Nummer 4: April 2009 - Bureau Controle

Bureau Controle
Hoe de 19de-eeuwse politie zichzelf in het gareel bracht
Tekst: Geerthe Schilder

042009_PolitieAgenten maakten lange dagen en verdienden weinig anno 1878, het jaar waarin de politie haar Bureau Controle oprichtte. Erg ingewikkeld leek hun taak niet. Ze liepen maar wat rond, bij voorkeur hun snor drukkend. Was er toch trammelant, dan sloegen ze er gewoon op los tot het weer rustig was. Wie overal faalde, kon altijd nog politieman worden. Maar tegen het eind van de eeuw, toen Amsterdam razendsnel groter en gecompliceerder werd, ontstond de behoefte aan een diender-nieuwe-stijl.

“Marcheerende met een pas van gemiddeld 0,70 meter lengte en met eene gemiddelde snelheid van 90 passen in de minuut, moet door een surveillerend dienaar in 5 minuten een afstand van 300 meter, dus in een uur 3600 meter, worden doorloopen.”
Zó nauwkeurig werd het looptempo van een surveillerend agent voorgeschreven in het Handboek voor de dienaren van policie in Amsterdam uit 1879. Voor alle duidelijkheid werd eraan toegevoegd dat dit per uur twee kilometer afstand minder was dan “wanneer hij met gewoone passen-lengte en snelheid zou hebben gemarcheerd.” Al lopend moet de agent immers ook goed opletten en soms even in actie komen.
Coauteur van het handboek was de nieuwe hoofdcommissaris van politie Pieter Willem Steenkamp, die eerder als brandweercommandant zijn organisatietalent had bewezen. Zo’n man kon Amsterdam wel gebruiken, dacht burgemeester C.J.A. den Tex, nog natrillend van alle commotie die het Kermisoproer van 1876 teweeg had gebracht. Op deze volksopstand tegen de afschaffing van de traditionele septemberkermis had de politie dermate dom gereageerd dat de zaak er alleen maar erger op werd. Er was zelfs een dode gevallen.
Steenkamp zag twee hoofddoelen: er moesten snel meer agenten komen en de discipline moest hoognodig worden hersteld. Inderdaad slaagde hij erin de jaren tachtig van de 19de eeuw in het korps te laten groeien van 400 tot 900 politiemensen. Er kwamen meer inspecteurs en een aparte recherchedienst. Daarnaast kopieerde Steenkamp van Parijs een ploegenstelsel dat inhield dat steeds eenderde van het personeel op straat liep, eenderde op het bureau was en het laatste derde deel mocht rusten, in hangmatten op de werkplek. En het was waarschijnlijk ook Steenkamp die de interne controle strakker vorm gaf. In 1878 althans wordt voor het eerst melding gemaakt van een Bureau Controle, met als taak “het bewaren van orde en tucht binnen het korps.” Deze speciale afdeling onderzocht of de agenten zich wel precies hielden aan de steeds gedetailleerdere dienstvoorschriften.
Een belangrijk deel daarvan betrof de surveillance. Behalve het tempo was ook de route strak geregeld. Uit een plattegrondje viel nauwkeurig af te lezen tot welke straathoek een surveillant op bijvoorbeeld een half uur na vertrek vanaf het bureau gevorderd moest zijn. De agenten van Bureau Controle gingen gewapend met een identiek kaartje, een dienstrooster en een horloge, controleren of hun surveillerende collega’s ergens op te betrappen waren. Begon een agent wel op tijd aan zijn ronde? Sneed hij niet een paar straten af? Bleef hij niet te lang kletsen met de kruidenier? Deed hij niet een dutje in een portiek? Niets mocht onopgemerkt blijven.

‘Politie-automaten’
Maar de agenten van Bureau Controle gingen verder dan het schaduwen van collega’s. Situaties werden ook uitgelokt om te kijken hoe de desbetreffende agent zou reageren. Zo staat er in een verslag geschreven door een controlerend agent, dat hij al;s nepinbreker verdachte bewegingen aan het slot van een deur maakte. De surveillerende agent die op dat moment, niet toevallig, langsliep zei hier niets van. Het kwam hem te staan op een berisping in zijn strafregister. Als straf moest hij extra theorielessen volgen in de strafklas. In zo’n strafregister werd per agent bijgehouden wie een berisping had gekregen en waarvoor. Een straf kon ook bestaan uit extra werkuren, extra theorielessen in het strafklasje en in het uiterste geval uiteraard ontslag. In het laatste geval was de agent in kwestie hoogstwaarschijnlijk tijdens diensttijd betrapt in de kroeg. Zeker in de jaren tachtig van de 19de eeuw was drank een groot probleem binnen het korps. In de strafklas moesten agenten buiten diensttijd om hun kennis van de politieverordeningen bijspijkeren. Het kwam vaak voor dat agenten simpelweg een overtreding niet herkenden als zich er een voordeed.
De strakke regulering en controle oogstten aanvankelijk veel lof, maar vielen niet bij iedereen in goede aarde. Commissarissen van de diverse bureaus voelden zich door het centrale controlebureau in hun autonomie bedreigd. En er was ook inhoudelijke kritiek: één dissidente commissaris noemde Steenkamps systeem zelfs “eene nieuwe machine door Edison gevonden om politie-automaten te vervaardigen.”
In ieder geval kon Steenkamps modernisering nieuwe problemen niet voorkomen. Ten dele kwam dat doordat de stad enorm snel groeide: in het laatste kwart van de 19de eeuw nam het aantal inwoners toe van 300.000 naar 500.000, onder wie veel armoedzaaiers van het platteland. Buiten de Singelgracht werd een krans van nieuwe buurten uit de grond gestampt. Het vervoer werd veel massaler en ingewikkelder. En mede door de industrialisatie groeide de sociale onrust. Er ontstond een georganiseerde arbeidersbeweging, die luidruchtig protesteerde tegen werkloosheid, honger en mensonterende huisvesting. Daarnaast waren er nog steeds uitbarstingen van spontane volkswoede, zoals het Palingoproer van 1886, dat 26 doden kostte. Ondanks alle regulering reageerde de politie steeds verkrampter. Dat was niet zo vreemd. Door het nieuwe ploegenstelsel van Steenkamp waren de arbeidstijden gruwelijk lang geworden: agenten moesten diensten draaien van 48 uur achtereen en raakten dus doodop. Inspecteurs van Bureau Controle troffen destijds dan ook regelmatig een collega aan die tijdens zijn dienst in een portiek in slaap was gevallen.
Bij de snelle personeelsuitbreiding sinds 1878 was bovendien niet erg op intellectueel niveau gelet en ook was die uitbreiding bekostigd door de salarissen minimaal te houden. Wie een beetje snugger was solliciteerde dus niet bij de politie, behalve in geval van uiterste nood. De domme dienders werden daarom door de gemiddelde Amsterdammer niet al te serieus genomen. Ze blonken niet uit in tact en beoordelingsvermogen en lieten zich makkelijk sarren (een volksvermaak op zich) - en sloegen er dan gefrustreerd op los.

Taptoe-schandaal
Dat het zo echt niet langer kon, besefte het gemeentebestuur eindelijk na een beschamend incident in 1891, dat de geschiedenis is ingegaan als het ‘Taptoe-schandaal’. Ter gelegenheid van het bezoek van de Duitse keizer werd op 1 juli ’s avonds op de Dam een Taptoe (muzikale militaire parade) gehouden. De Dam was al volgelopen met mensen. De politie kwam pas een kwartier voor aanvang aanzakken. Toen moest er nog ruimte gemaakt worden om de muziekkorpsen op te kunnen laten treden. De agenten deden dit door het publiek met de wapenstok uit elkaar te slaan. Dit leidde uiteraard tot grote paniek. De eregasten, gegoede burgers, hadden dit alles vanaf een tribune gade geslagen. Het harde optreden van de politie zorgde voor grote verontwaardiging in de stad. Er werd een onderzoek ingesteld naar hoe dit zo uit de hand kon lopen. Tijdens dit onderzoek ontkenden de ondervraagde politiefunctionarissen die tijdens de Taptoe op de Dam dienst hadden bij hoog en bij laag dat er geslagen was. Maar het links-liberale raadslid Willem Treub ontdekte dat zij dit onderling hadden afgesproken. De burgemeester verzuimde vervolgens passende maatregelen te nemen. Hiermee was het schandaal compleet. Het politieoptreden werd onderwerp van vileine spot in de razend populaire revue De Doofpot door het gezelschap van August Reyding. In de Salon des Variétés in de Amstelstraat was het stuk dat najaar wekenlang iedere avond uitverkocht en ook alle straatjongens die geen geld hadden voor theaterbezoek kenden al snel het refrein, in de revue gezongen door als domme agenten verklede acteurs:

“Pats, pats pats!
Je hakt er maar op in!
Zo rans’len wij de burgerij
heel opgeruimd van zin!”

Het Taptoe-schandaal deed de reputatie van hoofdcommissaris Steenkamp natuurlijk geen goed, In 1895 werd hij tot vertrek gedwongen en opgevolgd door de 34-jarige energieke Jacob Franken, voorheen commissaris in Maastricht. Ook hij was zeer gehecht aan strakke discipline, maar zag daarnaast in dat er vooral veel verbeterd moest worden aan de kwaliteit van de ‘dienaren der politie’. Allereerst moet hun motivatie worden verbeterd: daartoe dienden een beter salaris, maar ook een mooier en indrukwekkender uniform. En natuurlijk ook verbetering van de arbeidsomstandigheden. Meteen verkortte Franken de werktijden, van 48 tot twaalf uur achtereen. Hij verhoogde het salaris, maar wat het politiewerk vooral aantrekkelijker maakte waren de nieuwe secundaire arbeidsvoorwaarden. Agenten konden pensioen opbouwen en kregen betaald ziekteverlof in tijden dat arbeiders hier nog niet op konden rekenen. Ook hadden ze recht op gratis medische zorg voor zichzelf en hun gezin. Daarnaast werd bij het aannemen en bevorderen van personeel veel meer gelet op de intellectuele kwaliteiten en ‘beschaving’. Franken bepaalde dat inspecteurs minstens de HBS doorlopen moesten hebben. Voor het zittende personeel werden allerhande cursussen georganiseerd.

Reputatieschade
Maar regels bleven regels en aan de controle hechtte Franken minstens zoveel belang als zijn voorganger. Al reageerde hij niet alleen met straffen, maar ook met beloningen. Bijvoorbeeld als er succesvol een dief aangehouden was of bekeuringen werden uitgeschreven tegen ‘straatschenderij’. Volgens Franken moest de Amsterdamse politie zichtbaarder optreden. Er werden ook beloningen gegeven als agenten buiten Bureau Controle om elkaar op de vingers tikten. Zo kreeg een brigadier in 1896 een beloning van vijf gulden (op een salaris van ongeveer dertien gulden per week) voor het “beleidvol en flink” optreden tegen een slecht functionerende collega. De Amsterdamse politieagent lijkt nergens veilig te zijn geweest voor kritische blikken, zo blijkt uit een brief die burgemeester mr. Sjoerd Vening Meinesz hoogstpersoonlijk aan hoofdcommissaris Franken stuurde. Hij had zich geërgerd aan agenten die hij tijdens een wandeling over de Nieuwmarkt was tegengekomen. Ze liepen met hun handen in de zakken en op de rug. De hoofdcommissaris moest hier direct tegen optreden! In 1897 diende een inspecteur een klacht in nadat hij een collega in zijn vrije tijd was tegengekomen terwijl hij nog altijd zijn “uniform pantalon met rode bies” aanhad. In de kroeg nog wel. Tja, dit uniform was voor veel agenten waarschijnlijk het enige goede goed dat ze bezaten.
Naar aanleiding van het Taptoe-schandaal werd duidelijk extra gelet op hoe agenten zich gedroegen tegenover burgers. Franken wees erop dat het in het belang is van de reputatie van het gehele korps dat iedere agent zich weet in te houden: “Er doen zich nu en dan gevallen voor, waar het optreden van Agenten tegenover het publiek – zij het ook dat eene overtreding plaats grijpt – , instede van beleefdheid juist ruwheid verraadt, ja, soms niet van beleediging is vrij te pleiten. Dergelijke beambten moeten nu toch begrijpen, dat het mij ernst is te vergen, dat zij, die de uniform van het Corps dragen, dat onder mijnen bevelen is gesteld, als fatsoenlijk man optreden. Een ieder zijn in zijn belang gewaarschuwd, dat ik niet schromen zal een Voordracht tot ontslag in te dienen als het mij blijkt dat deze waarschuwing in den wind wordt geslagen en zij indachtig, dat het geheele Politie-Corps wordt aangesproken naar de onbehoorlijke handelingen door een lid van het Corps bedreven.”
Hoofdcommissaris Franken stelde hoge eigen aan zijn mensen. Maar hij kon het maken. Door zijn zorg voor het welzijn van zijn personeel en zijn consequentheid verwierf hij groot respect bij zijn ondergeschikten: hij gold als streng maar rechtvaardig.
Dinsdag 6 september 1898 moet het moment van de waarheid zijn geweest voor de hoofdcommissaris en zijn korps, maar zeker ook voor de Amsterdammers. Koningin Wilhelmina werd ingehuldigd in de Nieuwe Kerk van Amsterdam. Zeven jaar na het dramatisch verlopen Taptoe-optreden, was er opnieuw een groot evenement op de Dam. Het vorige zat bij iedereen nog vers in het geheugen en de korpsleiding besefte dat zij zich geen herhaling kon permitteren. De voorbereidingen waren dan ook minutieus. Tot op de meter nauwkeurig was vastgelegd welke agent waar kwam te staan. Ook de bereden politie, opgericht onder Franken, werd ingezet. De dag verliep vlekkeloos: een triomf voor de politie. Amsterdam haalde opgelucht adem. De smet van 1891 was eindelijk uitgewist.