Nummer 4: April 2018 - Drie bruggen van Herman van der Heide

Zonder kapsones

Ze vallen op: de drie bruggen op een rij over de Nieuwe Herengracht. Een mooie serie. Ze zijn een halve eeuw geleden binnen een tijdsbestek van tien jaar gebouwd. De markante leuningen zijn gemaakt door beeldhouwer Herman van der Heide.


In 1951 voerde het ministerie van Onderwijs, Kunst en Wetenschappen de 'percentageregeling' in: voortaan mocht bij de bouw van alle belangrijke representatieve gebouwen 1,5% van de bouwsom worden bestemd voor 'decoratieve aankleding'. In Amsterdam was die hang naar verfraaiing al decennialang vast beleid. De prachtigste voorbeelden zijn de stedelijke bruggen, tot stand gekomen onder aanvoering van Piet Kramer, van 1917 tot 1952 architect bij de afdeling Bruggen van de Dienst der Publieke Werken.
In de jaren vijftig werd dat beleid voortgezet. Tussen 1959 en 1968 liet Amsterdam weer drie grote bruggen door een kunstenaar verfraaien. Toevallig liggen zij alle drie over de Nieuwe Herengracht, alle drie ook werden vormgegeven door de beeldhouwer Herman van der Heide (1917-1998).
Herman van der Heide begon als etaleur bij V&D, bezocht de avondopleiding aan de Academie Minerva in Groningen, daarna de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag. Om echt kunstenaar te worden verhuisde hij met zijn gezin naar Amsterdam, waar hij werkte als inrichter van tentoonstellingen en probeerde zich als vrij beeldhouwer te ontwikkelen. In 1955 werd hij lid van de Liga Nieuw Beelden. De Liga-kunstenaars namen een voorbeeld aan de 'beelding' van de De Stijl-kunstenaars: zij meenden dat kunst - abstracte kunst - goed kon worden ingezet voor de 'harmonisering' van de bebouwde omgeving. Ze zochten dus gretig naar samenwerking met architecten, stedenbouwkundigen en dergelijke - een kenmerkend aspect van het kunstleven na de oorlog.

Experiment
In 1955 werkte Van der Heide met Hans Ittman, Joost Baljeu, Constant en André Volten mee aan de eerste tentoonstelling van de Liga, onder de titel Nieuw Beeld. Architectuur en Beeldende Kunst. Ze pakten het anders aan dan in een museum tot dan toe gewoon was: ze bouwden de metalen raamwerken en de vitrines zelf, en ze probeerden zo het verschil tussen 'het kunstwerk' en 'de architectuur' van de tentoonstelling zo klein mogelijk te maken. Ze deden dat in de Nieuwe Vleugel van het Stedelijk Museum, en dat was een passende omgeving voor hun experiment: directeur Willem Sandberg wilde dat dit gebouw niet een 'gewoon' museum zou zijn, maar iets "zonder kapsones, iets tussen een fabriek en een schoolgebouw in".
In die periode maakte Van der Heide kennis met de architect Dirk Sterenberg (1921-1996), die na Kramer verantwoordelijk werd voor de bruggen bij Publieke Werken. Hij zou in Amsterdam meer dan 150 bruggen ontwerpen. Bij drie daarvan betrok hij Van der Heide: de Hortusbrug (1959), tussen Muiderstraat en Plantage; de M.S. Vaz Diasbrug (1964), in de Weesperstraat; en de Latjesbrug (1968), in de Anne Frankstraat. Sterenberg ontwierp de brug, Van der Heide de leuningen.

Leuningen
Bij de Hortusbrug bestaat de leuning uit een rij min of meer gelijke vierkanten, staand op een voetje. Elk vierkant is als een schilderij, met een compositie van lijnen en vlakken, niet heel anders dan de schilderkunst van die jaren. Die motieven zijn ook te zien in de M.S. Vaz Diasbrug, 100 meter verderop, vijf jaar later. Ook hier bracht Van der Heide die kleinere vierkante stukken aan, maar ze zijn meer opengewerkt en worden afgewisseld met horizontale balken. De figuren in die kaders zijn niet helemaal abstract: je herkent er planten, zon en maan, kleine mannetjes.
De voorliefde voor die vierkantjes is ook terug te vinden in het monument voor Vaz Dias uit 1965, dat naast de brug kwam te staan. Mozes Salomon Vaz Dias (1881-1963) was een journalist, en oprichter (in 1904) van het Persbureau M.S. Vaz Dias. Hij leverde persberichten aan dagbladen en tijdschriften. In 1922 gaf hij het eerste live-radioverslag ter wereld van een voetbalwedstrijd, via de zender die de Nederlandse Seintoestellen Fabriek op de Amsterdamse effectenbeurs had geplaatst. Het persbureau ging in 1934 op in het ANP; Vaz Dias werd er een van de eerste directeuren van. Van der Heide maakte een gekantelde kubus, uit stukken aan elkaar gelaste staalplaat. Aan de ene kant is de compositie open, aan de andere dicht. Het geheel staat op een H-vormige sokkel, die misschien wel verwijst naar de naam van de beeldhouwer.
De leuningen van de Latjesbrug, 200 meter verder oostelijk, verschillen van die van de vorige twee: de leuningen van de Hortus- en Vaz Diasbrug zijn gegoten, die van de Latjesbrug gelast uit staalplaat. Hier vatte Van der Heide de leuningen op als één geheel. Lange smalle platen zijn tot vormen gevouwen, met 'ezelsoren' en kleine rechthoekige openingen. Vanaf het water gezien maken de leuningen echter een gesloten indruk.

Betrokken
Drie bruggen over dezelfde gracht, binnen tien jaar: dat betekende dat Van der Heide de drie als opeenvolgende 'werken' kon zien, als een serie. Een brug was iets bijzonders, vond Van der Heide. Mensen rijden er langs elkaar heen, twee kanten op; hij wilde die dynamiek graag in die leuningen zichtbaar maken. Hij schreef zelf: "Bij de Hortusbrug: door losse elementen die met elkaar een staccato vormen dat het verloop van de weg volgt; bij de Weesperstraatbrug door de elementen te verbinden onder een doorlopende bovenstrip en bij de [Latjesbrug] door gebruik te maken van één type plaat, een verdere vereenvoudiging dus van de werkwijze, zonder gietwerk."
Kunstenaars als Herman van der Heide hadden een dienstbare instelling. Het waren geen mannen die per se hun eigen artistieke ei wilden leggen. Het hele idee van hun betrokkenheid bij Publieke Werken (en van de percentageregeling) was dat ze werk zouden maken dat niet los stond van de omgeving, maar er logisch in geïntegreerd was. In die geest heeft Van der Heide talloze werken gemaakt voor de openbare ruimte, in overheidsgebouwen en scholen, werk waar nu soms met weinig respect wordt omgegaan. Omdat nogal wat overheidsgebouwen uit de wederopbouwtijd worden vervangen, worden beeldhouwwerken en wandreliëfs, zoals Van der Heide ze veelvuldig maakte, gemakkelijk weggesloopt.