Nummer 4: April 2018 - Bloemenman

'Ik ben eigenlijk net Karel Appel'

Het Stadionplein is het Stadionplein niet meer. De grote open ruimte is gevuld met een parkeergarage, een huizenblok, middenstand, horeca en een appartementenhotel. Zelfs de naam verandert mogelijk in het Johan Cruijffplein. Op 28 september 1972 won hij met Ajax in het Olympisch Stadion de Wereldbeker. Jan Arends, bloemenverkoper op het plein, zag en ziet alle veranderingen van nabij. 'Ik let op al-les.'

De bloemenman Jan Arends staat sinds 1987 op het plein. Hij is 64 jaar; over twee jaar loopt zijn vergunning af. Zijn nering verhuisde al vijfmaal, de laatste keer (op een pompwagen gehesen) naar een nieuwe stek tegenover het Total-benzinestation. Hij staat tegenwoordig in een strookje groen, voorheen zeer in trek bij hondenbezitters. De stal meet drie bij drie en is in hoogte net wat lager dan Jan groot is: 1.75 meter. Kijkt hij naar rechts, dan ontnemen twee hoge schakelkasten hem het zicht. En dan is er ook nog die nieuwe bloemenwinkel. En niet te vergeten de Albert Heijn.
"Ik kwam van de kermis. Maar alles werd duurder, vergunningen, staplaatsen, alles. Ook had je maar voor een half jaar werk, de rest zat ik in de WW. Mijn schoonvader had een bloemenstal bij het Hilton. Ik dacht: bloemen heb je het hele jaar door. En het was werk met je handen. Toen een bekende op het Stadionplein ermee uit schee, koos ik voor een stal.
"Het Stadionplein was een zondagplek. Op zondagen mocht je nergens verkopen, tenzij er een ziekenhuis, begraafplaats of eindhalte in de buurt was, en hier lag het eindpunt van lijn 16 vlakbij. Zondagen waren goeie dagen - winkels dicht, veel visite. Ik stond er naast de Febo. Met iedereen praten, gratis koffie. Als ik tegen sluitingstijd ging, dan kreeg ik het vaak zo mee, met een broodje en De Telegraaf erbij. Als ze mij iets aanbieden zeg ik altijd: ja. Dat zuinige heb ik van vroeger. Want wat je krijgt, hoef je niet te kopen."

Apart
"Ik heb daar achttien jaar gestaan. Het waren mijn beste jaren: veel omzet, veel aanspraak. Met 400 guldens inkoop had ik een omzet van wel f 2000,-. Op een echte bloemenmannenmanier zou je het hier nog geen jaar uithouden. Maar ik heb mijn trucjes. Op zondagen kon ik meer vragen, want de mensen konden toch nergens anders heen. Bovendien komen zondagsklanten vaak van buiten. Visite heeft meer te besteden. De stemming is feestelijk, het is niet voor jezelf. Dan ga je niet moeilijk doen.
"Ook heb ik altijd andere bloemen gehad dan binnenstadstallen. Ik verkocht bloemen die niemand op de veiling wilde hebben. Ik ben eigenlijk net Karel Appel. Ik had boeketten in de gekste kleuren, van bloemen met een rare of platte kop, kromme stelen. Het schreeuwde, maar het was niet lelijk. 'Apart', zeiden de klanten. Artistieke mensen, een beetje zweverige types - die heb je hier in Zuid, zoals ik: lekker wild, gek. De raarste mensen had ik hier.
Maar op die plek naast de Febo kon Arends niet blijven staan. Hij verhuisde naar de overkant en kwam naast de Citroëngarage terecht. "Ik moest daarheen omdat ze een fietspad gingen aanleggen. Ik wist niets van die plannen, ik moest het bij het tankstation te horen krijgen. Bleek dat fietspad dwars door mijn stal te lopen." Bij de Citroëngarage konden de automobilisten minder goed bij hem komen. En er was nog een nadeel: "Je had daar de hele dag zon. Dat was slecht voor de bloemen." Toen het fietspad af was, kwam hij op de hoek van het plein terecht, bij de Argonautenstraat, waar nu het hotel staat op een steenworp afstand van zijn huidige stek.

Aura
"Nu sta ik dus hier. Aan de ene kant meer in het zicht, alleen: stoppen is lastig. Automobilisten die de stad inrijden zijn me voorbij, voordat ze er erg in hebben. Ik heb drie jaar tegen een bord 'Afslag afgesloten' aangekeken. Op een gegeven heb ik een bord geschilderd: 'Parkeren Bloemen vier keer rechtsaf'. Ik had eigenlijk meer stampei moeten maken. Meer moeten dwarsliggen, dan had ik misschien meer schadevergoeding gekregen, maar ach.
"Ik zie veel, ik herken mensen, hun auto's, weet wie hier wonen. Ik let op al-les. Op zondag heb ik mijn enige vaste klanten, misschien dat die mij toch sympathiek vinden. Een groepje van vijf heel gelovige vrouwen, dat hier verderop bij iemand van 101 samenkomt om te bidden. Ik geef er nog wel 'ns wat bij: 'Zet maar op tafel en bid voor mij. Dat ik veel mag verdienen.'
Maar er gaan dagen voorbij, steeds meer, dat hij niets verkoopt. "Vroeger kon ik nog wat morsen, maar nu zit er niks meer in. Het is de nieges. Ik sprak laatst een vrouwtje. Volgens haar was het aura. 'Aura, aura, aura', zei ze. Zij ging met een kaars haar restaurant rond om het te verdrijven. De volgende dag heb ik hier met 'n aansteker staan wapperen. Die dag ving ik nog steeds niet meer dan € 15-."

Gewend
"Eigenlijk kén het niet meer. Het systeem is veranderd. Als ze van hiernaast bloemen nodig hebben, dan komt er een bestelwagen. Dat hotel bestelt via Google. Ik sta op twintig meter bij ze vandaan, maar ik zit niet in hun systeem. Het werkt niet meer zoals vroeger. Was ik jonger geweest, dan had ik de kraam hipper gemaakt. Misschien zelfs wel een andere gekocht, groter. Met leuke lampjes, strips op de zijkant. Het is nu een ouwe zooi, maar ja, ik moet nog 25 maanden. Dan ga ik toch niet meer investeren? En toch: ik ben gewend aan deze plek. Eenzaam? Soms. Geluk is een goeie dag, veel klanten, lekker weer, maar het duurt kort. Schrijf maar op: Als de bloemenman is overleden, komt op de kaart te staan: 'Geen bloemen. Jan hield niet van bloemen.'"


FERRY WIERINGA IS JOURNALIST EN SCHRIJVER.