Nummer 4: April 2018

Tram-1-vrouw-op-tree

Vrouwen op de tram

In 1943 neemt het Amsterdamse GVB voor het eerst vrouwen in dienst als conductrice op de tram. Hun komst is een direct gevolg van de bezetting. Er is een personeelstekort ontstaan door de tewerkstelling van mannen in de Arbeidsdienst en het ontslag van Joodse medewerkers. Vrouwen werven is de oplossing. Na de bevrijding volgt ontslag.

Binnen enkele maanden na de capitulatie op 15 mei 1940 worden de gevolgen van de bezetting merkbaar bij de Amsterdamse tram. Anti-Joodse maatregelen bereiken ook trambestuurders en conducteurs. Op 9 oktober 1940 stuurt directeur Willem Hofman (1932-1955) met openlijke tegenzin de 'Kennisgeving aan de ambtenaren en werklieden der Gemeentetram en -Veren' rond, die later bekend komt te staan als de ariërverklaring. Hofman vermeldt uitdrukkelijk dat hij handelt op verzoek van de secretaris-generaal van Binnenlandse Zaken. Op 4 november worden alle Joodse gemeenteambtenaren ontslagen, zo ook trambestuurders, monteurs en conducteurs. 41 Joodse personeelsleden verliezen hun baan; slechts drie van hen zullen de oorlog overleven.
Het trampersoneel speelt vervolgens een cruciale rol bij de Februaristaking van 1941. De tram rijdt niet - en dat geldt als een krachtig en zichtbaar signaal van verzet in de stad. De staking wordt met geweld beëindigd, enkele deelnemers krijgen de doodstraf, anderen worden vastgezet. De GVB-directie reageert met diverse maatregelen: loonkorting, schorsing, vervroegd pensioen en ontslag. Als er door het personeel geld wordt ingezameld voor de ontslagen collega's wordt dat door directeur Hofman verboden, op straffe van ontslag. Hij verbiedt ook het beledigen van NSB-collega's of het niet correct bejegenen van Duitse soldaten.
Op 18 juni 1942 krijgt Hofman te horen dat Joden geen gebruik meer mogen maken van het openbaar vervoer; kort daarna moet hij trams en personeel inzetten voor het vervoer naar het Centraal Station van jonge en bejaarde Joden, opgeroepen voor 'tewerkstelling' in Duitsland. De bestuurders en conducteurs krijgen een speciale Sperre (tijdelijke vrijstelling) zodat zij na de avondklok de trams kunnen rijden. Over de al of niet loyale houding van de directie van het trambedrijf zou na de oorlog nog veel geschreven en gedebatteerd worden.

Personeelstekort
De druk op het personeel neemt hand over hand toe. In april 1942 worden ongehuwde mannen tussen 18 en 22 jaar opgeroepen zich te melden voor de Arbeidsdienst (Arbeitseinsatz)in de Duitse oorlogsindustrie; tegen september 1942 is ongeveer 250 man trampersoneel naar Duitsland vertrokken. Vijftien mannen zijn vrijwillig in dienst gegaan bij de Wehrmacht. Zo'n 150 werknemers hebben zich ziekgemeld, van wie een aantal is ondergedoken om aan de Arbeidsdienst te ontkomen.
Nog eens 50 man worden opgepakt voor activiteiten variërend van het houden van postduiven tot het waarschuwen voor razzia's en andere illegale activiteiten. In 1943 volgt ontslag voor de mannen die met een Joodse vrouw getrouwd zijn. In totaal verliest het bedrijf meer dan 400 arbeidskrachten. De trams blijven rijden, maar het tekort aan personeel is merkbaar. Lijnen worden (tijdelijk) opgeheven, pauzes ingekort, verloven ingetrokken. De nog aanwezige personeelsleden maken soms werkweken van 54 uur.
Directeur Hofman weet burgemeester Edward Voûte begin 1943 ervan te overtuigen dat het verlies van arbeidskrachten desastreuze gevolgen zal hebben voor de exploitatie van het tramnet: nog meer GVB-personeel naar de Arbeidsdienst kan niet. Op de achtergrond is het bedrijf dan al bezig met het werven van vrouwelijk personeel. In november 1942 besluit de burgemeester dat wegens het tekort vrouwen op proef mogen worden aangenomen. Formeel is dat onmogelijk: in de crisistijd hebben schaarste en werkloosheid de katholieke leider Romme in 1937 gebracht tot het beruchte wetsvoorstel waarin het gehuwde vrouwen verboden werd te werken, om geen arbeidsplaatsen van mannen in te nemen. Getrouwde vrouwen die al werkten verloren hun baan en nieuwe mochten niet worden aangenomen.

Eisen
Maar nood breekt wet. Voûte verklaart bovendien dat in het buitenland vrouwen al veel langer op bus en tram werken, zoals ook bij regionale vervoerders in Gelderland, Groningen en het Gooi. Zes weken later, in januari 1943, wordt nog meegedeeld dat het in dienst nemen van de conductrices niet doorgaat in verband met te weinig aanmeldingen, maar het trambedrijf zet de werving door in maart en de volgende maand al verrichten de eerste conductrices hun diensten op de lijnen 3 en 24. Op drie december 1943 volgt een nieuwe oproep aan vrouwen om zich aan te melden als conductrice.
Wat de rekrutering bemoeilijkt is het grote aantal eisen. De toekomstige conductrices moeten: ongetrouwd zijn, tussen de 20 en 35 jaar oud en minimaal 1.65 lang zijn, de lagere school hebben doorlopen en ze mogen geen bril dragen. Slechts 100 reacties komen binnen, terwijl er ongeveer 300 vrouwen nodig zijn. Kranten melden dat bij gebrek aan vrijwillige aanmeldingen de arbeidsbureaus over zullen gaan op arbeidsverplichting.
Dat is niet makkelijk. Sinds 1941 kunnen vrouwen zich wel vrijwillig aanmelden voor de Arbeidersdienst, maar van verplichte indienststelling mag geen sprake mag zijn. Wel is het mogelijk dat vrouwen die zich op een andere functie hebben aangemeld, verplicht kunnen worden te gaan werken bij de vervoersbedrijven. In Rotterdam is dat al gebeurd. Nu worden ook in Amsterdam vrouwen uit andere functies 'gevorderd', of ze bij de Arbeidsdienst werken of niet.
Dat overkomt Hendrika 'Rie' Blok. Een halve eeuw later beschrijft zij haar wederwaardigheden in Ons Amsterdam: "Zelf werkte ik bij de Galeries Modernes in de Reguliersbreestraat, waar nu de Hema is. Op donderdag 1 april kwamen een paar Duitsers daarbinnen en wezen lukraak vijf verkoopsters aan, ook mij." Hetzelfde gebeurt die dag bij V&D, Bijenkorf en Modehuis Gerzon. Blok en een dertigtal andere vrouwen worden eerst meegenomen naar de Gemeentelijke Uniforminrichting op de Prinsengracht en dan naar het hoofdkantoor van het Gemeentevervoerbedrijf, Stadhouderskade 1. Daar krijgen ze een 'kraagnummer', en een spoedcursus van een week in de remise.

Minder loon
Het GVB probeert ook ontheffing te krijgen voor het aannemen van getrouwde vrouwen, maar die krijgt het niet. Vrouwen in overheidsdienst dienen volgens de wet op de dag van hun trouwen ontslagen te worden. Er is echter een maas in de wet: getrouwde vrouwen kunnen wel op een tijdelijke arbeidsovereenkomst aan de slag gaan. Sommige vrouwen worden dus ontslagen als ze trouwen en een dag later weer aangenomen.
Een van die vrouwen is Antonia Heisterkamp-Grenzebach, die in 1943 bij de tram poseert en net in de zomer van dat jaar is gehuwd. Een ander is Margaretha Holman-van der Steen, 27 jaar en weduwe, met een dochtertje van zes, als zij bij de Gemeentetram komt werken. Zij is in het verzet actief als koerierster en maakt daarbij dankbaar gebruik van haar ontheffing voor de avonduren. In 1944 wordt zij opgepakt, maar ze komt vrij en hertrouwt na de oorlog.
De vrouwen gaan na de spoedcursus en een korte begeleidingsperiode zelfstandig aan de slag. Zij leren tang en stempel te hanteren, bijwagens aan te koppelen, remkabels aan te brengen en weg te nemen, wissels om te leggen en tramtreden op te klappen. Voor de vrouwen gelden aangepaste werkzaamheden en diensttijden. Zij hebben een 48-urige werkweek en langere eetpauzes.
Van meet af aan is duidelijk dat de vrouwen minder loon zullen krijgen dan de mannen. Het loonstelsel moet er zelfs voor worden aangepast, omdat in de regeling van de gemeente staat dat bij gelijk werk het loon ook gelijk moet zijn. Er komt aan aparte loonklasse voor de nog aan te stellen conductrices. Mannen ontvangen een weekloon f 24,-, vrouwen maximaal f 17,28 per week. De vrouwen delen wel gelijkwaardig in toeslagen, maar als de mannen een extra rantsoen tabak krijgen, geldt die voor de vrouwen niet.

Opmerkingen
De eerste vrouwen op de tram baren flink opzien. Er zijn mensen die het de vrouwen kwalijk nemen dat zij dit werk doen. Rie Blok: "De eerste tijd kregen we nog wel nare opmerkingen naar ons hoofd, omdat mensen dachten dat we vrijwillig de plaatsen innamen van mannelijke conducteurs die gedwongen waren in Duitsland te werken. Ik hoor nog een vrouw zeggen: 'Mijn man zit in Maagdenburg op de tram! Wat doe jij hier, op zijn plaats?' Nou ben ik niet op mijn mondje gevallen, dus ik zeg: 'Je mag hem metéén m'n pet en baret gaan brengen, dan kan ik ook weer aan m'n echte werk!'"
Seksistische opmerkingen hoort zij weinig. "Nou ja, één keer een dronkenman op het achterbalkon van lijn 25. Net toen ook mijn eigen vader in de tram zat! Maar toen werd ik meteen door allerlei andere mannen in bescherming genomen. Van mannen heb ik weinig last gehad op de tram. Wél van vlooien!"
Blok doet er alles aan om van de tram af te mogen. "Ik had een bril en klaagde dat ik 's avonds zo weinig kon zien. Om van het gezeur af te zijn heeft zo'n NSB-arts mij ten slotte naar een oogarts gestuurd, die normaal Duitse vliegeniers op nachtblindheid onderzocht. Dat was geen rotzak, dus verklaarde die dat ik inderdaad aan nachtblindheid leed. Ik dacht: Ha! Nu word ik afgekeurd. Maar die bedrijfsarts zei doodleuk: 'Dan ga je maar alleen overdag rijden.' Ik heb gehuild van woede. Maar ten slotte kreeg ik roodvonk en werd ik alsnog afgekeurd, precies na een jaar." Het werk heeft ook voordelen: "Schoenen waren in die tijd bijna nergens meer te krijgen, maar wij kregen die als onderdeel van onze dienstkleding."

Interview
Na de bevrijding worden in september 1945 vier conductrices door het Algemeen Handelsblad over hun ervaringen geïnterviewd: "Vier meisjes in uniform: Tonny, Jos, Gré en Mies. Maar vier geheel uiteenlopende karakters." Volgens het viertal was het contact met de collega's, ook de mannen, goed en was er meestal een goede verstandhouding met het publiek. "Ondanks mopperaars en mensen die haastig naar het hoofdkantoor schrijven, wanneer de conductrice het waagt dicht bij 't eindpunt een sigaret van een Canadees op te steken, ondanks vroege ochtenddiensten en avonddiensten met het naargeestige blauwe verduisteringslicht, toch een baan, waaraan je je ging hechten."
De vrouwen waren goed voor hun taak berekend, meldt de interviewer. Gré "lacht en speelt het zonnetje in huis in een door ochtendhumeur verduisterde motorwagen van lijn 25". Ze is graag gezien door de jongens van de grafische school, maar met kinderen rond de twaalf jaar heeft ze meer moeilijkheden. "Die zijn er best toe in staat om één abonnementskaart onder elkaar door te geven bij de controle." Mies, "een beetje de dame", is gedecideerd en betoogt "dat het ordelijk op den wagen moet toegaan, en eigenlijk, eerlijk gezegd, zou ze den wagen wel eens willen stofzuigeren en de ramen behoorlijk lappen."
Tonny - "donkerblonde lokken onder haar baret" - kennen ze op lijn 16 vanwege de dichte hekjes. "Ze blijft meesteres op den wagen en ze zullen betalen." Zij is het "meisje van buiten", de koerierster, die van de Nachtausweis van de tram gebruikmaakt om door de stad te fietsen en "bij nacht en ontij wapens in haar fietstassen tot naar Rotterdam vervoert." De vierde is Jos, strijdbaar en met "lichtgrijze ogen, die scherp zien". "Ze spreekt over de maatschappij en ze heeft zoo haar denkbeelden over de verhouding tusschen werkgevers en werknemers." Haar maken ze niets wijs.

Ontslag
Terwijl de vier in de oorlogsjaren hun conductricewerk doen, duren de problemen bij de tram voort. In december 1943 worden alle diensten op zon- en feestdagen opgeheven. Wegens gebrek aan elektriciteit rijden de trams vanaf september 1944 alleen nog maar in de spits; een maand later worden alle tramdiensten gestaakt vanwege het stopzetten van de elektriciteitsproductie. De trams verdwijnen naar Duitsland.
Vier maanden na het eind van de oorlog, staan de conductrices weer op straat. Ontslagen, eervol, dat wel, en in oktober ontvangen ze een eenmalige uitkering. Formeel hebben ze daar geen recht op, maar op 'billijkheidsgronden' wil het gemeentebestuur die toch wel aan hen toekennen. Weemoedig schrijft de journalist van het Algemeen Handelsblad: "Al mag het conducteursambt in Amsterdam honderdmaal een baan voor mannen zijn, wij zullen de fleurige verschijning van de conductrice missen." De vier vrouwen zijn het oneens met hun dienstbeëindiging. "Het is Jos, die het 't duidelijkst formuleert: 'Waarom worden we nu zoomaar ontslagen? Hadden ze geen passende betrekking voor ons kunnen vinden? Wij, die begonnen, zijn destijds uit onze betrekkingen gevórderd. Nu komen we vandaag zonder..."
De conductrices verdwijnen uit het Amsterdamse straatbeeld. Heel Nederland keert in de wederopbouwjaren terug naar de verzuilde en patriarchale samenleving, waar vrouwen voornamelijk gezien worden als hoeksteen van het gezin. In ons land is er geen 'Rosie the Riveter'- campagne geweest, zoals in de Verenigde Staten, waar vrouwen in groten getale de fabrieken in gingen en na de oorlog hun plekken niet meer wilden opgeven. In Nederland worden de vrouwen weer ontslagen, volgen geen grote protesten en de emancipatie op de arbeidsmarkt zal zo'n tien jaar stil komen te liggen. De vrouwen op de Amsterdamse tram worden een voetnoot in geschiedenis. Het boek Onze Tram in Amsterdam wijdt in 2001 slechts één zin aan de conductrices.


ANGELIQUE VAN DER POL IS HISTORICA EN SCHRIJFSTER.