Nummer 10: Oktober 2011 - Het brave broertje van Rembrandt


102011_vd_HelstBartholomeus van der Helst: begaafd schilder van de Amsterdamse elite.

Anders dan zijn tijdgenoot Rembrandt had Bartholomeus van der Helst geen
neiging tot provoceren. Hij schilderde de macht, altijd met een vleiend
penseel. Maar dat deed hij wel buitengewoon knap.

Tekst: Judith van Gent

Tientallen deftige Amsterdamse dames en heren, kinderen en families, schutterscompagnieën en regenten zijn door Bartholomeus van der Helst in een portret vereeuwigd. Zijn Schuttersmaaltijd vond men lange tijd beter dan De Nachtwacht. Maar in de 19de eeuw legde zijn meesterlijke vakmanschap het af tegen de fascinatie voor het onberekenbare genie Rembrandt. Pas recent is een herwaardering gaande.

Al vroeg in zijn loopbaan kreeg Bartholomeus van der Helst (ca. 1613-1670) belangrijke opdrachten van leden van het Amsterdamse patriciaat, zoals van de familie Bicker. Tot zijn dood bleef hij een van de meest gevraagde portretschilders van de Noordelijke Nederlanden. Waarom kozen de Amsterdamse regenten zo vaak voor hem en gingen zij niet naar een gevestigde schilder als zijn leermeester Pickenoy? Of naar Rembrandt die voor de aantrekkelijke portretmarkt naar Amsterdam was verhuisd?
Het lijkt erop dat Van der Helst met zijn levensgrote en tot in alle details zorgvuldig uitgewerkte portretten tegemoetkwam aan de vraag van de Amsterdamse elite naar gelijkende, weinig geïdealiseerde beeltenissen. Zijn werken voldeden blijkbaar aan de behoefte van de bovenlaag van de bevolking om als nuchtere burgers te worden afgebeeld, zonder dat veel van hun innerlijk naar voren kwam. Rembrandt waagde zich aan gedurfde interpretaties van opdrachten. Zoals het losjes groeperen van de schutterscompagnie van Frans Banninck Cock voor De Nachtwacht (waar de afgebeelde schutters, die soms amper te zien waren, bepaald niet blij mee waren).
Zo bont maakte Van der Helst het niet. Hij leverde kwalitatief hoogstaand werk af zonder provocerend tegen de smaakvoorkeuren van de gegoede burgerij in te gaan. Volgens kunstenaarsbiograaf Arnold Houbraken verwees tijdgenoot Govert Flinck klanten voor portretten naar hem door, onder de aanbeveling dat deze collega “hun genoegen zoude geven door zyn vleyend penceel”.

Trots met buik vooruit
Van der Helst vertrok op jonge leeftijd van zijn geboortestad Haarlem naar Amsterdam en werd daar door Nicolaes Eliasz Pickenoy tot portretschilder opgeleid. Pickenoy was op dat moment een van Amsterdams toonaangevende portrettisten. In 1636 huwde Van der Helst Anna du Pire, een meisje uit een gegoede Zuid-Nederlandse familie. Door dit huwelijk werd hij opgenomen in het netwerk van Zuid-Nederlandse immigranten in Amsterdam, in het bijzonder de Waalse gemeenschap. Zijn eerste opdracht heeft hij aan deze contacten te danken: een portret van de regenten van het Walenweeshuis uit 1637 is zijn vroegst bekende schilderij. Dit groepsportret maakte het talent van de pas 24-jarige Van der Helst meteen duidelijk. Hij betoonde zich een uitstekend portrettist die een uitgebalanceerde compositie kon opzetten.
Enkele jaren later kreeg hij de opdracht die het vervolg van zijn loopbaan zou bepalen. In het midden van de jaren dertig werd aan de pas aangelegde Nieuwe Doelenstraat een nieuw schuttershuis voor het Kloveniersgilde gebouwd. De belangrijkste portretschilders van dat moment kregen in 1639 de opdracht schuttersstukken te vervaardigen ter decoratie van de grote zaal op de eerste verdieping van deze Kloveniersdoelen. Zo schilderde Rembrandt hiervoor het imposante doek dat later bekend zou worden als De Nachtwacht.
De schutterijen – Amsterdam kende er drie: de Handboog-, Voetboog- en Kloveniersgilden – waren oorspronkelijk bedoeld om de stad te verdedigen, maar kregen steeds meer een ceremonieel karakter. Ze kwamen bijeen in de doelenhuizen, waarvan de muren voorzien werden van kostbare groepsportretten, de schuttersstukken.
Als jongste van de vijf uitgenodigde portretschilders zette Van der Helst met een schilderij van bijna acht meter breed met 31 mansportretten ten voeten uit een meesterwerk neer. Een dergelijk schuttersstuk vergde een meer dan alledaags talent. Van der Helsts opdracht was de compagnie van de jonge kapitein Roelof Bicker te schilderen voor de wand boven de schoorsteen. De kapitein staat in het midden, trots met zijn buik vooruit en de linkerarm in de zij. De naast hem afgebeelde negerjongen met een rode doek over zijn schouder dient ertoe om de gestalte van de kapitein nog eens extra te benadrukken. Met dit schilderij was Van der Helsts naam definitief gevestigd; de opdrachten uit de gelederen van de elite van Amsterdam zouden blijven komen.

Bickerse Ligue
De zo pontificaal als kapitein van de schutterij afgebeelde Roelof Bicker (1611-1656) kende Van der Helst waarschijnlijk uit het atelier van Pickenoy, die hem in 1632 al eens als vaandrig op een schuttersstuk had afgebeeld. Roelof trouwde in 1639 met de burgemeestersdochter Agatha de Vlaming van Oudtshoorn. De Delftse portretschilder Michiel van Mierevelt kreeg opdracht het jonge echtpaar te portretteren, maar overleed toen hij alleen het portret van Agatha af had. Van der Helst maakte het karwei af en schilderde in 1642 Roelof volgens dezelfde opzet, met alleen een borststuk.
Het balletje rolde verder, want daarna lieten Roelofs schoonouders zich weer op dezelfde manier vereeuwigen. Roelofs schoonvader, Dierick de Vlaming van Oudtshoorn, was sinds 1630 driemaal burgemeester van Amsterdam geweest, in 1633 tegelijk met de invloedrijke voogd van Roelof, Andries Bicker (1586-1652). De familie Bicker was in het tweede kwart van de 17de eeuw de machtigste familie van Amsterdam. De vier broers Andries, Cornelis, Jacob en Jan vormden de kern van de zogenaamde ‘Bickerse Ligue’, een netwerk van invloedrijke kooplieden en regenten die in Amsterdam zowel politiek als economisch de dienst uitmaakten. In de jaren veertig zaten niet minder dan zeven leden van de familie Bicker in de regering van Amsterdam.
Op het hoogtepunt van zijn macht wendde Andries Bicker zich in 1642 tot Van der Helst voor portretten van zichzelf, zijn vrouw Trijn Jansdr Tengnagel en hun zoon Gerard. Dat de machtige burgemeester voor zijn beeltenis – de enige die van hem is overgeleverd – de voorkeur gaf aan deze jonge schilder die pas sinds enkele jaren als zelfstandig portrettist werkzaam was, is opmerkelijk, vooral omdat er vele andere, reeds bewezen portrettisten in Amsterdam werkten. Blijkbaar waardeerde hij het portret van zijn voormalige pupil Roelof, evenals het schuttersstuk, dat waarschijnlijk vlak daarvoor voltooid was.

Symbolen van de macht
Ook na de val van het regentengeslacht Bicker in 1650 bleef Van der Helst de meest gevraagde portretschilder van het Amsterdamse patriciaat. In de jaren vijftig en zestig lijkt hij zijn top te hebben bereikt en liet iedereen die er in Amsterdam toe deed zich door hem portretteren.
Zijn beroemdste werk had hij toen al gemaakt. Medio jaren veertig had Van der Helst samen met Pickenoy en Govert Flinck de opdracht gekregen om voor de Grote Sael van de Voetboogdoelen op het Singel drie schuttersstukken te maken. Van der Helsts groepsportret De Schuttersmaaltijd gold tot in de 19de eeuw als een van de meesterwerken van de Gouden Eeuw. De hoofdpersoon op dit schilderij is kapitein Cornelis Jansz Witsen (1605-1669). Hij is temidden van zijn compagnie aan een feestmaaltijd ter ere van de Vrede van Munster geportretteerd.
De familie Bicker had Witsen altijd uit de burgemeesterskamer gehouden. Maar in de jaren vijftig was de macht van de Bickers gebroken en de politieke situatie in Amsterdam ingrijpend veranderd, en werd hij alsnog tot burgemeester gekozen. In die periode portretteerde Van der Helst hem twee keer. Eerst in 1655 als een van de overlieden van de Kloveniersdoelen. Deze overlieden beheerden de doelengebouwen van de schutterij. Zij kwamen uit de kringen van de kapiteins en werden voor het leven aangesteld. Omdat zij in de winst van de doelen deelden, was het een lucratieve functie, in trek bij (oud-)burgemeesters.
De beeltenissen bevielen Witsen kennelijk en in 1658, toen hij voor de tweede maal burgemeester werd, gaf hij hem de opdracht voor portretten van zichzelf en zijn echtgenote, Catharina Gaeff. Zoals vaker in Van der Helsts werk onderstrepen deze portretten de maatschappelijke positie van het burgemeesterspaar. Beide echtelieden zijn vereeuwigd met de stad Amsterdam als decor. Bij Witsen het IJ met het Admiraliteitsgebouw en ’s Lands Zeemagazijn als symbolen van de overzeese handel waaraan hij zijn positie ontleende; bij zijn vrouw een skyline van Amsterdam met kerktorens, blijkbaar een decor dat passend werd geacht voor een dame van Catharina’s stand.

Goed belegde boterham
Van der Helst moet het druk hebben gehad, erg druk. Uit de summiere documenten waarin prijzen worden genoemd, valt op te maken dat hij een goed belegde boterham verdiende. Zijn schilderijen brachten meer op dan die van andere portrettisten. Zo kreeg hij in 1656 f 1400,-voor een familieportret met vijf personen, terwijl Flinck van dezelfde opdrachtgever f 800,- voor vier portretten ontving. Van der Helsts portretten pronkten in de voor het bezoek toegankelijke kamers van de grachtenhuizen en zullen op die manier als een aanbeveling hebben gediend. Ook waren de doelengebouwen openbaar toegankelijk, zodat zijn groepsportretten voor iedereen te zien waren.
Van der Helst was dus in zijn eigen tijd van onomstreden statuur – zo werd zijn levensechte weergave van de menselijke huid en van allerlei stoffen geprezen. Maar daar kwam in de 19de eeuw verandering in met de opkomst van moderne kunststromingen, met name het impressionisme. Het meesterlijke vakmanschap van Van der Helst paste niet in het beeld dat men in deze tijd had van de kunstenaar als een genie. Dat was een opvatting waar de getroebleerde en tegendraadse kunstenaar Rembrandt beter bij paste. Terwijl in 18de-eeuwse kunstenaarslexica De Schuttersmaaltijd doorgaans nog als een groter meesterwerk werd gezien dan De Nachtwacht, viel Van der Helst in de 19de eeuw van zijn voetstuk.
Inmiddels zijn wij weer ruim een eeuw verder en is een herwaardering ontstaan voor zijn uitzonderlijke schilderkunstige kwaliteiten. Zeker, Bartholomeus van der Helst was een schilder van de macht, met een penseel waarmee hij de Amsterdamse elite vleiend vereeuwigde, precies zoals zij het graag zagen – maar hij deed dat wel buitengewoon knap.

J. van Gent is kunsthistorica en verbonden aan het Amsterdam Museum. Zij promoveerde in februari 2011 op een studie naar de loopbaan, klantenkring en stijl van Van der Helst. Dit najaar verschijnt de handelseditie bij WBOOKS. In het Amsterdam Museum is van 15 oktober t/m 22 januari een presentatie te zien over Van der Helst. Zie: www.amsterdammuseum.nl en www.bartholomeusvanderhelst.nl.