Nummer 4: April 2002



Tulpen uit Amsterdam

“Alleen vrolijke Amsterdammer koopt bloemen”

Tekst: Roelie Meijer

“Als de lente komt, dan stuur ik jou tulpen uit Amsterdam”, zong Herman Emmink in 1956 en die (oospronkelijk Duitse) tekst weerspiegelt een deel van het internationale imago van onze stad. Want Amsterdam geldt niet alleen als de stad van Rembrandt, Cruijff, seks en drugs en Rock & Roll. “De hele wereld ziet Amsterdam als bloemenstad,” zegt arrangeur Johan Weisz, die onlangs Beurs en Nieuwe Kerk mocht versieren voor de bruiloft van Willem-Alexander en Maximá.

Van 6 april tot en met 20 oktober staat de Amsterdamse regio weer in de belangstelling van bloemenliefhebbers uit het hele land en ver daar buiten: dan vindt de vijfde Floriade plaats. Weliswaar in de Haarlemmermeer, maar dat is (zeker in de ogen van buitenlanders) gewoon de achtertuin van Amsterdam. Net als de Bollenstreek en de Aalsmeerse bloemenveiling. De Floriade-traditie is bovendien des te hechter aan Amsterdam verbonden, omdat ook de tweede (1972) en de derde Floriade (1982) in de Amsterdamse regio plaatsvonden, ja zelfs keurig binnen de stadsgrenzen: Amsterdam heeft daar het Amstelpark en het Gaasperplaspark aan te danken. Deze grote evenementen gaven een extra impuls aan de bloemrijke reputatie van Amsterdam

Amsterdammers hebben niet altijd die hang naar natuur gehad. Zolang een mens omringd is door sloten en weilanden, is er immers geen noodzaak om het landschap te verheerlijken. Dat veranderde hier toen in de 17de eeuw de stad zich sterk uitbreidde: leven tussen het groen werd een luxe. In 1669 schreef Jan van der Groen in een verhandeling over Den Nederlantsen hovenier dat “den Hof-bouw en ’t buytenleven naer ’t seggen van veel geleerden, het vermakelijkste, voordeelighste, gesontste, ja menighmael ook wel het salighste leven is dat men sou kunnen wenschen”. Dat gold volgens Van der Groen speciaal voor diegene die “aan geen beroep in de steden vast gebonden is”.

Zomerverblijf buiten de stad

In zijn tijd bezat 41% van de Amsterdamse notabelen een buitenplaats of een hofstede, waar het tuinieren met grote hartstocht werd bedreven. In de eerste helft van de 18de eeuw had zeker 80% van de rijke kooplieden en bestuurders een tweede huis buiten de stad. De trekschuit vervoerde het hele gezin met huisraad en kleding naar het zomerverblijf in de Watergraafsmeer, aan de Vecht of aan de Amstel en in het najaar keerde men naar Amsterdam terug.

Je kon vanaf ongeveer 1620 bijna spreken van een toeristische mode. Op mooie zondagen trokken Amsterdammers er op uit. Wandelend onder de statige bomen van de Middelwegh of Muiderstraet in de Nieuwe Plantage of een eind langs de Amsteldijk. Of per rijtuig naar de vele pleziertuinen van de Watergraafsmeer. Ook de omgeving van Haarlem was in trek; in de comfortabele trekschuit was het drie uur varen naar Haarlem, met een overstap in Halfweg. In de vele reisgidsen uit die tijd wordt aanbevolen om plaats te nemen op het dek: “Gij kunt dan het ruime gezigt naar alle kanten beter genieten.”

Het tuinieren als liefhebberij werd al vroeg ernstig genomen, want de tuinen moesten natuurlijk ware paradijsjes worden. Een al snel populaire bloem was de tulp. De ‘herentuinders’ rond Amsterdam ontdekten de tulp omstreeks 1600, een halve eeuw na de Italianen en de Spanjaarden. In Turkije was de tulp (‘tulipan’) het symbool van de volmaakte liefde en de wilde bloembol uit de bergen werd er al eeuwenlang als tuinplant gekweekt. Amsterdamse kooplieden kochten hun eerste partij tulpen in Konstantinopel en zij zijn, net als botanici van de hortus, met grote toewijding gaan experimenteren. Emmanuel Sweerts verkocht in 1612 in Amsterdam al honderd variëteiten. De meest kostbare was de rood gevlamde witte tulp Semper Augustus: daar betaalde de kenner zonder blikken of blozen rustig zo’n duizend gulden voor. Adriaan Pauw, pensionaris van Amsterdam, pootte in 1633 bedden vol tulpen in de vruchtbare grond van zijn nieuwe buitenplaats in Heemstede. Hij kweekte als amateur-botanicus een nieuwe rood-wit gestreepte hybride.

Intussen had een nieuwe generatie beroepskwekers de handel overgenomen en de tulp werd populair bij het grote publiek, dat door loonstijgingen meer geld had voor luxe aankopen. De vraag steeg zo absurd snel dat deze het aanbod vele malen overtrof en binnen enkele jaren stegen de prijzen de pan uit. De prijs voor de tulp Gouda steeg in snel tempo van dertig stuiver naar drie gulden, voor de zeldzamer Scipio moest men plotseling 2200 gulden betalen in plaats van 800. En doordat er ineens zulke hoge prijzen gevraagd konden worden, storten steeds meer kooplieden zich op de tulpenhandel.

Er was een ware tulpenkoorts uitgebroken. Tal van Amsterdammers moesten en zouden – ongeacht de prijs – zo’n bloembol in hun bezit krijgen. Veel handwerkslieden, schippers, molenaars en handelaren betaalden in natura voor tulpen die nog geleverd moesten worden. Een Semper Augustus-bol met een gewicht van zo’n tien gram werd verkocht voor een koets met een span appelschimmels, plus 4600 gulden in baar geld. Men kleedde zich letterlijk uit om in het bezit te komen van een veel begeerde tulp, die mogelijk winst zou opleveren. Voor een bloeiende tulp met de naam Viceroy werd, terwijl hij nog in de grond zat, een pak en een jas ingeleverd met de schriftelijke belofte 1000 gulden te betalen bij aflevering. De schilder Jan van Goyen (1596-1656) stierf als een berooid man, omdat hij vlak voor de hele windhandel in elkaar stortte nog in ruil voor twee schilderijen en een bedrag van 1900 gulden tien bloembollen had gekocht.

Echte liefhebbers bemoeiden zich niet met de tulpomanie. Vooruitlopend op overheidsingrijpen waren het de kwekers die op 24 februari 1637 in Amsterdam bij elkaar kwamen om een eind te maken aan de windhandel. Toen een eeuw later eenzelfde hype dreigde met de hyacint, verschenen meteen spotprenten die herinnerden aan het tulpomanie-fiasco. Kennelijk met succes, want de handel zakte snel in.

Bloemenmarkt van Nieuwezijds naar Singel

Een ideale plek voor ‘rentenierende’ Amsterdammers en tuindersbedrijven was al snel de in de 17de eeuw tot drie keer toe drooggemalen Watergrafts- of Diemermeer, een gebied groter dan de toenmalige Amsterdamse binnenstad. Tuinders en kwekers vestigden zich ook in ander jong polderland rond Amsterdam.

De Amsterdamse stedeling was dol op tuinaanleg en kon vanaf 1650 naar de bomenmarkt op de Nieuwezijds Voorburgwal, achter het Weeshuis. De schuiten met jonge bomen en struiken uit het veengebied bij Boskoop, Alkmaar en Beverwijk meerden wekelijks af in de buurt van de Goudse veerdienst. De bloemenmarkt werd aan de overkant gehouden, achter het stadhuis dat in 1808 werd omgedoopt in Koninklijk Paleis. Er was een enorm groot aanbod aan bloemen, bloembollen en zaden, vooral afkomstig uit het toen al internationaal bekende bloemkwekersgebied tussen Noordwijk, Noordwijkerhout, Rijnsburg, Warmond en Aalsmeer.

De hoveniers uit Hillegom en Rijnsburg hadden van het gemeentebestuur tevens toestemming gekregen om geneeskrachtige kruiden te verhandelen bij de Nieuwmarkt. Ze konden hun platte schuiten afmeren aan het begin van de Kloveniersburgwal. Daar vestigde zich dan ook de nog steeds bestaande kruidenwinkel van Jacob Hooy, in 1743 begonnen als kraampje op de Nieuwmarkt.

In 1862, toen er al gepraat werd over demping van de Nieuwezijds Voorburgwal, verplaatsten de bomen- en bloemenmarkten zich naar de huidige plek bij de Munt, op het stuk van de Singel dat nog korte tijd Koningsgracht werd genoemd. In die tijd werden ook de eerste bloemenwinkels in de stad geopend. De beroemdste werd de nog steeds bestaande Flowershop Ivy, geopend in 1898 in de Utrechtestraat en in 1901 verhuisd naar het Leidseplein. Ivy speelde een belangrijke rol in de introductie van een nieuwe mode: losse boeketten van langstelige snijbloemen, in plaats van stijve bloemstukjes.

Waar haalden de handelaren intussen hun bloemen vandaan? Tegen het eind van de 19de eeuw concentreerde de bloementeelt zich in de omgeving van Aalsmeer, dat tot de drooglegging van de Haarlemmermeer in 1848-1852 nog vooral een vissersdorp was. In 1912 worden in Aalsmeer twee grote bloemenveilingen opgericht, die in 1972 zouden samengaan. Maar er waren ook nog steeds kleine kwekerijen rondom de grote stad die rechtstreeks leverden aan Amsterdamse handelaren.

Een anjer voor de prins

Bloemengrossier Ton de Jeu begon in 1959 als ‘lijnrijder’. Hij kwam met een zogenaamde luikenwagen voorrijden bij de Amsterdamse bloemenwinkeliers. In 1977 openden Ton de Jeu en zijn vrouw Emmy het eerste bloemenafhaalcentrum van Nederland in de Nicolaas Beetsstraat, een zijstraat van de Kinkerstraat. Emmy zegt: “Niet meer dan 70 m2, maar meteen een groot succes. De bloemen waren direct na de veiling beschikbaar voor de winkelier, die in eigen tijd langs kon komen.”

De Jeu had altijd een kwekerij in Sloten, maar in 1986 kocht de gemeente Amsterdam hem uit ten behoeve van het Olympisch dorp. Een jaar later opende hij aan de Osdorperweg een Cash & Carry voor bloemen. Dat was ook een nieuw fenomeen. Emmy de Jeu zegt: “De mensen stonden er eerst nogal wantrouwig tegenover. Vroeger hadden ze alleen met de grossier te maken en nu kwamen ze ook de concurrent tegen.” De zaak trekt nu drie- tot vierhonderd klanten die wekelijks meerdere keren komen en de keuze hebben uit het bloemenaanbod van drie veilingen. De bloemen staan deels uitgestald en deels in de koelcel, opdat de handelswaar zo lang mogelijk houdbaar is. Als extra service biedt de zaak van De Jeu papier en vazen en een kleine machine voor het bedrukken van graflinten.

Is er toekomst voor het bloemenvak? “Je merkt dat de bloemenwinkel het steeds moeilijker heeft, omdat de prijzen nauwelijks zijn gestegen. Er moet meer worden omgezet dan voorheen. De consument verwacht dat een boeket niet veel meer dan tien tot vijftien euro kost. Daar ben je toch een half uur mee bezig. Reëler zou 25 euro zijn, maar veel mensen vinden dat te veel geld voor een boeket.”

Het publiek is veranderd, meent Emmy de Jeu. “De 20- tot 35-jarigen is een moeilijke groep voor bloemen. Het zijn tweeverdieners met een drukke agenda. Die kopen geen bloemen voor eigen gebruik, alleen om cadeau te geven. Bij 50-plussers zijn er veel meer aankoopmomenten. Er is ook een afname op de markt, waar per traditie veel ‘mono-boeketten’ werden verkocht. De marktkoopman moet het hebben van omzetsnelheid. Hij moet de bossen bij wijze van spreken uitdelen. We willen ons in onze promotie meer gaan richten op een ander publiek, op allochtonen.”

Emmy is een rechtgeaarde bestuurder en zit behalve bij het Bloembureau ook in de landelijke werkgroep Cash & Carry. Trends worden belangrijker in bloemsierkunst. “Na de monobossen kwam Biedermeier, ton sur ton. Jolina en haar zonen waren in de jaren 70 vernieuwend bezig met eigen publiciteit. Planten in accu-bakken. Veel bloemisten zochten extra inkomsten met huisdecoratie. Ik denk dat er meer kunstenaarsschap is vereist. Maar niet iedere bloemist kan of wil dat doorberekenen.”

Hoe zat het met de anjer? Emmy de Jeu zegt: “Ja, Ivy is hofleverancier en wij zorgden dat hij wekelijks bloemen had voor de bestelling van prins Bernhard: Elke week twintig witte anjers van de beste kwaliteit, twintig witte roosjes en vijf bossen witte fresia’s.”

Een gouden randje

Arrangeur Johan Weisz heeft vier Floriades meegemaakt maar laat de vijfde Floriade over aan een nieuwe generatie. Hij zal alleen als keurmeester optreden. Tien jaar geleden verkocht hij zijn tentoonstellingsbedrijf en bloemenwinkel René in de Zeilstraat. “Ik wilde in Zuid-Frankrijk wonen en een boek schrijven, maar na een paar maanden werd ik ziek van mezelf. Nu heb ik heel veel werk in het bloemenvak. En ik maak samen met Bob Entrop dertien films over de sierteelt sector, waarin het hele verhaal over veredeling en vermeerdering wordt verteld. Over de breedte en de diepte van het assortiment. Er zitten overal in Nederland bedrijven die veredelen, vermeerderen en klonen, die van één plant 60.000 stuks maken. Wat beweegt die mensen?”

Kwekers zijn zich volgens Weisz heel bewust van hun verantwoordelijkheid. Ze zijn heel erg met milieu bezig. Telers wisselen gegevens uit over de beperking van meststoffen en vertellen elkaar hoe ze beter kunnen produceren. De helft van alle bloemen die geveild worden heeft ook al een milieu-certificaat. “Ik ken een rozenkweker, die een keer per week met zijn tweede keus rozen naar Blijdorp in Rotterdam gaat en daar die rozen met stekels en al aan de aapjes voert. Ze eten alles op. Onder de bast zit een stof die goed is voor hun spijsvertering.”

Ook de traditionale bloemist in Amsterdam en elders is volgens Weisz zijn bakens aan het verzetten. Vier keer per jaar presenteert Lidewij Edelkoort samen met een trendteam, waartoe ook Johan Weisz behoort, de nieuwe trends op stylinggebied. De mode in bloemen verandert snel.

“Er was een tijd dat alles in een serie van vier werd neergezet. Vier vaasjes met een enkele bloem. Of hele hoge vazen met een plant er in. Dat is allemaal al weer voorbij. Dit voorjaar is er een trend met frisse Europese folklore, veldboeketten, boerse elementen, compacte combinaties of elegante boeketten. Het is een handvat dat in binnen- en buitenland wordt gepre­senteerd. Nederland, België en Duitsland zijn op dit gebied voortrekkers in Europa. Op verzoek geven we namens het Bloembureau Nederland demonstraties tot in Vilnis en Moskou. Dat is leuk werk.”

Nederland neemt wat bloemen betreft een absolute toppositie in, zegt Johan Weisz. “We hebben niet allen onze eigen productie, maar zijn ook een draaipunt in de wereldhandel. In landen als Peru, Equador, Colombia en in Oost Afrika worden bloemen gekweekt met een uitstekende kwaliteit. Veel licht, niet te warm, kortom gematigde omstandigheden. Via Nederland gaat die bloemen de hele wereld over. Er is een fantastisch logistiek systeem. Snelheid is essentieel voor bloemen. Wat ’s morgensvroeg wordt geveild, is met koelwagens of per vliegtuig binnen een dagdeel op de plaats van bestemming. Geconditioneerd, goed verpakt, niet meer in dozen vervoerd maar op water met snijbloemenvoedsel, zodat ze veel langer meegaan.”

Johan Weisz is 45 jaar geleden begonnen als fietsjongen bij een bloemist in Apeldoorn. “Ik was voorbestemd om de tradities van mijn volk voort te zetten. Ik zou bassist worden in het orkest van de Miranda maar als enige van de familie heb ik dat doorbroken. Ik ben ook getrouwd met een Nederlands meisje. Maar ik doe veel voor de gemeenschap. Eens zal ik een boek schrijven over de Sinti.

Weisz leerde bloemschikken in de oranjerie van Paleis het Loo, bezocht de avondschool en de tuinbouwschool en alle cursussen om in de tuinarchitectuur verder te gaan. In 1959 leerde hij de bekende arrangeur George Kiers in Amsterdam kennen en een jaar later mocht hij meelopen bij de eerste Floriade in Rotterdam. ‘Het was een geweldige ervaring. Ik ben bij hem gebleven tot hij zich terugtrok en toen heb ik zijn winkel in de Zeilstraat overgenomen. Ik won een groot aantal wedstrijden in binnen- en buitenland, werkte voor bloemcorso’s en tentoonstellingen. Ik ben net geen wereldkampioen geworden, maar was wel de jongste arrangeur die op de London Shelsea Flowershow in de prijzen viel.

Het huwelijk

Weisz, die ook de versiering bij het huwelijk van Constantijn heeft verzorgd, werd uitgenodigd voor ‘het huwelijk’ van Alexander en Maxima. Hij zegt: “Ja, dat was een opdracht met een gouden randje. Ik bedoel, ze kiezen geen sufferd uit, je moet je sporen verdiend hebben. En werken voor het hof is toch bijzonder. Dit huwelijk in Amsterdam is een gigantische hype geworden. De overheid bemoeide zich met letterlijk alles, want er mocht niets mis gaan. Iedereen was enorm gestressed, ook de 30 medewerkers, allemaal topbloemisten uit het hele land. Men denkt dat ik de rust zelve ben, maar ze begrijpen er geen moer van. Als ik iets zou laten blijken, werkt het door op je mensen.

Ik ben gekozen op grond van artistieke en organisatorische kwaliteiten. Ik heb een ontwerp naar het hof gestuurd en dat is zonder slag of stoot geaccepteerd. Toen heb ik de kerk en de Beurs met Maxima bekeken. Ze had heel duidelijke ideeën die sfeerbepalend waren. Klassiek-barok. Zij zei: witte bloemen en ik zei groen en een beetje crème bij het koorhek dat zo’n mooie gouden glans heeft. Op de panelen van de herenbanken heb ik stillevens van 800 witte orchideeën gemaakt. De Beurs is architectonisch een prachtig gebouw en daar koos ik voor een modern arrangement waarin 3500 hyacinten zijn verwerkt.In de Nieuwe kerk heb ik heel bewust bepaalde geurende bloemen gekozen, hyacinten, lelietjes der dalen en lathyrus. je moet de dosering in de gaten houden. het mag niet overheersend worden.”

Het is een vermoeiend vak, zegt Johan Weisz, die in het vak bekend staat als een modernist maar eigenlijk het meest van grote transparante, romantische boeketten houdt. Hij zegt: “Je moet bereid zijn lange uren te maken, vaak dagen van twaalf uur. Sommigen bloemisten staan om vijf uur op om naar de veiling te gaan, zijn om negen uur in hun winkel voor bestel­lingen en boeketten maken. Ze staan urenlang achter hun binderijtafel. Persoonlijk heb ik de contacten met de Amsterdamse klanten altijd leuk gevonden. Kopers van bloemen zijn vrolijk gestemd. Er komt niemand met de pest in bloemen kopen.”

R. Meijer is freelance journaliste