Nummer 2: Februari 2011 - De zoon van de onderkoning



De zoon van de onderkoning
NRC-columnist Heldring over zijn Amsterdamse jeugd
Tekst: Serge Markx

022011_inhoud-80J.L. Heldring (93) is bekend als columnist van NRC Handelsblad. Minder bekend is dat hij opgroeide in Amsterdam. Zijn jongste jaren woonde hij op Herengracht 478, in de Gouden Bocht, vlakbij de Vijzelstraat. In 1933 verhuisde het gezin vanwege de crisis naar De Lairessestraat 96. Vader Ernst Heldring was directeur van de KNSM, voorzitter van de Kamer van Koophandel en tot zijn 77ste president-directeur van de NHM – voorloper van ABN-Amro. Een machtig ondernemer, die de ‘onderkoning van Amsterdam’ werd genoemd.

Jérôme Heldring staat bekend als een individualist, iemand die anders is dan anderen. Uit zijn columns spreekt een conservatief wereldbeeld, met een oog voor tragiek. Ook benadrukt hij de rol van machtsverhoudingen in de politiek en relativeert hij het belang van morele betogen. Hij schrijft “in dienst van de waarheid.” Al meer dan vijftig jaar schrijft hij trouw zijn column ‘Dezer dagen’, eerst in de NRC en nu in NRC Handelsblad.  
Hij woont met zijn vrouw op de tiende en hoogste verdieping van een verzorgingsflat in Den Haag. Daar wonen de Heldrings in het allerlaatste appartement in de hoek, met uitzicht op een bos. Ik vertel hem dat ik de dag ervoor Herengracht 478, het oude huis van de familie – een rijksmonument met een oppervlakte van 1600 vierkante meter – heb bekeken. Kan hij zich dat voorname stadspaleis nog herinneren?
Heldring, enthousiast: “Ja, helemaal, precies nog. Ik zie het levendig voor me. Kwam je binnen dan had je de eetkamer, die uitliep op de tuin. Op de eerste verdieping had je een zaal, bijna over de hele lengte, die uitkeek op de gracht. Daarnaast had je de werkkamer van mijn vader.”
“De zaal was wel gemeubileerd, maar werd vrijwel nooit gebruikt. Mijn moeder was vroeg overleden, ze verongelukte op een kunstreis in Rome. Toen heeft een ongetrouwde zuster van mijn vader haar taken overgenomen. Die tante hield in de zaal, wat dames op de grachten deden, een ‘jour’, een ontvangdag. Sommige dames namen hun dochter mee, als een soort kennismaking, dochters van een jaar of zeventien. Dat gebruik hield op met de crisis. Op de tweede verdieping waren slaapkamers. Als klein kind sliep ik daar, met uitzicht op de gracht. De geluiden van de gracht ’s avonds, daar heb ik nog levendige herinneringen aan.”

Weg van de Herengracht
De familie Heldring woonde in de ‘Gouden Bocht’, een van de deftigste plekken van Nederland. Heldring: “Ja, maar ik heb veel later pas gehoord dat het zo genoemd wordt. Er werd in onze tijd wel over ‘De bocht’ gesproken. Dat het een deftige sfeer was besefte je voor jezelf niet. Er was een huisknecht en ander personeel. Mijn vader heeft de huisknecht vanwege de crisis moeten ontslaan.”
Aan de overkant van de gracht woonde de patricische familie Van Eeghen: “Dat was een tante van mij, mevrouw van Eeghen was een halfzuster van mijn vader. We hadden veel contact en zij konden wél op de Herengracht blijven wonen, omdat ze in het bankwezen zaten. De banken kwamen beter door de crisis dan de scheepvaart.” Er waren innige betrekkingen tussen de families. “Mijn zuster Jet was bevriend met Isa van Eeghen, later bekend als historica en archivaris. We kwamen veel bij elkaar over de vloer. Dat huis kan ik ook bijna dromen.”
Speelde hij daar buiten? “Nee, op de gracht was geen gelegenheid. Ik ging wel met mijn vriendjes voetballen, daar waar tegenwoordig het Hilton hotel staat. Dat was allemaal braak land, over die brug heen. Je legde je pet neer en maakte daar goals van.”
Zijn vader Ernst Heldring (1871-1954) was van 1898 tot 1927 directeur van de KNSM. In de jaren twintig verdiende hij goed, maar de scheepvaart werd zwaar getroffen door de economische crisis. Heldring: “De schepen waren opgelegd, zo heette dat. Je zag die schepen aan de ketting, aan de wal naast elkaar. Dat herinner ik me goed. Er was geen vracht in de crisis.”
Toen besloot zijn vader kleiner te gaan wonen, met minder personeel: “In begin 1933 gingen we over naar De Lairessestraat 96, op de hoek met de Cornelis Schuytstraat. Het was een flat. In de Cornelis Schuytstraat deed je  boodschappen. Toen was dat nog geen chique straat.”

Restje koffie van Colijn
De Amsterdamse elite leefde op afstand van de rest van de maatschappij. Men had eigen sociale codes, zoals het zondags afleggen van visites bij elkaar en het geven van diners. Deed zijn vader daar aan mee? “Mijn vader was geen societyman. Maar er kwamen wel mensen bij ons te eten, vooral zakelijke relaties, zoals van de KNSM. Die had agenten in Barcelona, Athene, Genua, Bordeaux en zij kwamen geregeld op bezoek bij mijn vader. Daar zaten de kinderen bij.”
“Ik herinner me nog dat Colijn (1869-1944) ook eens bij ons kwam eten, zonder zijn vrouw. Hij moest iets in Amsterdam doen. Hij was toen minister-president geweest. Mijn vader kende hem goed. Maar daar waren de kinderen niet bij, al wisten we wel dat hij er was. Mijn oudste broer was ook nog in huis. Toen Colijn weg was, had hij het laatste restje koffie uit het koffiekopje van Colijn opgedronken, en ik was daar reuze jaloers op. (Lacht hartelijk.) Dat was mijn broer Jan, die vroeg overleed.” Colijns bezoek was op 10 juni 1927, blijkt uit het dagboek van Ernst Heldring. Hij was toen sinds een jaar geen minister-president meer; hij werd het opnieuw van 1933-1939.
“Mijn vader was geen gezellige man. Hij was 46 jaar ouder dan ik, een heel verschil. Hij is laat getrouwd. Een vrij strenge man, sober, hij had goed verdiend in de jaren twintig. Maar een auto had hij nooit en een radio hadden we ook niet in huis.”
In 1915 werd Ernst Heldring gevraagd burgemeester van Amsterdam te worden: “Burgemeester Röell, die commissaris van de koningin in Noord Holland werd, polste mijn vader. Of hij hem kon voordragen, het kabinet moest beslissen. Maar dat deed hij niet, en dat was verstandig, geloof ik. Zijn zenuwgestel was niet erg sterk, hij ging herhaaldelijk naar sanatoria.”
“Hij was niet ziek, maar had ‘neurosen’, zo heette dat in die tijd. Ik ben, meen ik, verwekt in Sankt Moritz, waar hij naartoe ging om op adem te komen. Hij was onder behandeling van een psychiater, en mijn moeder kwam hem opzoeken. Dat was begin 1917. Hij zegt het ook in zijn dagboek, daar is hij openhartig over.”

Zwemmen in het Heiligewegbad
Hoe kon zijn vader als zenuwpatiënt toch die zware functies vervullen?  Heldring: “Hij was een man waar mensen een beetje bang voor waren, die gezag uitoefende. ‘Ernst, tu n’est pas le Bon Dieu.’, zei mijn moeder tegen hem. (‘Je bent Onze-Lieve-Heer niet.’) Een man met gezag, zonder dat hij een tiran was. Zijn woord gold.”
Bovendien was hij zeer gedisciplineerd. Zo kon hij zijn werk als voorzitter van de Kamer van Koophandel er bijdoen: “Hij stond om zes uur op. Als wij wakker werden zat hij al te werken in zijn kamer, dan ging hij ’s ochtends voor achten wel met ons zwemmen in het zwembad op de Heiligeweg. Daar heb ik mijn zwemdiploma gehaald. Hij ging dan ook rondjes zwemmen, in zo’n badpak. Dat deed hij voor zijn gezondheid, net als dat vele wandelen.” Even nauwgezet hield hij ook zijn dagboek bij, dat later werd gepubliceerd.
Het gezin maakte elke zondag een uitstapje, ging bijvoorbeeld wandelen in het Gooi of op de Veluwe. Heldring: “Als klein kind heb je bewondering voor je vader, dan vraag je hem honderduit. Maar er komt een leeftijd dat je gaat rebelleren, dat heeft met de puberteit te maken. Toen vond ik die wandelingen vervelend.”
“Dat hij de ‘onderkoning van Amsterdam’ werd genoemd hoorde ik pas later. Een voorbeeld: de post kwam niet meer bij het ontbijt, omdat de bezorgtijden veranderden. Dat vond hij vervelend. Dan schreef hij een briefje aan de directeur van het postkantoor of hij ervoor kon zorgen dat hij zijn post wel aan het ontbijt kreeg. Dat gebeurde dan ook. Bijna feodaal in een rode stad als Amsterdam.”
Met het rode stadsbestuur had de liberale Ernst Heldring geen moeite. “Hij had contacten met Wibaut, hij schold niet op de socialisten. Hij had wel waardering voor mensen die niet zijn liberale kapitalistische principes waren toegedaan. Mijn vader was natuurlijk een kapitalist, een bijna dogmatische vrijhandelaar. Hij verschilde ook met Colijn van mening, was altijd bang dat Colijn meer toe zou geven aan de roomsen. Hij was meer anti-rooms dan anti-rood. Zelf was hij actief in de Liberale Staatspartij.”

Altijd wiskundebijles
Jérôme Heldring ging in de Gabriël Metsustraat naar de lagere school. Hij liep door de Spiegelstraat onder het Rijksmuseum door en dan langs het Museumplein naar school. In 1930 ging hij naar het Barlaeus Gymnasium aan de Weteringschans. Heldring: “Dat was een heel goede gemeenteschool. Mijn vader kon heel goed overweg met de rector dr. Alma. Dat was een man naar zijn hart. Een voortreffelijke leraar en waarschijnlijk ook een voortreffelijke rector.”
Alma gaf oude talen, Heldring kreeg Latijn van hem. “De meeste leraren nemen er genoegen mee als een leerling de tekst begrijpt en op zijn manier vertaalt. Maar hij wou dat je er goed Nederlands van maakte. De lange zinnen van Livius moesten opgehakt worden in gewone zinnen. Toen hij 80 werd heb ik in een album geschreven dat hij mij eigenlijk Nederlands had geleerd, wat ook waar was. Een beetje onbillijk tegenover mijn leraar Nederlands, dr. Zijderveld, die ook voortreffelijk was. Alma had de wind eronder, was een man van gezag.”
Het was Alma die op een spreekuur tegen Heldrings vader zei dat zijn zoon een ‘dilettant’ was. “Omdat ik wel begaafd was in geschiedenis en dingen die ik leuk vond, maar in wiskunde helemaal niet. Ik heb altijd wiskundebijles gehad, dat kreeg ik nooit goed onder de knie. Voor de oude talen heb ik wel met behoorlijke cijfers eindexamen gedaan.”
Sommige lessen waren moeilijk. Hij kreeg het vak antiquiteiten, dat ging over de filosofie van de oude Grieken, de pre-Socratici. Heldring: “Die verhalen gingen boven onze pet, ook boven mijn pet, maar ik was toch gefascineerd. En dat heeft mij de stelregel bijgebracht dat het helemaal niet erg is dat kinderen af en toe op hun tenen moeten staan. Ze begrijpen het nog niet, maar dat komt later terug, als ze rijper zijn.”

Arrogante Amsterdammers
In 1936 deed hij eindexamen en ging rechten studeren in Leiden. Hij kwam alleen in weekends thuis, had daar nog een klein kamertje. Heldring: “Van 1940 tot 1941, na de capitulatie, hebben ik ook nog in Amsterdam gewoond. Toen heb ik me geprepareerd voor het eindexamen rechten.” In 1941 vertrok hij voorgoed.
Heldring woont dus al bijna zeventig jaar buiten Amsterdam. Hoe ziet hij de stad nu? “Het is een fantastisch mooie stad. Maar ik vind dat Amsterdam ten onrechte neerkijkt op Rotterdam. Rotterdammers vind ik een prettig soort mensen, reëel, hartelijk en fideel. Ze weten heel goed dat de Amsterdammers op ze neerkijken. Als je mensen spreekt die fusies hebben meegemaakt, vertellen ze dat de Amsterdammers komen en zeggen dat ze alles beter weten.”
Hij zag dat zelf ook bij de fusie van de Nieuwe Rotterdamsche Courant en het Algemeen Handelsblad. Heldring was toen hoofdredacteur van de Rotterdamse NRC: “De Amsterdammers kwamen wel even vertellen hoe je een krant maakt, terwijl ze op sterven na dood waren. De NRC stond er financieel veel sterker voor dan het Handelsblad, maar dat besefte de redactie van het Handelsblad helemaal niet. Het hoofdkantoor van NRC Handelsblad kwam in Rotterdam. Dat vonden de Amsterdammers niet leuk.”
Volgt hij het Amsterdamse nieuws? Heldring: “Je hebt het drama van de Noord/Zuidlijn. Dat is verschrikkelijk. Dat is niet een Amsterdamse, maar een nationale pleefiguur. Dat hadden we nooit moeten proberen. Die lijn gaat natuurlijk door een buurt die ik goed kende, bij de Vijzelstraat.”
Voor oud-burgemeester Job Cohen heeft hij veel respect: “Maar hij is een bestuurder en geen politicus. Hij is bezweken voor de aandrang van Bos lijsttrekker te worden, dat had hij nooit moeten doen. Nu moet hij vechten en dat ligt niet in zijn aard. Ik heb goede contacten met PvdA-ers; het gaat mij om de kwaliteiten, niet om de partij. Maar de sociaal-democratie heeft zijn doelen bereikt. En degenen die dankzij de sociaal-democratie een kopje hoger zijn gekomen, keren zich nu daartegen.”