Nummer 4: April 2018

Inhoud-3-ziekenzusters

Zuster op zaal

Hoogopgeleide professionals zijn het nu, de verpleegkundigen in het OLVG. Maar zo begon het niet in de ziekenzorg. Pas in de 19de eeuw maakten zaalmeiden- en knechts geleidelijk aan plaats voor opgeleide 'zusters' in katholieke en protestantse ziekenhuizen. Hun leven was 'bidden en werken'.

Weinig meer in het OLVG herinnert aan het katholieke en protestantse verleden, op de Mariabeelden en de kapel in het gebouw in de locatie Oost na, en ook het beeld van de diacones in de locatie West. Het 'stadsziekenhuis van Groot Amsterdam' is een fusie van het Prinsengrachtziekenhuis, de Nederlands Hervormde Diaconessen Inrichting (later het Andreas Ziekenhuis) en het Sint Lucas Ziekenhuis met het katholieke Onze Lieve Vrouwe Gasthuis.
De eigen cultuur van elk ziekenhuis drukte een stempel op de verpleging. In het OLVG werkten tot in de jaren dertig vrijwel alleen religieuzen; in het Diaconessenziekenhuis alleen diaconessen. Het geloof van de patiënt was van minder belang: die 'geloofde' bovenal in de verpleegster en in de dokter en liet zich daardoor leiden.
De verpleegkundigen van nu zijn hoogopgeleide professionals. Ze hebben vaak na hun HBO- of MBO-opleiding nog een specialistische verpleegkundige opleiding gedaan en soms een academische studie Verplegingswetenschappen of een vervolgopleiding tot Verpleegkundig Specialist of physician assistant. Maar zo begon het niet.

Gasthuisvrees
Al sinds de middeleeuwen waren er gasthuizen in de stad, zoals het Binnen- en het Buitengasthuis. Daar werden patiënten niet behandeld, slecht gevoed en nauwelijks verzorgd. Er werd voornamelijk gestorven. Tot 1883 werkten er alleen zaalmeiden- en knechts, die meestal uit de onderste sociale lagen kwamen. Zij aten vaak het voedsel dat voor de patiënten bestemd was zelf op en waren niet zelden aan de drank. Alleen de allerarmsten lieten zich er opnemen, als ze op straat waren opgeraapt of er door familie heen waren gebracht.
Veel Amsterdammers leden dus - terecht - aan 'gasthuisvrees'. Ze werden liever thuis door familie verzorgd. Als de financiële middelen aanwezig waren, kwam er een arts op visite, maar zijn aanwezigheid droeg per saldo weinig bij aan de genezing van de patiënt. Niet zelden stierf die zelfs door zijn toedoen. De zorg en verpleging - met bouillon, geklutste eieren, wassen en verschonen, verzorging van eventuele wonden - en de rust bevorderden daarentegen wél de genezing. Zo ontstond er geleidelijk vraag naar professionele thuisverzorging. Die begon in de 19de eeuw met wijkzusters, zowel sociaal bewogen protestantse dames van hogere komaf als katholieke religieuzen en protestantse diaconessen. Omdat zij het vak moesten leren en daarvoor moesten kunnen oefenen, begonnen de eerste ziekenhuizen als huizen waar de wijkzusters woonden en leefden en verpleegkundige kennis opdeden aan de zijde van enkele patiëntenbedden.
Katholieke Amsterdammers konden zich vanaf 1839 wenden tot een zestal 'Zusters van Liefde', die naar de 'Bijzondere regelen voor de Zusters van Liefde van Onze Lieve Vrouwe Moeder van Barmhartigheid der Congregatie gevestigd te Tilburg' leefden. Zij boden thuisverpleging 'om hemelloon'- dat wil zeggen: uitsluitend om een plaatsje in de hemel - waarbij ze reinheid en zindelijkheid in acht namen. Zo schreven de 'Bijzondere regelen' het voor: "Eene onzindelijke Zuster past niet onder de Zusters van Liefde."

Roeping
Daar boften de patiënten bij. In die jaren stak de dokter nog het ene moment zijn hand in een lijk, om het andere moment een zuigeling uit de baarmoeder te helpen, waardoor kraamvrouwenkoorts vaak de kop op stak. De kennis van verloskundige Ignaz Semmelweis uit Wenen, die de oorzaak van deze dikwijls dodelijke ziekte al in 1847 blootlegde, leidde pas aan het eind van de 19de eeuw tot hygiënischer werken, zoals handenwassen na een patiëntencontact.
Voor niet-katholieke zieke Amsterdammers met 'gasthuisvrees' was er nog niets. In 1843 nam de arts Jan Pieter Heije het initiatief tot de oprichting van de Vereeniging voor Ziekenverpleging, vanaf 1857 gevestigd aan de Prinsengracht als een opleidingsziekenhuis voor verpleegsters met een directrice aan het hoofd. Hoewel Heije de 'pleegzusters' een salaris gunde, hield het bestuur dit tegen. Verpleging moest wel een roeping blijven en mocht geen echt beroep worden. De meisjes en vrouwen - veelal uit de hogere burgerij - vonden dat aanvankelijk niet erg. De toeloop voor de uitstekende verpleegopleiding was van meet af aan groot en bleef dat ook; lang niet iedereen werd aangenomen.
Het Prinsengrachtziekenhuis was een echte vrouwengemeenschap. De dokters liepen er visite, gaven er les en opereerden, maar de verplegende beroepsgroep was dominant, wat zich ook uitte in het type leidinggevenden. Dat waren vrouwen die het belang van goede verpleging inzagen en niet zelden zelf een opleiding tot verpleegster hadden gevolgd. De verpleegsters beschouwden het ziekenhuis als 'hun' huis. De patiënten mochten een eigen vloerkleedje of schemerlamp meebrengen en er werd niet alleen voor de zieke gezorgd, maar ook voor het achtergebleven gezin. Tot ver in de 20ste eeuw had de kerstboom er echte kaarsjes en werden de patiënten er toegezongen door de verpleegsters, die niet zelden het gymnasium hadden gevolgd.

Hemelloon
Er kwamen meerdere ziekenhuizen om aan de toenemende behoefte aan verpleging buitenshuis te kunnen voldoen. Katholiek Amsterdam kon het niet op zich laten zitten dat er voor de eigen geloofsgemeente alleen religieuze wijkzusters waren, maar geen ziekenhuis. De eerste 'R.K. Ziekenverpleging' werd in 1878 gesticht naar aanleiding van de belofte die een rijke katholieke dame, mevrouw Delphine Povel-Guillot-Vattement, aan het sterfbed van haar moeder had gedaan: dat er katholieke liefdezusters voor de ziekenverpleging zouden komen, zowel voor arme als voor rijke patiënten.
Zij dacht in eerste instantie aan thuisverpleging. De Liefdezusters van de H. Carolus Borromeus, beter bekend als 'Zusters onder de Bogen' uit Maastricht, kwamen naar Amsterdam en begonnen met de thuiszorg. In 1878 opende het eerste rooms-katholieke zusterhuis zijn deuren op Keizersgracht 287 en binnen twee jaar werd het eerste ziekenhuis op Keizersgracht 129-131 geopend. Het telde uiteindelijk zestig bedden. De nonnen sliepen op zolder. Er was ook een kleine kapel, zodat de religieuzen de deur niet uit hoefden om te bidden, wat ze vaak deden. Het hele ziekenhuis ritselde van de heiligenbeelden.
Spoedig maakten de bestuurders (de regenten) plannen voor een groot nieuw katholiek ziekenhuis, het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis aan het Oosterpark, dat ze in 1898 lieten bouwen. Het telde aanvankelijk 300 en al gauw 440 bedden. Het OLVG was niet in eerste instantie bedoeld om verpleegkundigen op te leiden, maar om patiëntenzorg te bieden, wat ook hier gebeurde door religieuzen die in het klooster bij het OLVG woonden. Zij beschikten over een ruime eigen kapel en werkten voor 'hemelloon'; het ziekenhuis betaalde een vergoeding aan de congregatie, niet aan de zusters. Al vanaf 1901 volgden zij de professionele verpleegstersopleiding van het Witte Kruis, die in 1878 was gestart.

Chambretje
Er is niet veel bekend over het werk van de zusters en al evenmin over hun leven in het klooster, waar ze voornamelijk geslapen moeten hebben. Zoals de historicus Lodewijk Rogier in zijn geschiedenis van het OLVG uit 1958 schreef: "Helaas moet het voor de religieuzen bij een algemene waardering blijven, want het ligt in de kloosterlijke levensstaat - tenminste bij vrouwen - besloten, dat de individuen nauwelijks reliëf krijgen." En pater L. Stolk vertelt in zijn geschiedenis van de eerste 25 jaar: "Ja, bidden en werken, dat is het leven der Eerw. Zusters in het O.L. Vrouwe Gasthuis, bidden en werken voor eigen heiliging en voor het lichamelijk en geestelijk heil der kranken. Ik weet wel, dat er soms wordt afgegeven op dat bidden van de Zusters-verpleegsters en de tijd van het bijwonen van de H. Mis, van het bezoek aan het Allerheiligst Sacrament en het bidden der getijden, als een verloren tijd voor de verpleging der zieken. Maar: juist de kracht van hare liefdewerken is gelegen in haar geestelijk leven, in haar gebed, in haar godsdienstige oefeningen."
Een dag uit het leven van een religieuze zag er vijftig jaar geleden zo uit: om kwart voor vijf ging de bel, om kwart over vijf zat ze in de kapel voor meditatie. Daarna bad ze, geknield, in een ziekenzaal het morgengebed voor, ging rond met het wijwaterbakje en deelde wasbakken uit. Dan was het de hele ochtend werken, na het middageten een rozenhoedje bidden en in de middagrust het breviergebed vervolgen. Om negen uur 's avonds ging het licht op de ziekenzaal en zocht zij in het klooster haar bed op in haar chambrette. Eén dag per jaar mocht ze naar haar familie.
In 1960 sliep nog de helft van de 130 nonnen in het klooster, in grote slaapzalen waar iedere zuster achter een paar gordijnen haar 'chambretje' had. "Sober, geen privacy. Een bestaan dat overgegeven was aan iets anders, beter gezegd: Iemand anders. Op een van de chambretjes hing aan de wand een gevlochten doornenkroon", aldus de toenmalige directeur van het OLVG.

Macht
Er waren altijd te weinig religieuzen. Steeds moest er bij de congregatie gesoebat worden om nieuwe zusters - die slechts mondjesmaat kwamen. De 'baas' van de religieuzen was niet de ziekenhuisdirecteur, maar de deken van hun religieuze orde in Maastricht. Dat gaf de nonnen een behoorlijke machtspositie, wat niet kon verhinderen dat er al gauw ook lekenverpleegsters in de opleiding werden aangenomen. Na de opleiding moesten die weer weg.
In het OLVG aan het Oosterpark waren patiënten van alle gezindten welkom - net als in het Prinsengrachtziekenhuis en het Diaconessenziekenhuis - met uitzondering van Joden: zij werden er niet behandeld. Daar waren de katholieken tot en met de Tweede Wereldoorlog strikt in; ook in de oorlogsjaren lieten zij geen Joden toe voor 'asyl'. Vrouwen hadden in de particuliere ziekenhuizen een stevige positie. In het OLVG bestond de directie uit een medicus/internist met de moeder-overste als leidinggevende van de religieuzen en later ook van de lekenverpleegkundigen. In het Prinsengrachtziekenhuis bestond de directie uit een arts en een dame, al gauw een verpleegkundige, en bij de Diaconessen regeerden een dominee en een 'Besturend Zuster'.
De artsen kregen in het OLVG al gauw de overhand over de nonnen-verpleegsters. De patiënten kwamen niet meer alleen voor verpleging, maar ook voor 'de dokter', die al gauw een mythische status verwierf. Sinds de opkomst van aseptisch en antiseptisch (steriel) werken maakte de chirurgie minder slachtoffers. Er kwamen medische apparaten ten behoeve van het stellen van een diagnose, zoals de stethoscoop en het röntgenapparaat (het OLVG kreeg er al in 1900 één). Bovendien werkte er een bacterioloog die syfilis kon genezen, waardoor veel hogere katholieke heren zich tot het OLVG wendden.

Tekort
Pais en vree was het overigens niet tussen de dokters. Ze ruzieden om de beste ruimten en het meeste geld voor apparatuur en voor zichzelf. En zij verdienden bepaald meer dan een hemelloon. Ook eisten zij een stem op in de directie en het regentenbestuur. Die kregen ze ook. De verpleegkundige verdween uit de directie. De meewerkende hoofdzuster met haar belangrijke intermediaire rol tussen de patiënten, de verpleging en de dokters bleef tot het eind van de 20ste eeuw wel bestaan.
Pas toen de particuliere ziekenhuizen echt niet meer genoeg hogere burgerdochters, diaconessen en nonnen konden vinden, zijn ze gaan werven onder vrouwen die van de verpleegkunde hun beroep maakten en dus gewoon een salaris nodig hadden. Het Prinsengrachtziekenhuis nam zulke professionals al rond de Eerste Wereldoorlog in dienst, het Diaconessenziekenhuis aan het eind van de jaren vijftig en het OLVG ergens daartussenin.
Het tekort aan verpleegsters, die vanaf 1960 'verpleegkundigen' gingen heten, werd in de loop der jaren in Amsterdamse ziekenhuizen steeds groter en moeilijker op te lossen. In de jaren zestig werd bovendien in de nieuwe westelijke tuinsteden het ene na het andere ziekenhuis gebouwd. Iedere zuil zijn eigen ziekenhuis: de katholieken het Sint Lucas Ziekenhuis (1966), een dependance van het OLVG; de protestanten het Andreas Ziekenhuis (1969); het Slotervaartziekenhuis (1976) specifiek voor de 'sociale zorg' van de gemeente. Er ontstond al gauw een beddenoverschot. Toch konden de nieuwe en oude ziekenhuizen nauwelijks voldoende verpleegkundigen aantrekken. Er werd in het buitenland geworven.

Losser
Het aantal nonnen in het OLVG was tussen 1945 en 1960 teruggelopen van 250 naar 130, van wie er nog maar 45 als verpleegster werkten. De rol van de religieuzen raakte langzamerhand uitgespeeld. Begin jaren zestig waren er al 143 lekenverpleegsters en 158 leerlingen. Er was voor de opleiding veel belangstelling, en die werd ook steeds losser. Nu mochten de leerlingen - die natuurlijk geen religieuzen waren - in de tuin van het verpleegstershuis in bikini liggen zonnen, ze mochten roken in de gemeenschappelijke huiskamer en hoefden pas om elf uur binnen te zijn. In het vrouwenblad Margriet verscheen in 1966 een wervend artikel met interviews met OLVG-verpleegsters. Het loste het tekort niet op. Omdat veel verpleegsters na hun huwelijk stopten met werken, bleef er grote behoefte bestaan.
Uiteindelijk leidde het beddenoverschot in de westelijke tuinsteden tot een fusiegolf. Het Prinsengracht Ziekenhuis fuseerde in 1994 met het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis en het Andreas Ziekenhuis in 1996 met het Sint Lucas Ziekenhuis. Twee geloven op één kussen: aan de verzuiling van de ziekenhuizen in West kwam een einde. In 2015 fuseerde tenslotte het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis met het Sint Lucas Andreas Ziekenhuis. HBO- en gespecialiseerde verpleegkundigen worden weer dringend gezocht. Per slot van rekening zijn er 200.000 behandelingen per jaar, waarvan 7000 bevallingen.


SABINE RUITENBEEK WERKTE VAN 2004-2015 ALS ADJUNCT-DIRECTEUR TEACHING HOSPITAL IN HET OLVG EN IS AFGESTUDEERD IN DUITSE TAAL EN LETTEREN. DEZE MAAND VERSCHIJNT HAAR BOEK VAN ZIEKENZORG NAAR DIAGNOSE EN BEHANDELING, EEN GESCHIEDENIS VAN OLVG OOST EN WEST IN AMSTERDAM BIJ VALKHOF UITGEVERIJ IN NIJMEGEN.