Nummer 2: Februari 2011 - ‘Beter dan Gaudi!’



‘Beter dan Gaudi!’
Tien jaar Het Schip, Museum van de Amsterdamse School
Tekst: Mariek Hilhorst

Het_Schip_kleinBijna tien jaar geleden ging museum Het Schip van start in de Amsterdamse Spaarndammerbuurt. De locatie: het voormalige postkantoortje in het wereldberoemde arbeiderspaleis van Michel de Klerk. Het Schip is uitgroeid tot hét museum over de Amsterdamse School. Wat maakt dit museum zo bijzonder?

“Het initiatief voor het museum is ontstaan om in 2001 te vieren dat de Woningwet 100 jaar bestond”, vertelt directeur Alice Roegholt van museum Het Schip. De Woningwet van 1901 was bedoeld om de nieuwbouw van slechte, ongezonde woningen een halt toe te roepen, krotten op te ruimen, ‘woningwetbouw’ van goede betaalbare huizen te stimuleren en nieuwe stadswijken voortaan te plannen in uitbreidingsplannen. Dat leidde in de decennia daarna in Amsterdam-Zuid en -West tot grootschalige nieuwe woonwijken van Berlage en architecten van de socialistisch geïnspireerde Amsterdamse School.
Alice Roegholt: “Ik werkte als projectmedewerker bij Stichting De Golf, een ontwikkelingsbureau op het gebied van de Amsterdamse volkshuisvesting. We vonden het jammer dat er in Amsterdam geen museum voor volkshuisvesting was. Denk eens aan al die toeristen die speciaal voor de volkshuisvesting naar de stad komen! Het 100-jarig bestaan van de Woningwet bood een kans om het onderwerp onder de aandacht te brengen. We maakten een plan voor een expositie van een jaar over de Amsterdamse volkshuisvesting, en gingen erover praten met de Amsterdamse woningcorporaties. Iedereen was enthousiast.”
Roegholt fietste daarna allerlei volksbuurten door om ideeën te krijgen voor locaties. “Op een stralende dag kwam ik in de Oostzaanstraat langs het bordje ‘postkantoor’ op een merkwaardige plek, het beroemde ‘arbeiderspaleis’ van architect Michel de Klerk. Hier wil ik postzegels kopen, dacht ik. Tot mijn verbazing belandde ik in een schitterend authentiek interieur in de stijl van de Amsterdamse School. Al was het wel totaal verloederd, overal kwamen de verfbladders naar beneden. ‘Zo’n mooi kantoortje, kan er niet een likje verf overheen’, vroeg ik. ‘We gaan binnenkort voorgoed sluiten, het is de moeite niet meer’, was de reactie. Ik dacht: dan komt hier dus de expositie en daarna maken we er een museum van! En het is er gekomen. Dit postkantoor bleek de enige ruimte van architect De Klerk die nog in de oorspronkelijke staat was, op die lagen verf na dan. Het is een wonder en een geluk voor Amsterdam dat we het hebben kunnen redden.”

Postkantoor voor arbeiders
Een postkantoor in een arbeiderswijk, dat was begin 20-ste eeuw niet gebruikelijk. Arbeiders werden in die tijd gewoonlijk op zaterdag in het café uitbetaald. Dat had als nadeel dat een groot deel van het loon vaak meteen in alcohol werd omgezet. De Klerks idee was: arbeiders kunnen beter op een postkantoor uitbetaald worden, dan is de verleiding minder groot en kunnen ze misschien gaan sparen. De PTT – voluit het Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie – bezat in Amsterdam in die periode drie postkantoren en dit zou de vierde worden. Maar de PTT had aanvankelijk geen belangstelling, omdat in een arbeiderswijk te weinig te verdienen zou zijn, maar is door de woningcorporatie overgehaald met het aanbod dat het eerste jaar geen huur hoefde te worden betaald. In 1921 opende het postkantoor zijn deuren en bleek zo aan te slaan dat het tot 1999 is gebleven.
De Klerk heeft allerlei kunstgrepen toegepast om de heel bescheiden ruimte toch een statig en deftig aanzien te geven, zoals te doen gebruikelijk voor staatsbedrijven in die tijd. Want ook arbeiders verdienden dat, vond de architect, die zelf uit de arbeidersklasse afkomstig was. Door het gewelfde plafond en het raam dat tot in het plafond doorloopt, lijkt de ruimte veel hoger dan zij in werkelijkheid is. De dubbele toegangsdeur, een in- en een uitgang, suggereert een veel groter en deftiger postkantoor, terwijl dat voor deze kleine ruimte helemaal niet nodig was.
Door allerlei symboliek is het postkantoor een heel bijzondere plek. Zo zijn de gebruikte interieurkleuren postduifgrijs en staan op de dubbelwandige spreekcel voor telefoongesprekken – toen nog iets heel bijzonders – bij wijze van speelse waarschuwing luistervinkjes, omdat de telefoniste kon meeluisteren. De massieve deur met opengewerkt houtsnijwerk is versierd met een flinke vuist, om aan te geven wat er kon gebeuren als je ondanks de verboden toegang naar de achtergelegen postsorteerruimte doorliep. Verder zien we kroontjes die de Koninklijke Post symboliseren, en een bank voor wachtenden, ook al ongebruikelijk voor arbeiders in die tijd, want die konden wel staan vond men.

Torentje biedt inzicht
“De tentoonstelling in het voormalige postkantoortje werd zo’n succes dat we er na dat jubileumjaar 2001 een permanent museum van hebben kunnen maken”, vervolgt Alice Roegholt. “In de jaren daarna werd het steeds verder uitgebreid. In 2004 kwam de huurwoning vrij onder het torentje, de beroemdste plek van het gebouw. Een buitenkans, die we met beide handen aangrepen. Die woning hebben we bij het museum kunnen trekken. Zij is teruggebracht in originele staat en nu te bezichtigen als typische jaren twintig woning voor de wat beter betaalde arbeiders, zoals spoorwegarbeiders, postbodes en politieagenten.” Vanuit het trappenhuis naar de woning erboven, die later ook bij het museum kwam, kunnen bezoekers sindsdien ook dat beroemde torentje bezichtigen. Maar die toren, dat is wel een verhaal apart.
“‘Kunnen we de kerk bezoeken’, vroegen toeristen ons altijd”, zegt Roegholt. “De grap is: architect De Klerk heeft een toren op het gebouw gezet, maar er zit helemaal geen kerk onder! Hij was niet alleen socialistisch, maar ook humoristisch en heeft waarschijnlijk iets gedacht in de trant van: katholieken hebben kerktorens, protestanten hebben kerktorens, waarom zouden socialisten geen torens mogen? Bezoekers waren meestal teleurgesteld als ze hoorden dat er geen kerk bij die beroemde toren hoorde. ‘Nothing at all?’, vroegen ze dan vertwijfeld. Maar hoe kan iets nothing zijn als het zo beroemd is? Dan laten we de toren zien, dachten we, want hij is wel degelijk spectaculair. De toren hoort bij de berging op zolder en heeft een schitterende houten binnenconstructie. Geen architectuurboek dat daarover schrijft. Maar het is zó’n leuke grap! ‘Het gaat niet om het uitzicht, maar om het inzicht’, zeg ik vaak”, glimlacht Roegholt. De waardering voor het museum is sindsdien alleen nog maar groter geworden. “This is better than Gaudí!”, zei pasgeleden een Spaans architect tegen haar. En in het gastenboek schreef laatst een bezoeker uit Californië: “The best museum in Amsterdam.”

Spelen met licht
In 2005 is het museum nogmaals uitgebreid, toen aan de overkant van het gebouw drie naast elkaar gelegen winkeltjes leeg kwamen te staan. Daar is nu de lunchroom, groot genoeg om groepen tot 50 personen te ontvangen voor lunches en recepties, vergaderingen en lezingen. Onder de ruim 15.000 bezoekers per jaar bevinden zich dan ook nogal wat groepen, variërend van basisschoolklassen tot buitenlandse architecten. In de bijbehorende tuin is een openluchttentoonstelling van beroemd straatmeubilair van de Amsterdamse school, zoals de rode brandmelder, de straatkiosk, de blauwe gemeentegirobus, de elektriciteitsverdeelkast en de Krul, het straaturinoir. Want het bijzondere van de Amsterdamse school is dat het een totaalconcept was. Het ging niet alleen over gebouwen, maar ook over de straat, het straatmeubilair en de hele ruimtelijke ordening van de wijk. En bovendien over het interieur en de meubilering, tot in de kleinste details van gebruiksvoorwerpen.
Het postkantoor is volgens Alice Roegholt de perfecte plek voor een museum over de Amsterdamse School. Die stijl is hier, in deze buurt, in feite geboren met de bouw van twee grote bouwblokken aan het Spaarndammerplantsoen in 1913-1918 en het derde blok Het Schip in 1919-1920. De Amsterdamse architecten kregen door de impuls van de Woningwet veel grote opdrachten. Ze konden zo hun vormtaal verder ontwikkelen en ook het idee uitwerken om een soort ‘grachtengordel’ te creëren voor de arbeidersklasse, met een vergelijkbare monumentaliteit.
Het Schip is het meest uitgesproken ontwerp van de drie blokken, het is zelfs excentrisch te noemen met zijn asymmetrie, rondingen, bijzondere hoekoplossingen, ornamenten, gevarieerd baksteengebruik en ongewone metselverbanden. Het gebruik van dakpannen als versiering op rechte wanden is eveneens opvallend. Op dagen dat de zon schijnt geven licht- en schaduwwerking op het gebouw elke minuut andere effecten. De Klerk speelde met het licht, hij wilde de grauwheid doorbreken die arbeiderswijken doorgaans kenmerkte. Hij staat dan ook bekend als de Rembrandt onder de architecten.

De ideale vorm
Wat is nu precies de succesformule van het museum? “‘Arbeiderspaleis Het Schip’ blijkt zeer goed te communiceren naar diverse bevolkingsgroepen, van kleuters tot buitenlandse architectuurstudenten”, concludeert Roegholt. De grote aantrekkingskracht ervan is dat een bezoeker zich in de échte, nog steeds bestaande werkelijkheid bevindt. Niet alleen binnen, maar ook buiten, gewoon op straat. Dat is nog effectiever dan een openluchtmuseum, omdat er niets is nagebouwd – op de inrichting van de museumwoning na. Een multimediaal museum in de meest ideale vorm dus. Ook de veelzijdigheid van de objecten is een sterk punt: het gaat hier niet alleen over gebouwen, maar ook over vormgeving, binnenhuisarchitectuur, de leefomstandigheden van de arbeidersklasse, het gedachtegoed achter de volkshuisvesting. Daardoor valt in feite de hele sociale geschiedenis van Nederland in de 19de en 20ste eeuw te belichten.
De komende jaren gaat het museum nog verder uitbreiden. In het gebouw komt een andere ruimte vrij. Basisschool Catamaran, die er nu gevestigd is, zal verhuizen naar een gebouw in de Houthavens, waar een nieuwe woonwijk verrijst. Het schoolgebouw stond er trouwens al toen De Klerk Het Schip er ingenieus omheen bouwde en de voorgevel aanpaste. Daar zullen diverse stijlkamers van De Klerk en andere architecten van de Amsterdamse School ingericht worden. De openluchtexpositie van straatmeubilair komt op de speelplaats in het binnenhof.
De medewerkers van het museum zijn nog hard bezig de financiering rond te krijgen. Met diverse subsidiegevers en particuliere bijdragen zal dat hopelijk gaan lukken. Directeur Roegholt: “Subsidiegevers eisen de laatste jaren steeds vaker ook een percentage aan bijdragen uit de particuliere sector. Daarom zijn we een goededoelenstichting geworden. In 2011 mag iedereen ons een belastingvrij cadeautje geven voor onze tiende verjaardag.” In 2014 gaat de ruimte open als nieuwe uitbreiding van het museum. Daarmee wordt Het Schip een volwaardig museum van de Amsterdamse School.