Nummer 9: September 2007



Franse filmhaan debuteerde in Kalverstraat
De eerste Amsterdam Pathé-bioscoop
Tekst: Ivo Blom & Stefan Stok

092007_PatheSinds 1995 is Pathé Theatres het grootste bioscoopconcern van Nederland. Weinig mensen weten dat bijna een eeuw geleden al de eerste Amsterdamse Pathé-bioscoop werd geopend in de Kalverstraat. Hoe zag het gebouw er uit, wie was de architect en welke films waren er te zien?


Algemeen Handelsblad, 15 juli 1911: 'In 't hartje van de stad, in perceel Kalverstraat 122, is gisteravond een Bioscoop-theater geopend onder een zeer groote belangstelling van vele genoodigden die het keurige zaaltje en het ruime balcon geheel vulden. Zooals het programma vermeldt, zullen in het Theater Pathé voorstellingen worden gegeven van des middags half drie tot 's avonds elf uur. De openingsvoorstelling gisteren droeg een eenigszins fees¬telijk karakter. Bloemstukken versierden de vestibule, het orkest speelde de Nederlandsche en Fransche volksliederen en het programma muntte uit door vele rijke beelden.' Een dag eerder was de nieuwe Pathé-bioscoop geopend, de eerste bioscoop in de Kalverstraat. Op het programma stond het Pathé-bioscoopjournaal, een documentaire en korte drama’s en komedies, zoals men dat ook in andere bioscopen kon zien. Bij Pathé was in tegenstelling tot veel andere Amsterdamse bioscopen begin jaren tien geen explicateur te zien en te horen, alleen een klein orkestje onder leiding van N. Snoeck.

Van Hôtel de France tot Theater Pathé
Aan het begin van de twintigste eeuw was de Franse firma Pathé Frères (1896) niet alleen een van de belangrijkste producenten van muziek en bijbehorende afspeelapparatuur, het was ook de eerste multinational van de filmwereld, ver vóór Hollywood. In de hele wereld opende het Franse bedrijf verkoopkantoren voor de Pathéfoons, de Pathé-grammofoonplaten, de Pathé-projectoren en de Pathé-films. Het Amsterdamse filiaal begon in Leidsestraat 11 in december 1905 en verhuisde later naar Reguliersbreestraat 43. Driekwart van de films die destijds in reisbioscopen, variététheaters, gehuurde zalen of de vroegste bioscopen draaide, waren de drama’s, komedies, sprookjes en actualiteitenfilms van Pathé. Het bedrijf opende naast de grote studio’s in Parijs ook kleinere studio’s in onder andere Rusland, Italië en de Verenigde Staten. De firma met, ook toen al, de bekende haan als embleem stimuleerde zelf ook de overgang naar vaste bioscopen door filmverhuur te introduceren en door zelf vaste bioscopen te bouwen. Door de hele wereld verschenen bioscopen met de naam Pathé. Overigens waren die niet allemaal eigendom van de firma en duidde de naam dan alleen op het exclusieve Pathé-aanbod. Amsterdam werd na jaren van voorbereiding, via exclusieve Pathé-filmshows in onder meer het Grand Theater en het Paleis voor Volksvlijt, rijp gemaakt voor de eerste hoofdstedelijke Pathé-bioscoop.
De architect van Theater Pathé was Evert Breman (1859-1926). Hij was ook ontwerper van het Rembrandt Theater aan het Rembrandtplein, het Lloyd Hotel en het Lloydgebouw aan de Martelarengracht (later gebouw van het Kadaster). Sinds 1885 werkte hij in Amsterdam, eerst als assistent van de bekende A.L. van Gendt, architect van onder meer het Concertgebouw en de Hollandse Manege, sinds 1895 zelfstandig. Naast winkelpanden, woonhuizen, stadsvilla’s en kantoren ontwierp Breman ook theaters en bioscopen.
Het pand van Theater Pathé was al in 1854 gebouwd als concertzaal Diligentia en was later een café-chantant geworden. Voordat Evert Breman er een bioscoop van maakte heette het Hôtel de France. Het Hôtel de France had bestaan uit een café-restaurant met leeszaal en buffet dat uitmondde in een overdekte wintertuin. Daarachter lag de iets hoger gelegen biljartzaal. Breman verbouwde het pand in bijna zes maanden tot een bioscooptheater met bijna 500 zitplaatsen. Het omvatte een bioscoopzaal met stalles en parket en een balkon met zitplaatsen en loges. Breman vergrootte de wintertuin met een groot gedeelte van de biljartzaal tot bioscoopzaal. De huidige gevelpartij boven de ingang aan de Kalverstraat zal waarschijnlijk nog dateren uit de periode van het voormalige Hôtel de France en was vroeger rijk gedecoreerd. Boven de ingang was een eenvoudige glazen luifel zichtbaar met houten ombouw en de opschriften ‘Théâtre Pathé’ en ‘122’. Onder de luifel, mogelijk ontworpen door Breman, was er ruimte voor reclame, zoals foto’s van Theater Pathé laten zien.

Franse notabelen en het vervloekte geld
Kort na 1920 werd de filmafdeling van Pathé gesplitst van de muziekafdeling en geleid door twee jeugdvrienden, L. Infroit en Louis Justet. Toen Infroit in 1913 naar het Russische filiaal van Pathé in Sint-Petersburg vertrok, nam Louis Justet zowel de filmverhuur als de bioscoop over. Hij opende een kantoor aan Raadhuisstraat 42, wat tevens woonhuis, laboratorium, showroom, projectie- en inpakruimte was. Samen met de Franse consul en de Amsterdamse directeuren van Citroën, Peugeot en Renault behoorde Justet tot de Franse notabelen van de stad, herinnerde Justets dochter Lili Debs-Justet zich een halve eeuw later. Toen zij oud genoeg was, mocht ze de tussentitels van het Frans naar het Nederlands vertalen: “Toen ik van mijn Engelse kostschool af kwam, zei mijn vader dat ik vanaf het begin het vak moest leren. Dat betekende: inpakken, verzenden, en ook titels maken (op proef dan wel) en vertalen. De teksten werden wel altijd door een leraar Nederlands herlezen en verbeterd. Voor een kleine film deed ik de vertaling en kreeg de correctie van de professeur terug: maar drie fouten! Ik was zo trots als een heer! Dat was voor mij fenomenaal!"
In de bioscoop werden uitsluitend Pathé-films vertoond. In de vroegste jaren waren nationale of lokale actualiteiten populair zoals die van koninklijke visites, de Balkanoorlog en met name voetbal: beelden van jaarlijkse duel Holland-België waren grote hits. Cameraman Herman van Luijnen maakte lokale opnames voor Pathé en monteerde ze in de vanuit Parijs opgestuurde journaals. In 1912 werden er ook Nederlandse drama’s en komedies gelanceerd. De Franse cineast Alfred Machin had deze de herfst daarvoor in en rond Volendam opgenomen voor het Pathé-filiaal De Hollandsche Film. Lili Debs-Justet herinnerde zich Machin als een kleurrijke figuur, die jarenlang in de tropen had gezeten en met zijn panter Mimir in Amsterdam uit wandelen ging. De eerste film van Machins (uitgebracht op 26 januari 1912) was het vissersdrama Het vervloekte geld (L’ôr qui brûle). De grote toneelacteur Louis Bouwmeester speelde de dronkaard die zijn gezin verwaarloost en op het slechte pad raakt. Zodra de lange film rond 1910-1911 internationaal doorbrak, profileerde Pathé zich met verfilmingen van populaire, Franse romans. In 1911 was dat bijvoorbeeld de film Nôtre-Dame-de-Paris (De klokkenluider van de Notre-Dame), naar Victor Hugo.

‘Germaniakken’, Amerikaanse serial queens en Franse moeders
Toen de oorlog in de zomer van 1914 uitbrak, raakte de Franse filmindustrie in het slop. Door de Duitse bezetting van België kreeg de Pathé-bioscoop geen nieuwe films meer en moest ouder werk programmeren. Pathé Frères was actief betrokken bij de oorlog. Al vanaf augustus 1914 verschenen speciale oorlogsjournaals bij Pathé. De Telegraaf stak tijdens de Eerste Wereldoorlog zijn pro-Franse gevoelens niet onder stoelen of banken ondanks de in Nederland door de overheid gedicteerde neutraliteit. De krant ondersteunde de uitingen van pro-Franse emoties in de Pathé-bioscoop. Over een voorstelling van 15 juni 1915: “De Germaniakken die thans het Theater Pathé bezoeken zullen hun reuzel dienen op te eten, want de groote Pathé-Courantfilm, die er deze week loopt, is een uitsluitend-Fransche. [...] Dan applaudisseeren de menschen in de zaal. Zooals ze het doen als [generaal] Joffre met zijn braven, goedigen, witten kop op ’t doek verschijnt. Ja, aan de directie ligt het niet: die verzoekt dringend of we ons alsjeblieft van allerlei betoogingen willen onthouden. Maar doet er eens wat tegen!” 1916 is het jaar van de verschrikkelijke slag bij de Somme, waarvan de Britten, de Fransen en de Duitsers ieder hun eigen verfilming maakten. De Franse versie La bataille de la Somme werd tussen 20 en 24 juli 1916 bij Pathé vertoond en opnieuw op 2 en 3 augustus, vaak samen met de Amerikaanse propagandafilm Fighting for Verdun, een oproep aan de Amerikanen om hun neutraliteit los te laten. Steeds was de hoofdilm een speelfilm, maar het publiek liep vooral warm voor de oorlogsbeelden. Na de vertoning van de Britse Battle of the Somme was de piek in de voorliefde voor oorlogsbeelden echter bereikt. In 1916 veranderde de programmering van de Pathé-bioscoop dan ook ingrijpend. Vanaf 10 november was wekelijks de Amerikaanse Pathé-seriefilm De Avonturen van Elaine (The Perils of Pauline) met Pearl White te zien en was een groot succes. Vanaf dat moment waren de Amerikaanse misdaadserials een vast onderdeel in de programmering en bepaalde jarenlang het imago van de bioscoop. Serial queens als Pearl White, Ruth Roland, Grace Cunard en Marie Walcamp waren bij het publiek populair, maar de filmrecensenten haalden er hun neus voor op. Het Handelsblad schreef op 9 september 1917: “Nu de wereldoorlog bij ons in het stadium is gekomen van broodkaarten en kolennood, hebben de oorlogsfilms veel van hun actualiteit verloren. De dagen, dat in het Theater Pathé een enthousiast publiek keek naar de zegevierende Fransche troepen van Verdun en luisterde naar de tonen van den prachtigen marsch “Sambre et Meuse”, zijn al lang geleden. Als thans het Hollandsche publiek over den oorlog praat, praat het meestal over den vrede, die nog altijd niet komen wil.“ Toch ging drie weken later de propagandafilm Mères françaises (Fransche moeders) met theatervedette Sarah Bernhardt in première bij Pathé en werd warm begroet. De consuls en vice-consuls van België, Amerika en Frankrijk woonden de première bij, naast diverse kunstenaars, journalisten en Franse notabelen. Fransche moeders bleek echter een intermezzo tussen de Amerikaanse serials, die ook na de Eerste Wereldoorlog regelmatig het scherm vulden.

Terug van weggeweest
In 1923, het laatste jaar van Theater Pathé, was de programmering niet langer uitsluitend Frans. Ook Duitse en Oostenrijkse films werden vertoond als Sodom und Gomorrha van Mihael Kertesz (de latere Michael Curtiz) en de expressionistische film Raskolnikow van Robert Wiene. De laatste film in Pathé was een Brits-Nederlandse coproductie: Bulldog Drummond, vertoond onder de titel Het geheimzinnig sanatorium. Hij werd door De Telegraaf als een niemendalletje beschouwd en was al maanden eerder in Rotterdam in Tuschinski’s bioscoop Olympia première gegaan. Het was een van de laatste producties van de wegkwijnende filmstudio Hollandia. Producent Maurits Binger overleed in 1923, waarna de firma werd failliet verklaard. Ook Theater Pathé kwam aan zijn eind. De Franse studio’s Pathé en Gaumont waren nagenoeg gestopt met filmproductie en hielden zich nog alleen bezig met distributie en bioscoopexploitatie. In Nederland was onder leiding van Abraham Tuschinski een nieuwe generatie bioscoopexploitanten ontstaan die zich met Nederlandse filmverhuurders als Loet Barnstijn had verenigd in de Nederlandse Bioscoopbond (NBB). De NBB zou tot en met de jaren zeventig de Nederlandse bioscoopexploitatie bepalen, ook in Amsterdam. Louis Justet verkocht zijn bioscoop in 1923 en richtte zich voortaan op de huiskamerbioscoop, middels onbrandbare film van de afwijkende formaten 28 mm (Pathé Kok) en 9,5 mm (Pathé Baby). De exploitatie van Theater Pathé ging over in handen van W.H. Siehl, directeur van het Cabaret-Variété Grand Gala, maar diens variétévoorstellingen waren geen groot succes. Beter werkte de Corso Cinema die 11 april 1925 opende en radicaal was verbouwd door architect Gerard F. Mastenbroek. Na juli 1930 werd Corso toegevoegd aan Cinema Royal NV, de keten van de bioscopen Royal, Luxor en Scala, en bleef tot eind 1979 bestaan. In het pand zat jarenlang De Visscher Seafood, nu zit er herenmodezaak The Sting. Het pand staat inmiddels op de gemeentelijke monumentenlijst.
In de jaren negentig kwam Pathé weer terug naar Amsterdam. In 1992 kocht Jerome Seydoux namelijk namens de groep Chargeurs het Franse bedrijf Pathé. Seydoux’ broer Nicolas had al in 1975 de oude rivaal Gaumont overgenomen. Sinds 2001 zijn Pathé en Gaumont verenigd in het bedrijf Europalaces (2001), die alle Pathé- en Gaumont-bioscopen in Frankrijk, Zwitserland en Nederland beheert. In 1995 nam Pathé de Nederlandse bioscopen van Cannon/MGM over, waartoe Tuschinski en City behoorden, evenals Alfa, Alhambra, Cinema International en Bellevue Cinerama. De laatste vier werden afgestoten. Pathé investeerde daartegenover in nieuwbouw van multiplexen in Zuid-Oost en het Centrum - Pathé Arena en Pathé De Munt werden beide in 2000 geopend –en in de restauratie van de historische bioscopen Tuschinski en City. Pathé bezit nu 100 van de 700 bioscoopschermen in Nederland en is daarmee de grootste bioscoopexploitant van Nederland. Op het embleem van de haan na is dit echter zonder het typisch Franse karakter van de beginjaren. De Marseillaise wordt niet meer spontaan aangeheven.