Nummer 2: Februari 2013 - Waar Woutertje Pieterse zijn ridderroman leende




02_2013_NegenstraatjesNiet iedereen in de grachtengordel was rijk. Het gebied dat sinds eind jaren negentig bekend staat als de ‘Negen Straatjes’, was eeuwenlang het domein van kleine zelfstandigen: ambachtslieden, buurtwinkeliers en boekhandelaren. In een van die boekwinkeltjes huurde Woutertje Pieterse de sensationele ridderroman Glorioso.

Zonder antiekhandelaar Djoeke Wessing uit de Huidenstraat waren de Negen Straatjes er helemaal niet geweest. Niet als marketingconcept, tenminste. Zij bedacht de naam voor de zijstraten van de grachten ten zuiden van de Raadhuisstraat. Het succes als toeristisch winkelgebied is een teken des tijds. Niet voor het eerst maakt oude nering plaats voor nieuwe. We zoomen in op de Hartenstraat om te kijken wat er hier allemaal in vier eeuwen tijd is veranderd.

Natuurlijk, de grachtengordel was eeuwenlang het allerrijkste stadsgedeelte. Maar dan hebben we het wel over gemiddelden. In de grachtengordel had niet iedereen het even breed. Er was een duidelijk verschil tussen de hoofdgrachten en de zijstraten. En zo is het nog steeds.
De ondernemers in de zijstraten bedienden de grachtenbewoners. Die zijstraten staan nu bekend als De Negen Straatjes – een goed gevonden benaming, inmiddels wijd en zijd bekend. De aantrekkingskracht is groot: de cliëntèle bestaat tegenwoordig merendeels uit niet-grachtenbewoners. Het etiket werd in 1996 bedacht door Djoeke Wessing, die in de jaren tachtig een winkeltje in art-decolampen begon in de Huidenstraat. De straatjes hadden toen al veel van die kleine charmante gespecialiseerde winkeltjes, vaak met een vleugje nostalgie. Maar als buurtje waren ze geen begrip. Kon dat niet beter? Dat bleek. Met steun van de Kamer van Koophandel werd dat jaar in café De Doffer in de Runstraat ondernemersvereniging De Negen Straatjes opgericht.
Zes van de negen straatjes ontstonden omstreeks 400 jaar geleden bij de Derde Uitleg: tussen Herengracht en Keizersgracht werden ze in 1614 bebouwd, tussen Keizersgracht en Prinsengracht in 1615. De drie anderen – Gasthuismolensteeg, Oude Leliestraat en Wijde Heisteeg – dateren al van een vorige stadsuitbreiding in 1585, de zogeheten Tweede Uitleg. Alle negen waren ze hard nodig. Want zonder deze straatjes, geen levensvatbare hoofdgrachten.

Leveranciers dichtbij
Aaneengesloten rijen statige huizen ogen natuurlijk heel indrukwekkend. Maar om van de ene naar de andere gracht te kunnen komen zijn dwarsstraten nodig, die tegelijk ruimte boden voor de winkels en werkplaatsen waar de dienstmeisjes van de hoofdgrachten boodschappen konden doen of een ‘mannetje’ bestellen voor een reparatie aan huis. Want de bewoners van de grachten zochten hun leveranciers en andere dienstbaren het liefst om de hoek.
Dan hebben we het over ambachten die geen overlast veroorzaken, zoals bakker, kleermaker of schoenlapper. Smeden en de vervuilende leerlooiers werden verbannen naar de gloednieuwe Jordaan. De aan het looien van dierenhuiden ontleende straatnamen (Huidenstraat, Reestraat, Hartenstraat=Hertenstraat, Wolvenstraat, Berenstraat en Runstraat) herinneren dan ook aan de periode vóór de aanleg van de grachtengordel, toen dit gebied nog onderdeel was van de rommelige voorstad waar alles kon.
De aanleg van dwarsstraten had nog een extra voordeel voor het stadsbestuur, dat de kavels verkocht. De percelen in de zijstraten waren natuurlijk veel kleiner dan aan de grachten, dus waren het er per hectare veel meer. En al was per vierkante meter de grond vrij duur, gegadigden waren er genoeg. Het ging immers om bedrijfspanden, waar geld verdiend kon worden. Ook mochten in de zijstraten de kavels geheel bebouwd worden.
De grondprijzen verschilden per straat: percelen in de Hartenstraat waren het duurst, omdat die het dichtst bij de Dam lag. Per saldo verdiende de stad aan de grond voor de zijstraten zelfs meer dan aan die voor de herenhuizen. Daarom gaf het stadsbestuur eind januari 1614, toen de veiling van de gronden al gaande was, graag gehoor aan een verzoek van winkeliers in en om de Heisteeg bij het Spui om op de valreep in het verlengde van hun straatje nog een zijroute te plannen: dat werden de Huidenstraat en de Runstraat.

De mensen
Wat voor mensen woonden er in de latere Negen Straatjes? Uit het ‘veilboek’ blijkt dat de percelen werden gekocht door mensen met een beroep als melkboer, slager, bakker, schoenmaker, goudleermaker, speldenmaker, ijzerhandelaar, gewichtenmaker, steenhouwer en leerbereider.
De Hartenstraat geeft een mooie beeld van de bewoning. De beroemdste 17de-eeuwse bewoner (op nr. 8) was ongetwijfeld stadsgeschiedschrijver Casparis Commelin. Een 18de-eeuwse momentopname van de bewoning is de Personele Quotisatie van 1742, het enige bewaarde belastingkohier uit die eeuw. De Hartenstraat blijkt de rijkste zijstraat: 45 bewoners kregen een belastingaanslag omdat ze ƒ 600,- of meer verdienden; in de overige straatjes waren het er tien tot twintig.
In de Hartenstraat woonden enkele bakkers, een slager, drie kruideniers, vier stoffenverkopers, een kleermakers, twee kastenmakers, twee horlogemakers, een zilversmid, twee chirurgijns, en verder een schoolmeester,  kok, tapper, vaandrig, ijzerwinkelier, sigarenboer, kaaswinkelier, handschoenverkoper, kousenwinkelier, kaarsenmaker en ‘koopman’. Daarbij moeten we bedenken dat niet-belastingbetalers in deze lijst ontbreken. Nou ja, niet helemaal: als welstandscriterium is bij de vaandrig en de vleeshouwer vermeld dat ze drie dienstbodes hadden, een chirurgijn en de koopman hadden er twee en vijf winkeliers ieder één.
Steekproeven uit het bevolkingsregister, commerciële adresboeken en krantenadvertenties geven een beeld van de 19de-eeuw. Er wonen nog steeds heel wat ambachtslieden (mandenmaker, hoedenmaker, korsettenmaker, paraplumaker, zilversmidsknecht). Soms hebben ze een winkel, vaak ook niet.
In het bevolkingsregister figureren ook relatief veel minvermogenden, zoals winkelbediendes, schoonmaaksters, sjouwerlieden en reeksen dienstbodes. Enkele winkeliers hebben een student ‘in de kost’ en op bovenkamers vinden we ook diverse alleenstaande kantoorbedienden.

Boeken en meubels
Opvallend groot is het aantal boekwinkels en dat blijft zo tot na 1960. Begin 19de eeuw vinden we al de namen van Diderich, Donk en Winkelhagen. Een behoorlijk grote zaak is Van Heteren (sinds ca. 1830 op nummer 21, na 1900 op 26, tot de verhuizing naar het Rokin in 1926). Na 1850 maakte de winkel van C.L. Brinkman furore, gespecialiseerd in schoolboeken (op 24, 15, 12 en 16-18). Die zaak verhuisde pas in 1990, naar de Overtoom. Sinds ongeveer 1915 tot omstreeks 1990 hield kantoorboekhandel A.W. Lorjé het vol op nummer 10.
Het succes van Lorjé hangt duidelijk samen met de ‘verkantorisering’ van de binnenstad. Een andere kantoorboekhandel was na 1945 Volbroek op nummer 3, daar opvolger van een schrijfmachinehandel. Er zijn al in de jaren twintig meer hypermoderne zaken: in de jaren twintig Radiotechnisch Bureau De Tijdgeest. (“Verkoop van radio-ontvangtoestellen: Het Concertgebouworkest bij U thuis”), daarna tot 1975 Radio Prins, op nummer 2.
Ouderwets ambachtelijk en tegelijk modern was sinds 1896 de bekende Firma P.F.L. de Ridder (op nummer 18, 14, 15, 21), die de rotanmeubelen in Amsterdam introduceerde. Je kon er ook kinderstoelen krijgen. Uit de Woningboeken, onderdeel van de gemeentelijke bevolkingsadministratie, blijkt dat vele bovenverdiepingen na 1945 per kamer werden verhuurd aan studenten, Hongkong-Chinezen en Marokkaanse gastarbeiders.  

Alsmaar hipper
Na pakweg 1970 maakten veel kantoren aan de grachten plaats voor appartementen. De grachtengordel ‘veryupte’. Tegelijk werd tot omstreeks 1990 de ene na de andere traditionele winkel in de Hartenstraat verdrongen door hippe boetieks en bric-á-bracwinkeltjes, gericht op een nieuwe generatie. Vooral met dingen die je elders niet makkelijk vindt. Hetzelfde gebeurde in de andere zijstraten: denk aan de Witte Tanden Winkel en de Kaaskamer in de Runstraat. In de Hartenstraat was in 1975 Lady Day (nr. 9) een trendsetter, met onverslijtbare leren jassen uit de jaren dertig. Een paar jaar later volgde (nr. 1) tassen- en schoenenmaakster Hester van Eeghen. Een topper is ook al jarenlang spelletjeswinkel The Gamekeeper (nr. 14).
Ook de horeca vond haar plek. In 1975 zat restaurant De Hartedief op nummer 24, nu heet het hier Van Harte. Al zo’n twintig jaar zit Indiaas restaurant Purna op nr. 29, als opvolger van Pamado. Op 8 vinden we Lunchroom Belga en in 2011 ging op nr. 17, waar eerst Indiaas restaurant Sheesh Mahal was, Japans restaurant Kagetsu open. Inmiddels zijn De Negen Straatjes een internationale toeristische attractie. Maar dat succes heeft een keerzijde. De huren worden de laatste jaren zó verhoogd dat de bijzondere kleine winkeltjes worden verdrongen door filialen van grote dure modeketens. De dorpse en artistieke sfeer verdwijnt. Ga dus maar gauw nog even kijken!

Tekst: Peter-Paul de Baar