vorige maand werd bekend dat haar café waarschijnlijk dit voorjaar weer open gaat.

Sterke verhalen te over. Bet die de stropdassen met een slagersmes afhakte van praatjesmakende klanten, Bet die op een motor en in leren pak door de stad scheurde, Bet die een paar biefstukjes ging halen en vervolgens twee weken weg bleef en de kroegen in de kop van Noord-Holland op stelten zette, Bet die in de oorlog katten liet slachten om toch maar erwtensoep met vlees te kunnen verkopen. Ze kreeg jenever aangeleverd van de Duitsers in de oorlog, maar had ondertussen joodse onderduikers in de kelder en de wapens van een verzetsgroep op zolder. En niet te vergeten: Bet van Beeren wordt gezien als een belangrijke voorvechtster van de homo-emancipatie.
Bij leven kreeg ze misschien niet de erkenning die ze graag wilde, maar na haar dood werd dit ruimschoots goedgemaakt. Zo werd ’t Mandje in het klein nagebouwd in het Amsterdams Historisch Museum, wijdde de lesbische theatergroep Mevrouw Jansen een voorstelling aan Bet en figureerde haar persoon onlangs nog in de musical Wat zien ik?!. Ook is het boek Bet van Beeren. Koningin van de Zeedijk van Tibbe Bosch opnieuw uitgegeven en bovendien is er een speelfilm over Bet in de maak.
Deze film - geproduceerd door Victor Tiebosch en Jan Bruinstroop – gaat naar verwachting in 2009 in premiere. Op dit moment werken Ton Vorstenbosch en Kiek Houthuysen aan een scenario. De film spitst zich toe op de oorlogsperiode, toen de Zeedijk een bijzonder gebied was omdat er geen Duitse soldaten mochten komen. De bezetter wilde waarschijnlijk niet dat de soldaten zich te buiten zouden gaan aan drankgebruik en ander vermaak en bijvoorbeeld geslachtsziekten zouden oplopen.
Kiek Houthuysen deed intensief onderzoek naar Bet van Beeren en ’t Mandje. Ze sprak veel met Bets zuster Greet en kreeg veel nieuw materiaal te zien, onder andere over broer Co die gelieerd was aan de verzetsgroep van Gerrit van der Veen. Er wordt beweerd dat de wapens voor de overval op het bevolkingsregister bij Bet op zolder lagen. Door het overlijden van haar zuster Greet ligt Houthuysens onderzoek al enige tijd stil, maar we kunnen waarschijnlijk nog nieuwe gegevens uit Bets oorlogstijd verwachten.

Geboren kasteleinse
De inmiddels bijna-mythische kroegbazin werd in 1902 in de Boomstraat in de Jordaan geboren. Haar moeder had daar een logement; haar vader was stratenmaker. Als oudste dochter in een gezin van twaalf kinderen moest ze al vroeg uit werken. Ze kwam terecht in een blikkenfabriek aan de Haarlemmerweg, waar ze het tot voorvrouw schopte, maar het caféleven trok haar meer. Af en toe hielp ze mee in het café van haar oom op de Zeedijk Ze was als ‘kasteleinse’ in haar element en wist de klanten uitstekend te vermaken. Op die manier wist ze veel omzet te draaien.
In 1927 kon ze het café overnemen. Bet had geen geld, maar met leningen van de gemeente en van brouwerij Oranjeboom – die al snel had gezien dat ze centen in het laatje wist te brengen – kwam het café toch in haar bezit. Ze baatte het etablissement veertig jaar uit en maakte het tot ver buiten Amsterdam beroemd. Ze bleef al die tijd trouw aan Oranjeboom, ook al klopten Heineken en andere brouwerijen voortdurend aan haar deur.
Het was bijzonder dat ze zich als vrouwelijk ondernemer op de ruige Zeedijk tussen pooiers, hoeren, zeelui en penose meer dan staande wist te houden. Als ze het nodig vond, sloeg ze iemand eigenhandig de zaak uit. Nog opvallender was dat homo’s en lesbiennes in haar zaak openlijk voor hun geaardheid mochten uitkomen. ’t Mandje was overigens geen echt homo-café: iedereen mocht er komen en iedereen kwam er.
De Amsterdammer Onno Boers bezocht ’t Mandje vanaf de jaren vijftig regelmatig. Voor homoseksuelen waren er in die tijd verder alleen besloten clubs, zegt hij. “Bij Bet van Beeren kon je als homo jezelf zijn. Dat kon in die tijd in geen enkel café. Niet alleen niet in Amsterdam, maar nergens in de wereld. Bij haar kon dat allemaal wel. Dat was uniek.” Alleen zoenen en ‘klef’ gedrag mocht niet van Bet. “Dat hield ze allemaal wel in de gaten”, zegt Boers. Hij heeft vooral goede herinneringen aan Koninginnedag in ‘t Mandje. Dan ging het biljart eruit en mocht er gedanst worden. De dames met de dames en de heren met de heren. Ook dat was bijzonder, volgens Boers. “Vrouwen mochten in normale uitgaansgelegenheden wel met elkaar dansen, maar voor mannen was dat uitgesloten. Het was op Koninginnedag afgeladen vol in ‘t Mandje.”

Kleurrijke vrouw
Dat Bet van Beeren nu nog steeds de aandacht op zich weet te vestigen, is vooral ook vanwege haar kleurrijke persoonlijkheid. Ze was voor niets en niemand bang, kon de mensen uitstekend naar haar hand zetten en deed bij voorkeur waar ze zelf zin in had. Daarin was ze vrij schaamteloos. Het leek haar niet te deren als ze weer eens werd uitgescholden voor ‘lollepot’. Ze kon vloeken als een bootwerker, was een kerel van een wijf, maar ze kon er ook heel vrouwelijk uitzien en had zeker ook haar zachte kanten. Verder wilde ze vooral graag gezien worden. Dat lukte haar voortreffelijk.
Bet was geen doetje, zo bleek al op jonge leeftijd. Als tiener ging ze graag de hort op en bleef ze halve nachten weg . Op 19-jarige leeftijd zat ze drie maanden in de gevangenis vanwege betrokkenheid bij diefstal van een partij schoenen en de drank ontdekte ze al ook al vroeg. In het logement van haar moeder moest het bier zelf gebotteld worden. Bet hielp mee het bier uit het vat op te zuigen en in flesjes te doen. Ze vond dat lekker werk, kwam soms aangeschoten op school en werd dan weggestuurd.
Verder wist ze al jong dat ze op vrouwen viel en maakte daar geen geheim van. Aanvankelijk sloeg ze echter vooral mannen aan de haak - en dan graag rijke mannen. Dan moest er geshowd worden en liet ze zich met de betreffende heer in een paardenkoetsje door de Jordaan rijden. Of ze legde het aan met een slager of een banketbakker, zodat het arme gezin Van Beeren van vlees dan wel gebak werd voorzien.
Later verdiende ze meer dan goed met ’t Mandje en werd ze zelf een ‘big spender’. Ze zorgde ervoor dat er altijd wel iets te beleven viel in het café. Ze kleedde zich vaak in een matrozenpak en danste en zong voor haar klanten. Regelmatig haalde ze muzikanten van de Zeedijk, om samen met hen een show weg te geven. Het interieur van ’t Mandje werd in de loop der jaren een bezienswaardigheid op zich. De afgehakte stropdassen bungelden aan het plafond en het hing er tjokvol met souvenirs die door klanten waren meegenomen.
Omzet draaien deed Bet ook door met haar klanten te praten. Vriend Piet vertelt hierover in het boek van Tibbe Bosch: “Zoals Bet in der zaak van de tongriem kon gaan, dat kon er geen een. Wanneer er iemand binnenkwam waarvan ze dacht: dat is een kwartje, dan vertelde ze voor een kwartje, maar als ie een joetje was, berg je maar, want dan vertelde ze voor een joetje. En die vent moest net zo lang zitten luisteren tot ie flink had afgeschoven….” Zus Greet in hetzelfde boek: “Ze kon makkelijk iemand als ie binnenkwam – en ze wist dat ie geld had – versieren; ja, dan werd de geldbuidel leeggehaald, dan werd er gezopen. Al most ze der zelf een vat voor leegzuipen, het geld ging deruit.”

Geld en liefdadigheid
Een gewiekste zakenvrouw dus, maar het zou haar tekort doen om haar alleen maar zo af te schilderen. Ze kon mensen die het moeilijk hadden echt hulp en troost bieden. Bovendien was ze alleen al vanwege het feit dat ze zelf open omging met haar homoseksualiteit een inspiratiebron voor degenen die niet nog ‘uit de kast’ waren. Ze onderhield haar familie en ze deed veel aan liefdadigheid. Ze organiseerde uitstapjes voor de kinderen en bejaarden uit de buurt. Dit betaalde ze deels uit eigen zak, maar ze zamelde ook geld in bij bedrijven, of bij de pooiers uit de buurt. En ze klopte aan bij haar klanten. Elke dag moest er wel voor een andere armoedzaaier de knip open.
Het Leger des Heils kwam elke vrijdag in ’t Mandje zingen. Bet riep dan tegen de klanten: “Allemaal koppen dicht, anders ga je d’r uit, want het Leger komt binnen! En allemaal de beurs trekken, want daarboven kunnen ze niet van de wind leven.” De liefdadigheid was ook wel een beetje ter meerdere eer en glorie van zichzelf. Ze collecteerde in de buurt bijvoorbeeld af en toe voor de Nicolaaskerk, om dan vervolgens naar het kruis bovenop de kerk te wijzen en te zeggen: “Zien jullie dat kruis, dat heb ik betaald.”
Zelf liet ze het graag breed hangen, vooral als ze op de versiertoer was. Ze heeft veel vriendinnen gehad. Vaak waren dat hetero-vrouwen. Haar favoriete jachtterrein was het Haarlems Koffiehuis voor het Centraal Station, waar ze keurig gekleed in mantelpak op het terras ging zitten en knappe vrouwen ‘uit de provincie’ geraffineerd voor zich probeerde te winnen. Ze slaagde hier vaak uitstekend in, maar haar affaires hielden nooit lang stand. Daar was Bet waarschijnlijk te onrustig voor. Ze kon moeilijk doorzetten in relaties en ging vaak vreemd.
In het boek Majoor Bosschardt. Een leven voor anderen van Eline Verburg komt een uitgebreide passage voor over Bet van Beeren. Bosschardt: “Ze kon zich aan niemand binden. Daarom had ik ook veel medelijden met haar, omdat ze ondanks haar grote mond zo’n eenzame vrouw was. Ze had heel erg de neiging om vriendschap en liefde te kopen. Ze verdiende veel geld en kon heel erg gul zijn. Als ze iemand cadeautjes en geld gaf, verwachtte ze daar vriendschap en trouw voor terug. Maar zo werkt dat natuurlijk niet. Zo zijn heel veel relaties die ze aanknoopte net zo snel weer afgebroken.”
De dames Bosschardt en Van Beeren - ‘Koningin van de Wallen’ en ‘Koningin van de Zeedijk’- hadden een bijzondere band. Ze hebben verschillende keren ruzie gehad, Bosschardt is een keer door Bet het café uitgezet, maar Bet belde haar soms ook huilend van eenzaamheid op. De majoor: “Ze had een heel grote mond, niemand kon tegen haar op. Ik denk dat ik een van de weinigen zal zijn geweest. Misschien dat ze me daarom juist graag mocht. Ik sluit niet uit dat ze zelfs een beetje verliefd op me is geweest.”

Geen lintje
Bets laatste jaren zijn niet gemakkelijk geweest. De drank begon steeds meer z’n tol te eisen. Majoor Bosschardt had het over “wel veertig biertjes op een dag”. Wellicht was Bet enigszins verbitterd geraakt doordat ze niet de waardering kreeg die ze graag wilde. Twee grootse blijken van erkenning zijn aan haar neus voorbijgegaan. Beide keren speelde uitgerekend majoor Bosschardt een cruciale rol. Zus Greet probeerde in 1962 een lintje te krijgen voor Bet. Verdiensten genoeg, zou je zeggen: onderduikers en verzet geholpen in de oorlog, rol in homo-emancipatie, veel voor de buurt gedaan. Maar toen Greet majoor Bosschardt en de pastoor van de Nicolaaskerk benaderde om Bet voor een lintje voor te dragen, weigerden zij dit vanwege de levensstijl van Bet. En toen majoor Bosschardt in 1965 prinses Beatrix over de Wallen en door de rest van de binnenstad rondleidde, werd ’t Mandje overgeslagen. Bet was diep beledigd. “Zeker omdat ik lesbisch ben”, zou ze de majoor hebben toegebeten.
Greet kwam de laatste acht jaren van Bets leven in ’t Mandje werken en nam meer en meer de rol van kroegbazin over. Bet mocht van Greet steeds minder doen en zat voornamelijk aan de bar te drinken én kritiek te uiten op haar zuster, die het in haar ogen minder goed deed dan zij zelf had gedaan. Ze kon haar rol van kroegbazin moeilijk loslaten en stond het eigenlijk niet toe dat Greet en anderen in haar omgeving voor haar zorgden.
In 1967 stierf ze aan een leverziekte. Twee dagen lang lag ze - volgens eigen wens - opgebaard op het biljart in ’t Mandje. ‘Tout Amsterdam’ was bij haar begrafenis. Majoor Bosschardt sprak: dat wilde Bet graag. Zelf had Bet altijd gezegd dat ze 65 zou worden. En ze werd 65. Regelmatig riep ze echter ook: “Ik ben onsterfelijk. Ik kan niet gemist worden.” “Ze heeft gelijk gehad”, zei Greet in een interview. “Ze was onsterfelijk. Iedereen heeft het nog steeds over haar.”


Een vrolijke slenteraar met een scherpe blik

Christiaan Andriessen tekende zijn dagelijks leven, 1805-1808

Tekst: Peter-Paul de Baar


012008_AndriessenVan 1805 tot 1808 legde de jonge Amsterdamse kunstenaar Christiaan Andriessen zijn dagelijks leven vast in ruim 700 tekeningen met onderschriften: samen een uniek visueel dagboek, dat ons veel leert over de kleine details van het Amsterdamse sociale leven in de ‘Franse Tijd’. Dit najaar worden ze geëxposeerd. Als voorproef presenteren wij u in de hele jaargang maandelijks één fraaie dagboektekening waarover het een en ander te vertellen valt. Maar nu eerst: wie was die Andriessen?
“Eigenlijk zou dit dagboek op de Werelderfgoedlijst moeten staan., zegt kunsthistorica Annemieke Hoogenboom. zó uniek is het, voor die periode!” Al nuanceert ze dat meteen weer een beetje: vlak vóór Andriessen maakte ook de Amsterdamse koopman Jacob de Vos een getekend dagboek, waarin hij vooral het dagelijks plezier van zijn jonge kinderen liet zien. Ook heel prachtig, maar Andriessen, een gezelligheid zoekende jongeman, liet veel méér zien dan het leven binnenshuis. “Ach, we zetten ze gewoon sámen op die lijst.”
Hoogenboom is inmiddels druk bezig met de voorbereiding van een tentoonstelling van Andriessens dagboek, dit najaar in het Amsterdamse Stadsarchief, ter ere van het 150-jarig bestaan van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap. Na het Stadsarchief is het KOG de instelling die de meeste tekeningen van Andriessen in haar collectie heeft.
Andriessen is voor Hoogenboom geen ombekende. Al in 1997 publiceerde zij een artikel over hem in het maandblad Amstelodamum. Dat was een zijspoor van haar Utrechtse promotie-onderzoek naar de sociale status van kunstenaars in het begin van de 19de eeuw. Naar buiten toe begonnen die zich in die periode graag als een soort armoedzaaiers te presenteren: bevlogen aan het werk op een tochtige zolderkamer. Maar dat was meer romantiek dan werkelijkheid, ontdekte Hoogenboom. Kunstenaars werden juist zeer gewaardeerd en verdienden doorgaans een goede boterham. Zij het natuurlijk niet zo royaal belegd als die van de bankiers, dokters en rechters van wie zij de portretten schilderden of de woonkamer decoreerden. Juist daarom straalden de kunstenaars graag uit dat hun belang niet moest worden afgemeten aan hun materiële bezit. Zij leefden niet voor geld, maar voor de Kunst!
Dat gold ook voor de familie Andriessen. Vader Jurriaan had de pech dat zijn specialisme – behangselschilderijen – juist rond 1800 uit de mode begon te raken. Enige neergang in zijn inkomsten ondervond hij dus wel, en naar zijn eigen smaak meer dan genoeg om in 1806 koning Lodewijk Napoleon te verzoeken om financiële ondersteuning. Een antwoord kwam er nooit, misschien ook wel omdat de koning betwijfelde of de nood echt wel zo hoog was, De familie woonde sinds 1805 in een groot huis aan de Amstel (nummer 95, tegenover de Prinsengracht), met een paar inwonende dienstmeisjes. Toch net iets deftiger dan de bedelaars die veelvuldig het huis passeerden – en ook door Chrstiaan getekend werden.
Vader of zoon?
Lange tijd werd het dagboek toegeschreven aan Jurriaan Andriessen (1742-1819), Christiaans vader. Die was bij leven als kunstenaar ook veel bekender dan zijn zoon. Dat misverstand is vooral bewerkstelligd door de particuliere verzamelaar Roelof Veldhuizen, die de tekeningen in februari 1903 liet veilen. Hij had overal achterop in sierlijke letters, lijkend op Jurriaans eigen signatuur, “J. Andriessen’ gepend – ofwel uit onwetendheid, ofwel omdat hij besefte dat Jurriaan het op de veiling beter ‘deed’ dan diens vrij onbekende zoon. Sindsdien nam iedereen voetstoots aan dat Jurriaan de maker was. Totdat de grootste speurster van het Gemeentearchief, ‘Mej.’ (zoals zij zich levenslang koppig bleef noemen) I.H. van Eeghen, in 1963 onraad rook. De ‘ik-figuur’ beeldde zichzelf steeds wel behoorlijk jeugdig en vitaal af en was steeds op pad en naar feestjes, terwijl toch vaststond dat Jurriaan in 1799 een beroerte had gehad en zich in datzelfde jaar had geportretteerd als een wat zwaarlijvige heer op leeftijd. Helemaal zeker wist ze het toen zij een dagboektekening zag van 4 juli 1806, met daaronder in geheimschrift de tekst: “Mijn vaders verjaardag, oud vier en zestig jaar”. In de archieven was na te gaan dat Jurriaan Andriessen inderdaad op die datum 64 werd. Hij was dus niet de staande jongeman op de voorgrond, maar het oude heertje aan tafel! En de ik-figuur was dus zoon Christiaan! Dat maakte ook een reeks van andere afbeeldingen ineens veel begrijpelijker. Isa van Eeghen wijdde aan haar vondsten een hele serie in Amstelodamum en in 1983 wijdde zij er een heel boek aan: ‘In mijn journaal gezet.’ Amsterdam 1805-1808. Het getekende dagboek van Christiaan Andriessen.
Oog voor vrouwen
Christiaan Andriessen werd op 14 januari 1775 geboren als derde kind van Jurriaan Andriessen en Aletta Noordsieck. Zijn oudere broer stierf al na vijf jaar. Chris groeide op met zijn oudere zus Naatje en de jongste, Doortje. De laatste trouwde in 1797 met acteur en boekverkoper Coen van Hulst; ze kregen een dochter Cornelia Aletta alias Keletje. Dit kleine nichtje van Christiaan figureert veelvuldig in het dagboek. Zelf trouwde Christiaan nooit, al had hij blijkens zijn dagboek bepaald een open oog voor het vrouwelijk schoon.
Christiaan kreeg teken- en schilderlessen van zijn vader en later werkten vader en zoon regelmatig samen aan grote decoratieklussen. Een groot kunstschilder is Chris zelf nooit gewonnen. Hij won wel een paar prijzen die het genootschap Felix Meritis uitschreef voor leden onderling, maar afgaand op de enige reproductie daarvan waren dat stijve genrestukken. Vrijwel niets van zijn overige werk bleef bewaard. Zijn brood verdiende Chris vooral met tekenlessen: aan de jonge zonen maar vooral dochters van rijke families op de Heren- en Keizersgracht, maar ook, een paar jaar lang aan de leerlingen van een meisjesweeshuis in Weesp. Intussen hield hij tijd genoeg over voor huiselijke gezelligheid, bezoek aan tentoonstellingen, aan voordrachten en concerten in Felix Meritis op de Keizersgracht, aan de koffiehuizen in de Kalverstraat en de Nes (waar de wereldpolitiek werd doorgenomen) , aan allerhande feestjes bij kennissen thuis, aan de jaarlijkse kermis op de Botermarkt en af en toe aan een bijzonder spektakel , zoals (in 1805) de ‘tepronkstelling’ van een bigamist op een schavot voor het stadhuis op de Dam: om zijn nek droeg hij een bord met de tekst “Twee wyven”. Maar gewoon slenteren over de grachten deed Chris Andriessen ook graag, krijgen we de indruk.
Fotografische blik
Dat alles en nog veel meer vond zijn weerslag in het getekende dagboek. Waarom begon hij er aan? En waarom hield hij er naar vier jaar weer mee op? Het blijft duister. Maar Annemieke Hoogenboom vermoedt dat hij zijn dagelijkse tekeningen vooral maakte voor het vermaak van zijn familie en vrienden. Die zien zichzelf en hun al dan niet geliefde kennissen er steeds weer op terug, in soms mallotige situaties en met vaak grappige dialoogjes, uit het leven gegrepen. Er zijn ook prenten waarop we Andriessen met intimi ginnegappend over een dagboektekening gebogen zien staan.
Zo stijf als hij schilderde, zo losjes en levendig tekende Andriessen – waarschijnlijk juist (denkt Hoogenboom) omdat hij in dit tekenwerk geen rekening hoefde te houden met de smaak van de gevestigde kunstliefhebbers. Met de exacte weergave van de anatomie en het perspectief nam hij vaak een loopje, maar juist daardoor bereikt hij bewust of onbewust mooie effecten.
Er zit veel beweging in zijn tekeningen; en in de houding van zijn figuren komt hun stemming vaak mooi tot uiting. Het lijken wel ‘snapshots’, constateert Hoogenboom. “En in die zin kan je Andriessen wel een wegbereider van de fotografie noemen. Dat was niet alleen een combinatie van technische vindingen, maar ook een nieuwe manier van kijken.” Andriessen heeft zichtbaar plezier in het zoeken van originele kijkrichtingen, de weergave van licht en donker en van weersverschijnselen als een avondlijke sneeuwstorm, typerende bewegingen, ochtendmist of het schijnsel van een lentezonnetje op het jonge groen van bomen. Ook zijn teksten getuigen van een grote opmerkingsgave. Onder een tekening van twee bij een kraam hoeden passende meisjes noteert hij: “O jasses, nee, denk jou dat die me beter staat, Bet?”. En bij de begrafenis van een achterneefje tekent Andriessen heel typerend een scène ‘in de coulissen’- drie aansprekers die elkaar in de jas hijsen: “Help mij nu ook eens... Ja, maar waar moet die mantel ingehaakt worden?”
In Christiaan Andriessen is waarschijnlijk een groot journalist verloren gegaan. Maar zijn dagboek maakt veel goed.


Het Amsterdam van Jan Wolkers
Tekst: Elsbeth Etty
012008_WolkersHoe is het mogelijk dat een ingedommelde stad onder de handen van Jan Wolkers verandert in een wakker walhalla? Literatuurkenner Elsbeth Etty herlas Turks fruit en beschouwt het Amsterdam van Jan Wolkers.
“En omdat ze er helemaal niet van ophoorde dat ik kunstenaar was vertelde ik wat voorvallen zo uit het Amsterdamse bohemienleven gegrepen. Niet te erg natuurlijk”. Aan het woord is de ik-figuur uit Jan Wolkers’ beroemdste roman Turks Fruit (1969) Hij is zojuist, liftend in de buurt van Roermond, opgepikt door Olga , een “mooie meid in zo’n grote Amerikaan”. De jonge lifter vertoont grote gelijkenis met Jan Wolkers, die van 1949 tot 1953 in de hoofdstad zijn opleiding volgde. “Ik studeerde beeldhouwkunst in Amsterdam. Op de Rijksacademie.”
Op meisjes als Olga, afkomstig uit Alkmaar, moet Amsterdam, zeker in combinatie met dat ‘bohemienleven’ een magnetische aantrekkingskracht hebben uitgeoefend. Kwijnend in ‘de provincie’ las ik Turks Fruit direct nadat het was verschenen, net 18 jaar oud en brandend van verlangen om voorgoed naar dat magische Amsterdam te vertrekken.
Opgegroeid in dezelfde dreven als Jan Wolkers had ik zijn verhalen en romans nooit geassocieerd met die bruisende stad tussen Amstel en IJ, het paradijs van de vrije seks, de popmuziek, het wilde losbandige leven. Oegstgeest, Leiden, de dorpse benepenheid waar zijn romanhelden aan wisten te ontsnappen door hun eigen fantasieën uit te leven: dát leverde herkenning op. Maar Turks Fruit, was andere koek, daarin werd een bestaan geschetst dat voor je open lag als je bereid was te breken met de bekrompenheid van het milieu en de plaats waar je toevallig was grootgebracht.
Hommage aan Amsterdam
Turks Fruit heb ik, toen ik de polders rond Leiden allang verruild had voor Amsterdam, nog verscheidene malen herlezen. De roman kreeg steeds een andere betekenis voor me, maar wat bleef was het gevoel dat het behalve een liefdesverklaring aan Olga, óók een hommage was aan Amsterdam, de vrijzinnige stad waar je als bohémien kon leven. Natuurlijk werd dat beeld versterkt door de film die Paul Verhoeven in 1973 – midden in de hippietijd - naar het boek maakte. Pas nu, na de dood van de schrijver en na herlezing van zijn Dagboek 1969 uit de periode waarin hij aan Turks Fruit werkte, kom ik erachter dat Amsterdam slechts een marginale rol in deze roman speelt.
Bovendien: het Amsterdam dat hij erin beschrijft is niet de stad waar de provo-revolutie en het bouwvakkersoproer hadden gewoed, de Maagdenhuisbezetting had plaatsgehad, niet de vrijplaats waar je zonder problemen aan hasj kon komen, waar popconcerten en massale Vietnam-demonstraties waren. Turks Fruit speelt in het suffe naoorlogse Amsterdam waar hard gewerkt werd aan de wederopbouw en alleen enkele kunstenaars en intellectuelen zich een ‘bohemienbestaan’ konden veroorloven.
Hoe de ik-figuur tegen Amsterdam als ingeslapen en wansmakelijk sociaal-democratisch oord aankijkt blijkt wel uit het hoofdstuk ‘Marxistische tuinkabouters’, waarin hij – zonder diens naam te noemen - afrekent met de stadsbeeldhouwer Hildo Krop. “Het viel niet mee om als beeldhouwer te beginnen in een stad die door een vorige generatie vol gepoot was met van die marxistische tuinkabouters. Overal zag je ze. Op bruggen. Tegen de gevels. Aan pisbakken. In zandsteen, in kalksteen of in graniet. Van die kleine mannetjes. Dwergjes met kale koppies en meestal ontbloot bovenlijf. Arbeiders moesten ze voorstellen in een staat waar de arbeid adelt. Maar een collega van me zei eens fluisterend: “Dat is geen menselijk socialisme. Dat is het socialisme voor de apen.” Nou ja, voorlopig had ik niets met die toegepaste Neandertalertjes te maken.”
Zinderend liefdesnest
Als de ik-figuur in Turks Fruit vertelt dat hij studeert aan de Rijksacademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam mogen we concluderen dat het begin jaren vijftig is. Vanaf 1950 woonde Jan Wolkers aanvankelijk met zijn eerste vrouw Maria de Roo en van 1957 tot 1960 met zijn tweede echtgenote Annemarie Nauta in de Zomerdijkstraat 22. Er is al veel geschreven over deze in de stijl van Le Corbusier gebouwde atelierwoningen die met hun achterkant aan de Uiterwaardenstraat liggen. In Turks Fruit spelen zich wilde taferelen af op dit adres, waar de kunstenaar en zijn – deels naar Annemarie Nauta gemodelleerde – geliefde Olga uitzinnige seks hebben, op de grond naar steeds dezelfde jazz-platen luisteren, hun kat verzorgen en tussen de bedrijven werken aan beelden waarvoor Olga model staat. Ook Een roos van vlees, over het drama met het verbrande dochtertje van Jan Wolkers en Maria de Roo, speelt zich af in de atelierwoning aan de Zomerdijkstraat, maar in deze roman is de situering van dit huis nog vager dan in Turks Fruit.
Alleen ingewijden kunnen uit de roman opmaken waar dit van creativiteit zinderende liefdesnest zich precies bevindt. “In het atelier waarin ik toen zat had in de oorlog een verzetsstrijder gewoond die door de Duitsers gefusilleerd was. Ze hadden na de oorlog een bronzen plakette aan de gevel bevestigd waarop stond GEVALLEN VOOR HET VADERLAND. Ieder jaar werd er een bloemstuk onder gehangen aan een roestige spijker, die je de rest van het jaar leek uit te nodigen om je eraan op te hangen.” De tekst op de door Fred Carasso vervaardigde plaquette aan de gevel van Zomerdijkstraat 22 luidt in werkelijkheid: “Hier woonde leefde en werkte Gerrit Jan van der Veen; gefusilleerd 10 juni 1944 voor het vaderland.”
Al wat we verder te weten komen over de plek waar de hoofdpersoon en zijn Olga hun grote liefde beleven en waar de bedrogen echtgenoot later rouwend achterlijft, is dat het ergens in Amsterdam-Zuid moet zijn Als ze van nachtelijke jazzconcerten terug komen lopen ze door de Van Baerlestraat en spelen ze, in “de lange Churchillaan” het spelletje ‘Welke Auto Koop Ik Voor Je Als Ik Rijk Ben’.
Voor korte wandelingen lopen ze via het De Mirandabad naar ‘de Dijk’ langs de Amstel, waar de ‘ik’ Olga nog eens mee naar toe sleept als het allang uit is tussen hen. “Ik dwong haar gewoon om met me in het donker naar de Dijk te wandelen. Ik was er zelf ook in jaren niet meer geweest. Hij was al bijna helemaal geëgaliseerd met het opgespoten land erom heen. De hoge ligusterheggen waren verdwenen en er liepen diepe sporen van bulldozers door de aarde. Er brandde een vuur van oude koffers en kapotte crapauds en van alles wat er na verloop van tijd op landjes verzeild raakt. (…)En toen keken we naar die openstaande schermen van verlichte ramen en ik probeerde haar te wijzen waar alles geweest was maar ik wist het zelf ook niet meer.”
Schaatsen in de zomer
De armlastige kunstenaar in Turks Fruit neemt zijn geliefde niet alleen mee naar buiten omdat hij een natuurliefhebber is, maar vooral omdat de natuur, anders dan jazzconcerten en films “niets kost aan entree”. Hij wandelt met haar “naar plaatsen die later allemaal tegelijk met haar verdwenen zijn. Opgespoten met zand en volgebouwd met flats. De Zuidelijke Wandelweg met de oranje tennisbanen achter de hoge vlieren en vervallen loodsen en onduidelijke schuurtjes”. Een andere geliefde route is de Buitenveldertse wandelweg “door het lage drassige weiland met de heldere slootjes waarover je in gedachte ook in het hartje van de zomer gebogen donkere figuren vanuit de stad op de schaats zag uitzwermen”.
Het Amsterdam van Jan Wolkers bevindt zich in Turks Fruit vooral aan de periferie van de stad, op plekken waar landjes, slootjes en bomen zijn. Het Amsterdamse Bos, waar de geliefden tussen de dennenstammen in de hondsdraf liggen en waar Olga midden in de winter door een wesp wordt gestoken is een geliefd oord. Veel minder inspiratie ontleent de ik-figuur aan de meer gecultiveerde stadsnatuur. Slechts een enkele keer bevinden de personages zich in het Vondelpark, waar ze honing uit weigelia’s zuigen, en ook de dierentuin wordt maar schaars bezocht. En als ze dan eens op het terras van het restaurant van Artis plaatsnemen hebben ze alleen maar oog voor een zilvermeeuw die een mus in één hap naar binnen slikt.
De binnenstad bezoeken ze vooral om naar markten te gaan. zoals ‘de pluimveemarkt’ op het Amstelveld waar Olga duiven koopt. De tweede ontmoeting van de ik-figuur met Olga is op de Nieuwmarkt tijdens de kermis. Niet minder ingrijpend is zijn bezoek aan de Albert Cuyp-markt om groente te halen, maar waar hij bij de dierenwinkel voor Olga het katje koopt waarmee ze later voor hem poseert. Dat detail uit Turks Fruit is zeker autobiografisch: het gipsmodel voor het beeld ‘Vrouw met kat', waarvoor Nauta poseerde, is te zien op heel wat atelierfoto’s uit die jaren. Jammer genoeg staat het voltooide beeld niet in Amsterdam, maar in de stad Groningen waaraan het in 1960 door het Bouwfonds Nederlandse Gemeenten is geschonken.
Een ander moeder-met-kind beeld waarvoor Olga in Turks Fruit model staat, wordt in het bijzijn van hare majesteit de koningin geplaatst “voor een gebouw van het Rode Kruis”. Dit is het bronzen beeld in het park van het Centraal Laboratorium van de Bloedtransfusiedienst in Slotervaart. Later, als Olga al dood is, gaat de kunstenaar er nog eens naar kijken: “En het sloeg ineens door me heen dat ik met dit beeld haar angst gestalte had gegeven. Haar angst voor het moederschap. Dat het geen vrouw was die een kind optilde, maar van zich afstootte naar de aarde.” Twee jaar na Turks Fruit publiceerde Jan Wolkers zijn documentaire autobiografie Werkkleding, waarin behalve foto’s van en krantenknipsels over deze beelden ook enkele bijbehorende citaten uit Turks Fruit zijn opgenomen.
Gezapige jaren
Veel beschrijvingen van Amsterdam zijn in Turks Fruit niet te vinden. Af en toe worden er schoenen gekocht bij de Bata in de Kalverstraat, ze gaan naar nachtvoorstellingen van de filmliga in Kriterion en er is een ontmoeting in de Bijenkorf – daarmee houdt het wel zo’n beetje op. Weliswaar bezoeken ze alle jazzconcerten “ook al moesten we er soms een week lang geen vlees voor eten”, maar nergens blijkt uit waar die concerten werden gehouden werden en wie ze daar ontmoetten. Als je Turks Fruit goed leest gaat het over een saaie ingedommelde stad waar geen donder te beleven valt.
Maar hoe is het dan toch mogelijk dat die gezapige jaren vijftig-stad onder de handen van Jan Wolkers verandert in het hippieparadijs en politiek geëngageerde walhalla dat velen er in 1969 in meenden te ontwaren?
Het antwoord op die vraag is te vinden in Dagboek 1969 over het jaar waarin Wolkers Turks Fruit schreef. Hij woonde toen al enkele jaren in het atelier aan de Zomerdijkstraat met zijn nieuwe geliefde Karina Gnirrep, dochter van oud-Februaristaker en prominent communist Piet Gnirrep. Met haar leidde hij een leven zoals zijn alter ego in Turks Fruit zich nooit met zijn provinciale Olga had kunnen permitteren. In het dagboek worden de nachtfilms in Kriterion, maar ook de voorstellingen in Cinetol, de Uitkijk, en het Leidsepleintheater in geuren en kleuren beschreven. Op het Spui heeft Athenaeum Nieuwscentrum zijn deuren geopend. De concerten van huisvriend Willem Breuker die ze bezoeken, vinden plaats in Carré en Paradiso. Wolkers neemt deel aan de studentenprotesten samen met Ton Regtien en Paul Verheij. Hij geeft grote sommen geld aan het communistische dagblad De Waarheid, houdt een lezing voor de communistische jongerenorganisatie ANJV, schildert verkiezingsborden voor de CPN en windt zich op over een aanval op Marcus Bakker in Vrij Nederland.
Kortom, in het jaar dat Jan Wolkers Turks Fruit schreef, het jaar van de Maagdenhuisbezetting en de opera Reconstructie had Amsterdam een grondige gedaanteverandering ondergaan en was Jan Wolkers van een a-politieke beeldhouwer veranderd in een geëngageerde schrijvende kunstenaar. De sfeer in het Amsterdam, zijn Amsterdam, van 1969 lijkt hij al dan niet bewust te hebben geprojecteerd op de stad waarin hij zich in 1950 vestigde en hetzelfde heeft hij misschien wel gedaan met Karina, die alle trekken vertoont van romanfiguur Olga tijdens de hoogtijdagen van haar stormachtige romance met de jonge beeldhouwer.

Afscheid van de Zomerdijkstraat
Hét Amsterdam van Jan Wolkers zelf is toch vooral het Amsterdam van de jaren zestig, met als middelpunt de Rivierenbuurt en omgeving en meer in het bijzonder de Zomerdijkstraat 22. Toen hij in 1980 met Karina naar Texel verhuisde, nam hij geen afscheid van Amsterdam, maar van die specifieke plek. In een interview met Vrij Nederland eind 1981 stond het zo:
“Wolkers krijgt het te kwaad als hij zijn afscheid van de Zomerdijkstraat beschrijft. De laatste nacht hadden Karina en hij op een matrasje in het lege huis doorgebracht. ‘De volgende ochtend namen we niet alleen afscheid van een huis. Het was afscheid van veel mensen die me lief en dierbaar zijn geweest, van eh…eh….eh…eh… nou van mijn kat Voske, van Gerrit Jan van der Veen. Ik woonde daar dertig jaar, ik…’
Wolkers, langzaam en zacht pratend: ‘Sorry, ik kan niet meer. Laten we even stoppen.’ Zijn ogen tekenen rood, hij maakt slikkende geluiden. We zitten zwijgend tegenover elkaar. Karina kijkt omhoog. Ze fluistert zonder richting: ‘In dat huis is een dochtertje van Jan omgekomen.’”
Dat dochtertje, wier drama beschreven staat in Een Roos van Vlees, ligt blijkens een dagboekaantekening van dinsdag 2 december 1969 begraven op Zorgvlied. Net als met Olga in Turks Fruit wandelt Jan Wolkers met Karina langs de Amstel waarbij ze de begraafplaats aandoen. “Zoeken naar graf van dochtertje. Kunnen het niet vinden.”
Naar het graf van Jan Wolkers, zal men in de toekomst ook vergeefs zoeken. Maar zijn geest blijft rondwaren in zijn boeken waarvan het mooiste, Turks Fruit, zich afspeelt in een Amsterdam dat voor een niet onaanzienlijk deel door hem is gecreëerd en dat hij omtoverde tot de plek waar ‘het gebeurde’ en waar ‘iedereen’ uit alle macht probeerde bij te horen.


Bevroren borstplaat

Kwakkelwinters deden eerste Nederlandse kunstijsbaan de das om

Tekst: Hansje Galesloot


012008_SchaatsenDe langste kunstijsbaan ter wereld in Flevoland verkeek zich bij de geplande opening op de invloed van het zachte weer. Precies om die reden hield de eerste Nederlandse kunstijsbaan aan de Linnaeusstraat het maar vijf jaar vol. Maar de Amsterdammers waren wel gewonnen voor twee nieuwe sporten: het bevallige kunstschaatsen en het ‘echt mannelijke’ ijshockey.

Met de exprestrein uit Parijs arriveerde op de avond van 21 november 1934 de Noorse ijskoningin Sonja Henie op het Amsterdamse Centraal Station, vergezeld van dertien koffers én van haar onafscheidelijke vader en moeder. De hele nationale pers was uitgerukt en noteerde dat ze was gekleed in een tijgerbontjas met een “coquet fluweelen dopje” op het
hoofd. Een zwerm jeugdige “autogrammenjagers” belaagde de charmante verschijning op haar tocht naar Hotel de l’Europe.
De volgende ochtend was de persmeute weer present op de eerste training van het 22-jarige sterretje op de gloednieuwe Sportfondsen Kunstijsbaan aan de Linnaeusstraat. “Een mooie baan! En het ijs is goed, ja,” liet Henie de verslaggevers weten, onder het geklop en gehamer van tientallen werklieden die zich in het zweet werkten om de tribunes nog net op tijd klaar te krijgen voor het openingsfeest van enkele dagen later. Gewillig poseerde Henie al pirouettes draaiend op het ijs voor de toegestroomde fotografen.


Sonja Henie als rage
Het was directeur Han Bierenbroodspot dan toch gelukt de meervoudig wereld- en olympisch kampioene te contracteren voor het openingsfestijn van zijn nieuwe baan. Henie was toen al een legende. Op haar elfde debuteerde ze op de Olympische Spelen. Vanaf 1927 werd ze tienmaal op rij wereldkampioene en driemaal olympisch kampioene. In 1937 stopte ze met de wedstrijdsport, vertrok naar Amerika, trad op in elf films die allemaal draaiden om haar eigen carrière als kindsterretje, en werd de spil van de Hollywood Ice Revue waarmee ze een miljoenenfortuin zou vergaren.
Ten tijde van de opening van de Amsterdamse kunstijsbaan, dat stuk ‘bevroren borstplaat’ zoals verslaggevers oneerbiedig schreven, was Sonja Henie op het toppunt van haar wedstrijdcarrière en met afstand de beroemde schaatsenrijdster ter wereld. Maar haar optreden in Amsterdam was niet alleen om die reden een sensatie. Henie en de eveneens uitgenodigde rijders van de Weense School waren de eersten die het Nederlandse publiek lieten kennismaken met het kunstrijden. Dit ‘figuren krassen op het ijs’ was door de Engelse adel bedacht en kreeg vanaf eind 19de eeuw in Wenen een steeds muzikaler en kunstzinniger aanzien. Al decennialang was het kunstrijden een internationale wedstrijdsport, maar in ons land deed niemand eraan.
Toen het dan eindelijk tot een kennismaking kwam, op het sprookjesachtige ijsfeest van de Sportfondsen Kunstijsbaan in het weekend van 24 en 25 november 1934, waren de vele duizenden toeschouwers met stomheid geslagen. Het optreden van Sonja Henie was “zoo weergaloos en zoo meeslepend dat het publiek juichend stond te applaudisseren”. Op 26 november trad Henie nogmaals op voor schoolkinderen die gratis toegang hadden. Tot verbijstering van de organisatoren kwamen 16.000 kinderen opdagen. In de jaren hierna werd de Noorse diva een rage onder rolschaatsende meisjes in Amsterdam.

Het Sportfonds van Biertje
Nederland is de bakermat van het schaatsen, maar in 1934 telde ons land in geen enkele tak van de internationale ijssport nog mee. De merkwaardig trage introductie van het kunstijs was daar debet aan. Natuurijs kwam hier te lande op z’n best enkele weken per jaar voor en dat was natuurlijk veel te weinig om goed te kunnen oefenen. De eerste kunstijsbaan ter wereld ging in 1876 in Londen van start, met toen al dezelfde techniek als later aan de Linnaeusstraat zou worden toegepast: een buizenstelsel verwerkt in de betonnen vloer van de kunstijsbaan, waardoorheen een koude vloeistof stroomt. In de eerste decennia van de 20ste eeuw ontbrak het niet aan plannen voor de stichting van een kunstijsbaan in Amsterdam, maar er kwam allemaal niets van terecht.
Redding voor de ijssport in ons land kwam van Han Bierenbroodspot die aan de wieg stond van een ingenieus spaarsysteem, het Sportfonds, waaraan spaarders met kleine maandelijkse stortingen konden bijdragen. In 1929 ging het eerste Sportfondsenbad in Nederland van start, op het terrein van de oude Oostergasfabriek aan de Linnaeusstraat. Het bad werd ondergebracht in twee van de vijf ‘kappen’ van het retortenhuis en was onmiddellijk een groot succes. De rest van het pand stond leeg en was aan verloedering ten prooi. Dat bracht ‘Biertje’ zoals zijn bijnaam luidde, op een nieuw idee: op het terrein kon ’s zomers een openluchtbad worden geëxploiteerd en ’s winters een kunstijsbaan.
Trouw aan zijn sportfondssysteem opende Bierenbroodspot de inschrijving voor spaarders voor de nieuwe kunstijsbaan. Hij wilde hiermee niet alleen het benodigde geld binnenhalen, aangevuld met een gemeentelijke subsidie, maar ook laten zien dat er draagvlak was voor zo’n kunstijsbaan. Binnen enkele maanden hadden zich voldoende spaarders aangemeld en kon men de plannen gaan uitvoeren. Het leegstaande deel van het retortenhuis werd gesloopt en daar werd een ‘bak’ van 60 bij 40 meter gemaakt, omgeven door een betonnen wand van anderhalve meter hoog. Met het sloopafval werd een zeven meter hoge helling gevormd. Die fungeerde ’s winters als staantribune – in totaal had de ijsbaan maar liefst achtduizend toeschouwersplaatsen – terwijl men er ’s zomers een laag zand op stortte bij wijze van strand. Bij flinke regenbuien spoelde het zand in het bad, maar een kniesoor die daarop lette. De aanpalende muur van het Sportfondsenbad werd vervangen door spiegelruiten, zodat de binnenbaders zicht hadden op het buitenbad. Dat laatste was met zijn diepte van ruim een meter vooral bedoeld voor kinderen, maar op bewaard gebleven foto’s zijn ook volwassenen en zelfs een enkele kanovaarder te ontdekken.

Belachelijke antiquiteiten
Kunstrijden mocht in Nederland dan onbekend zijn, ons land kende wel het schoonrijden: een eeuwenoude traditie van zwieren op het ijs, waarbij de rijders zich zo statig mogelijk in sierlijke bochten over het ijs bewegen. Op het openingsfeest van de kunstijsbaan aan de Linnaeusstraat traden ook Nederlandse schoonrijders op. Het publiek en de aanwezige verslaggevers schaamden zich echter de ogen uit hun kop voor deze vaderlandse knulligheid, want hoe knap het technisch ook was, het zag er niet uit in vergelijking met het spectaculaire kunstschaatsen. “Blijven jullie schoonrijders, belachelijke antiquiteiten, toch met jullie kunst uit opoe’s en opa’s tijd in het vervolg thuis,” beet een boze briefschrijver in het Handelsblad hen toe.
Met de populariteit van het schoonrijden was het dus wel gedaan, de toekomst was aan het kunstrijden. De Sportfondsen Kunstijsbaan organiseerde in de vijf jaar van haar bestaan geregeld drukbezochte ijsrevues met internationale sterren, waar de kranten lyrisch over schreven. In deze jaren schnabbelden kunstrijders er heel wat bij met optredens over de hele wereld. De grens met ijsdansen en acrobatiek op het ijs was daarbij vloeiend, zodat een circusachtig geheel ontstond. Een attractie van de eerste orde was de Engelsman Phil Taylor die het presteerde te schaatsen op stelten van een meter hoog. Vervolgens maakte hij een sprong over enige tafels waaraan zes medewerkers van de ijsbaan quasi-ontspannen hadden plaatsgenomen. Nog benauwender werd het voor een baanveger die, zeer tegen zijn zin, moest gaan liggen achter een rij van twaalf tonnen waar Taylor overheen sprong.
Op het openingsfeest van de ijsbaan had een negenjarig meisje, Annie Verlee, zich tot vlakbij de boarding naar voren weten te werken. Ademloos sloeg zij de verrichtingen van Sonja Henie en de andere buitenlandse sterren gade. Bij schoenwinkel Zwartjes in de Utrechtsestraat ontdekte ze kunstschaatsen in de etalage. Toen ze die van haar ouders had gekregen, trainde ze elk vrij uurtje op de kunstijsbaan. Daar waren door de directie gerenommeerde Weense trainers aan het werk gezet, die het kunstrijden in Nederland een impuls moesten geven. Na de oorlog zou Annie Verlee als trainster aan de basis staan van de schaatssuccessen van Sjoukje Dijkstra en Joan Haanappel, de eerste Nederlandse kunstrijdsters die internationaal doorbraken rond 1960. Zo gaf de ijsbaan aan de Linnaeusstraat de stoot tot het ontstaan van een Nederlandse kunstrijtraditie.
De Sportfondsen Kunstijsbaan werd ook enthousiast verwelkomd door de Nederlandse hardrijders, die vanuit allerlei plaatsen driemaal per week kwamen aangereisd om hier hun rondjes te draaien. Onder hen was Gonne Donker, die eind jaren dertig in het vrouwenschaatsen de internationale top bereikte. Voor wedstrijden in hardrijden was de baan te klein. Maar het ijsvlak was wel afgestemd op een andere tak van de ijssport, die net als het kunstrijden nog volslagen onbekend was bij het Nederlandse publiek: het ijshockey. Vlak voor de opening van de baan, in september 1934, werd een nationale ijshockeybond gesticht. De Amsterdamse IJshockey Club (AIJHC) werd de vaste bespeler van de baan, ook wel de Blauwe Zes genoemd. Het team werd getraind door drie Canadezen die ook zelf meespeelden. Het nationale team was identiek aan dit Amsterdamse team minus de drie buitenlanders.
Het is dus niet overdreven te zeggen dat het Nederlandse ijshockey op de baan aan de Linnaeusstraat is geboren. Jaren achtereen was elk seizoen sprake van een aantrekkelijk programma van internationale wedstrijden waar duizenden toeschouwers op afkwamen. Amsterdam werd zo gewonnen voor de ijshockeysport, waarvan vooral het ruige en “mannelijke” karakter tot de verbeelding sprak, afgaande op de krantenverslagen. Eenmaal kwam het zelfs tot een handgemeen op het ijs tussen heetgebakerde spelers, waar enkele heren met wandelstokken die van de tribune op het ijs sprongen een eind aan probeerden te maken.

Regen als spelbreker
De kunstijsbaan had de pech dat Nederland in de tweede helft van de jaren dertig uitsluitend zachte en regenachtige winters kende – dat probleem dateert dus niet van de klimaatverandering. De buitenlandse adviseurs hadden geen rekening gehouden met zulke kwakkelwinters. Hoewel de capaciteit van de ijsmachines na een jaar met twintig procent werd verhoogd, was dat nog steeds niet genoeg om het ijs permanent hard te houden. Het onoverdekte karakter van de baan bleek fataal. Al tijdens het eerste seizoen ontstonden plannen om de baan te overkappen met een wegschuifbaar dak, maar de investeringen waren kennelijk te hoog gegrepen. Wel bracht men een provisorische overkapping aan over een deel van de tribunes, want ook de toeschouwers hadden het in de stromende regen vaak zwaar te verduren.
In 1938 kon een faillissement worden afgewend doordat de technische installatie werd overgenomen door de Amsterdamsche Ballast Mij onder directie van Charles de Vilder, die ook eigenaar was van de Apollo-sporthal aan de Stadionweg. Deze firma wilde binnen enkele jaren een ijspaleis aan het Scheldeplein of naast het Olympisch Stadion realiseren. De Vilder bedong in ruil voor het overnemen van de machines dat de baan aan de Linnaeusstraat tot die tijd open zou blijven, om zo de continuïteit van vooral de ijshockeysport niet in gevaar te brengen. Ook dit ijspaleis bleek echter weer een doodgeboren kindje.
Voorjaar 1940 kwam een definitief einde aan het inmiddels kwakkelende bestaan van de Sportfondsen Kunstijsbaan. De machines werden overgebracht naar de Apollohal die werd omgetoverd in een overdekte ijsbaan. Maar eind jaren veertig moest ook de exploitatie van deze baan vanwege tegenvallende financiële resultaten worden gestaakt. Pas met de opening van de Jaap Edenbaan in 1961, de derde 400-meterkunstijsbaan ter wereld, bevond Amsterdam zich weer in de voorste regionen van het rijden op kunstijs.


Techniekgeschiedenis in de Oude Kerk
Computer houdt Oude Kerk bij de tijd
Tekst: Peter van der Pouw Kraan

012008_KerkVia trappen, ladders en steeds kleinere torenkamers passeren we in de Oude Kerk bijna vierhonderd jaar techniekgeschiedenis. De klimtocht voert ons langs de luidzolder op de tweede verdieping, de vier luidklokken op de derde en vierde etage, het prachtige torenuurwerk op de vijfde en de uurwerkkamer in de top.
Bij het ingaan van de zomer- en de wintertijd zet monteur Arent van Heems nog één klok gelijk in Amsterdam, in de St. Catharinaschool aan het Meerhuizenplein. Verder gaat dat automatisch. Het eigenlijke werk van de zes monteurs van de firma Eijsbouts is het onderhoud van publieke uurwerken. Het oudste uurwerk dat Van Heems onder zijn hoede heeft, dateert van 1650 en bevindt zich in het Paleis op de Dam. Ook onderhoudt hij de uurwerken van de Oude Kerk, de Zuiderkerk, de Westerkerk, de Munt en het Rijksmuseum.
Van Heems beklimt de Oudekerkstoren. Via een stenen trap bereiken we de eerste verdieping, waar we enkele oude, niet meer gebruikte carillonklokken uit de zeventiende eeuw passeren. Door een iets andere stemming passen ze niet meer bij het huidige carillon, legt de monteur uit.
Een houten trap leidt ons verder, naar de luidzolder, waar vier dikke touwen bungelen. Op de twee verdiepingen erboven hangen doodstil de loodzware luidklokken. Geloof, Hoop, Liefde en Vrijheid heten ze. Hoop is de jongste en dateert van 1771. Vrijheid is met 3700 kilo de zwaarste, en werd in 1659 gegoten door François Hemony.

Elektriciteit
Verder omhoog, een deurtje door. Daar, op de vijfde verdieping, staat een prachtig apparaat met gesmede tandwielen en assen, precies zoals ik me een oud torenuurwerk had voorgesteld. Het is meer dan twee meter hoog. De maker, Wouter Geurtsz., heeft er vier jaar aan gewerkt. In 1619 was hij klaar. Geurtsz. vervaardigde naast uurwerken ook siersmeedwerk en dat zie je er aan af. Op de vier hoeken van de machine staan ijzeren pilaartjes, aan de bovenkant verbonden met ijzeren bogen en krullen.
Het mechaniek werd aangedreven door gewichten, die iemand wekelijks met een slinger omhoog takelde. De slinger ligt er nog, maar de gewichten zijn verdwenen. Een paar kleine elektromotoren hebben al het werk van het indrukwekkende 17de-eeuwse gevaarte overgenomen.
De speeltrommel voor het carillon is het enige originele onderdeel dat nog in gebruik is. Het is een horizontale cilinder, een meter of twee in doorsnee, opgebouwd uit 120 smeedijzeren stroken met in elk een rij vierkante gaten van één bij één centimeter. Uit sommige gaten steken metalen pennen. Nootjes heten die in carillontermen. Het huidige klokkenspel dateert in zijn oorspronkelijke versie van 1658, maar de speeltrommel stamt nog van een ouder exemplaar.

Eeuwen programmeren
Opeens start een elektromotor en begint de trommel met luid geraas te draaien. De nootjes duwen metalen handels, of lichters, omlaag. Van elke lichter loopt een staaldraad naar hamers helemaal boven in de toren. De hamers worden opgetild en vallen tegen klokken zodra een nootje een lichter is gepasseerd. Vaag klinkt het carillon boven het lawaai van de trommel uit. Maar met mijn hoofd uit een torenraam, uitkijkend over het dak van de Oude Kerk, hoor ik het luid en duidelijk.
Het carillon telt 47 klokken, waarvan er 14 nog in de zeventiende eeuw door François Hemony zijn gegoten. De andere klokken werden rond 1964 op basis van de oude klokken gemaakt door de firma Eijsbouts. "De broers François en Pierre Hemony waren de meestergieters van Nederland," vertelt Van Heems. "Ze hadden een methode bedacht om ze fijn af te stemmen, dat was toen uniek. Vanaf die tijd hebben we knappe carillons in Nederland en het deel van België dat toen bij Nederland hoorde."
De nootjes hebben verschillende lengtes. "Anders kun je geen echte muziek vormen," legt hij uit. "Er moet wat verschil in zitten. Je hebt ook twee hamers om een toon twee keer kort achter elkaar te laten klinken. Daarom hebben we ook een dubbelnootje."
Vandaag is dit zijn werkplek. De trommel wordt verstoken, van andere melodieën voorzien. Hij zal straks de nootjes eruit halen en morgen met een collega de trommel herprogrammeren, nog net zoals dat vierhonderd jaar geleden gebeurde.
Intussen is een blokje ijzer aan de rand van de trommel langs een magneetschakelaar geschoven en stopt de aandrijfmotor. Er klinken elf klokslagen. "Dit was de uurmelodie. Hij speelt vier melodieën. De uurmelodie is het langst. Daarna speelt ie de kwartmelodie. Dat is vaak een heel klein melodietje. Dan een halfuurmelodie, die is weer langer. Dan krijg je de kwart-voormelodie en dan komt ie weer bij het uur."
Die verschillen hebben te maken met de oorsprong van het carillon als instrument, vertelt Van Heems. Als je vroeger in de verte een klok hoorde, kon je de eerste slagen wel eens missen. Dan wist je nog niet hoe laat het was. Daarom werd de voorslag bedacht, een waarschuwing vooraf door enkele anders klinkende klokken.
Verschillende voorslagen gaven de hele en halve uren en kwartieren aan. Allengs werden dat complete melodieën en was het carillon geboren, het eerste mechanische muziekinstrument. Van Heems: "Het carillon zoals het nu bestaat, is ontwikkeld door Nederlanders. Heel lang geleden hadden de Chinezen ook iets dergelijks, maar ze hebben er nooit muziek mee gemaakt zoals wij dat in Nederland doen."

Metalen kastje
We beklimmen nog een paar ladders, passeren staalkabels die van de trommel omhooglopen naar de carillonklokken. "Kijk uit voor je hoofd". Een schaars verlichte zolderkamer. "Hier kom je bij de uurwerkkamer. Denk om de drempel." Dat is alles? Ik had iets imposanters verwacht. "Dat is alles ja, c'est tout."
Midden in het kamertje staat het uurwerk, een dicht metalen kastje van enkele decimeters in het vierkant. De elektromotor die erin zit drijft vier assen aan die elk naar een wijzerplaat lopen. Vlak achter de wijzerplaten wordt de draaiing via een paar tandwielen in een verhouding van 1 op 12 verdeeld over de twee wijzers. Iedere minuut draaien die in zes seconden naar hun nieuwe positie. Als ze daar zijn aangekomen staat de klok gelijk en pauzeert de motor weer 54 seconden.
Maar hoe weten die motoren nu wanneer ze moeten gaan draaien? Eeuwenlang is het op tijd lopen van uurwerken een probleem geweest. De uitvinding van het slingeruurwerk halverwege de zeventiende eeuw bracht een enorme verbetering, maar precies was het nooit. En wat is trouwens de juiste tijd als elke kerk-, stations- en stadhuisklok net iets anders aanwijst? Een centrale, nauwkeurige klok voor een hele regio, waarop alle klokken worden gelijkgezet: dat was de oplossing.

Atoomklok
In het Physikalisch-Technische Bundesanstalt, het Duits federaal instituut voor fysica, te Braunschweig staat een cesium-atoomklok met een nauwkeurigheid van een seconde op een miljoen jaar. Kijk, daar kun je wat mee. Via een radiozender in Mainflingen, dichtbij Frankfurt, schenkt hij heel West-Europa de juiste tijd. En passant worden ook nog de datum en een code voor de overgang naar zomer- of wintertijd meegestuurd.
In de toren van de Oude Kerk is tegen de muur bij het zeventiende-eeuwse uurwerk een onopvallend grijs kastje geschroefd. Een klokcomputer, het coördinerend meesterbrein ter plaatse. Het vangt het radiosignaal uit Duitsland op en stuurt een startsein naar de motoren van de speeltrommel en de wijzers. "De romantiek is er een beetje af. De oude uurwerken worden vervangen door de elektronica en dat werkt natuurlijk altijd feilloos, behalve als de bliksem inslaat."
We dalen alle trappen weer af om ergens aan de Kloveniersburgwal een broodje te eten. Het is twaalf uur. Sinds ik de speeltrommel net zag draaien hebben in Braunschweig oscillerende cesiumatomen alweer 9.192.631.770 x 3600 keer getrild en overal in Nederland klinken de carillons over de grachten.