Nummer 4: April 2018

 

Cover 145x205april

Prijs €6,- Bestel

Op de omslag: De zusters van het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis op de omslag van Margrier, 21 mei 1966

- Spektakel in Paradiso

- Vrouwen op de tram

- Zusters in het OLVG

- Adriaan Kortlandt

En verder:

- Vaste route van Elsje de Wijn

- Stem uit het verleden: Nico ter Linden

- Hildo Krop in zijn atelier


Paradiso-1-installatie

'Sensatie willen wij' 

Het hippietijdperk is voorbij, de jaren tachtig breken aan. Geen lieve vrolijkheid meer. In de stad zijn de krakers- en kroningsrellen, in Paradiso roepen kunstenaars de sfeer van chaos en onverzoenlijkheid op die buiten heerst. Een boos decor van Heras-hekwerk en zwart-rode vlaggen. De Terroristennacht. Valt er nog wat te lachen, misschien? Jawel, als Django Edwards meedoet. 

Heel Paradiso ruikt naar olifantenpoep op 20 december 1980. Midden in de grote zaal staat een houten toren, aan de zijkant een muur van televisietoestellen. Bezoekers klauteren naar binnen door tegen elkaar gereden sloopauto's die tegen de zijingang staan. Graffitikunstenaar Dr. Rat heeft een oude Citroën beschilderd met gele en rode verf, dezelfde kleuren als de poster die overal in Amsterdam hangt: de aankondiging van de Terroristennacht, georganiseerd door Erik Hobijn en de Stads Kunst Guerrilla. Het is de heftigste performance in de geschiedenis van Paradiso.
De Terroristennacht is de derde avond in de reeks Kunstenaarsfeesten waar Paradiso subsidie voor gekregen heeft binnen het Praktijk Onderzoek Beeldende Kunsten (POBK). Een hele mond vol, en dat zit zo: in 1974 heeft het ministerie van CRM (Cultuur, Recreatie, Maatschappelijk Werk) "een onwenselijk isolement" van de kunst en de kunstenaar vastgesteld. Er komt een subsidieregeling waarin het "sociale karakter" en een "teamsgewijze werkwijze" voorop staat. Een stroom aanvragen voor "verbetering van woon- en leefomgeving" of "individuele en maatschappelijke bewustwording" volgt.
De aanvraag van de staf van Paradiso is origineler. Het plan is om verschillende kunstenaars in te schakelen als "ontwerper van een environment": een totale metamorfose van het gebouw, waarbinnen zich vervolgens allerlei "muzikale, theatrale, beeldende festiviteiten" voltrekken. In de aanvraag verwijst Paradiso naar de eeuwenoude traditie om (beeldend) kunstenaars grootse volks- of hoffeesten te laten ontwerpen. De provocerende en ludieke performances van de beginjaren van 1968 tot 1975 blijven ongenoemd. Toen hadden kunstenaars bijvoorbeeld de grote zaal in blauw licht gezet of de Levende Opjekten Sjoo - met blote mensen - gepresenteerd. Die optredens rieken voor de staf misschien te veel naar het voorbije hippietijdperk.

Nieuwjaarsdag
De zieltogende poptempel is in de tweede helft van de jaren zeventig weer opgeleefd door punk. Naast punk, reggae, Nederlandstalige pop en rock-'n-roll staan in die tijd ook thema-avonden op het programma, zoals 'Werken is niet leuk', 'Homo Bevrijdingsdag' en '2000 jaar ellende met het Christendom'. Met de kunstenaarsfeesten wil Paradiso een stapje verder gaan. "Wat wij willen is sensatie, in de goede zin van het woord. Wij willen weer de talk of the town worden", vertelt een van de stafleden aan Benjo Maso en Kees Bruin, de sociologen die door het ministerie aangesteld zijn om de feesten te volgen.
Na een valse start - de eerste kunstenaar zag geen kans om binnen het beschikbare budget van f 45.000,- een avond te verwezenlijken -, bedenkt Walter Barten een installatie die hij het 'anarchistisch labyrint' noemt. Aan een netwerk van touwen en kabels wil hij allerlei objecten hangen, zodat in de loop van de avond een 'verdichting' ontstaat. Barten wordt overvallen door het besluit van de Paradiso-staf om het feest op 1 januari 1980 te houden: de dag van de decenniumwisseling. Daarom vraagt hij de Rietveldstudenten die de objecten gaan maken om de "toenemende chaos, onduidelijkheid en verstoring" van de jaren zeventig tot in het absurde door te trekken.
Er is beeldende kunst en er zijn optredens. Cabaretier Freek de Jonge en de Vlaamse satiricus/schrijver/journalist Johan Anthierens houden nieuwjaarstoespraken "namens Nederland en België". De bezoekers verdringen zich voor een pornofilmpje, gemaakt door een van de Rietveld-studenten, maar de overige objecten maken weinig indruk. "Een interessante mislukking", noteren de sociologen uit de mond van Barten. "Maar ik moet nog zien of anderen het beter doen."

Heras-hekwerk
Paradiso heeft een vrij sturende rol in de avond van Barten en dat is ook weer zo bij de volgende kunstenaar. George Hulshof mag een serie manifestaties ontwerpen voor de periode 30 april - de inhuldiging van Beatrix - tot en met 5 mei. Macht was volgens de Paradiso-staf het verbindende element tussen troonwisseling, Dag van de Arbeid, Dodenherdenking en Bevrijdingsdag. Aan Hulshof de taak om macht en machtssymbolen binnen Paradiso zichtbaar en voelbaar te maken. Voorwaar een actueel thema. De kraakbeweging en het gezag zijn luttele maanden eerder slaags geraakt tijdens de ontruimingen van de Groote Keijser en in de Vondelstraat.
Hij heeft van Bartens avond geleerd, dat hij de metamorfose van het gebouw wat grootser moet aanpakken. Il paradiso perduto (Het verloren paradijs) noemt hij zijn decor van Heras-hekwerk en steigerpijp - volgens de kunstenaar symbolen voor kansarme jongeren sinds de musical West Side Story (1957) over de strijd tussen straatbendes in New York. Een gestileerde vuist is het machtssymbool. Er hangen vlaggen en rode en zwarte schilderijen in de zaal en een enorme spiegel boven het podium. Hij hoopt dat van zijn environment een prikkelende en irriterende werking uitgaat, met name op groepen zoals de punkers die, zonder het te willen toegeven, zelf macht uitoefenen. De optredens voltrekken zich in zijn zwart-rode decor.
Op de avond van de tumultueuze troonswisseling is er een Anti Oranje Bal. Voor de 1 meiviering hebben, tot woede van de kunstenaar, de groepen die in Paradiso de Dag van de Arbeid vieren hun eigen spandoeken, posters en vlaggen over zijn schepping gehangen. In de loop van de week slaagt hij er slechts één keer in iets van een agressieve stemming te kweken, namelijk voorafgaand aan het punkconcert op 3 mei. Het eerste deel van die avond gebeurt er helemaal niets. "Geen sprekers, geen muziek, zelfs niet in ingeblikte vorm. Na enige tijd werd het publiek steeds ongeduldiger - tenslotte hadden zij toegangsprijzen moeten betalen. Voortdurend werd er 'Muziek, godverdomme!' geroepen", schrijven Bruin en Maso.

Guerilla
Na enige tijd betreedt de journalist Ton van Dijk het podium en begint aan de punks uit te leggen waarom hij tegen geweld is. Geschreeuw, gescheld, spreekkoren. "We willen The Slits." Dan zet Van Dijk een geweer in elkaar en vuurt het af, met losse flodders. Het publiek reageert verbaasd en begint te joelen, maar zodra The Slits het podium betreden, neemt de avond al snel zijn normale verloop en beginnen de voorste rijen te pogoën. De kunstenaar is teleurgesteld. Hij had gehoopt dat de punks kwaad zouden worden "door de confrontatie met hun eigen fascistoïde machtsuitoefening". Zoals het een kunstzinnig experiment betaamt, is er een nabespreking. Iedereen is het erover eens dat Hulshof de overtuigingskracht van zijn werk ernstig overschat heeft en weinig meer heeft gemaakt dan een mooi decor. Hij is "binnen zijn traditionele rol gebleven".
Paradiso-directeur Huib Schreurs is in de zomer van 1980 op zoek naar een volgende kunstenaar. In principe heeft die een grote vrijheid. "De inbreng en begeleiding van Paradiso bestaat eruit maatschappelijke thematiek van jongeren in de manifestatie te vervlechten", staat in zijn beleidsplan. Als hij tijdens het Festival of Fools op het ADM-terrein getuige is van een provocerend anti-establishment optreden van Erik Hobijn, weet Schreurs dat hij die nieuwe kunstenaar gevonden heeft. Hobijn sterft bijna tijdens zijn act met een hooggespannen koord en vuur.
Een paar dagen later ziet Schreurs Hobijn fietsen en houdt hem aan. Of hij het volgende kunstenaarsfeest wil organiseren. Hij krijgt de vrije beschikking over Paradiso. In februari 2018 vertelt Hobijn: "De SKG-nacht was geen kunstenaarsnacht in de zin dat we kunst gingen maken. Ons gedachtegoed kreeg f 20.000,- en we mochten die ruimte hebben. Ik heb het onderste uit de kan gehaald."

'Terroristencongres'
'Ons' is de Stads Kunst Guerrilla, die Hobijn in 1978 heeft opgericht samen met Peter Giele, Marijke ter Rele en David Veldhoen. Het belangrijkste wapenfeit van de SKG is - naast een heleboel grote ME-poppetjes als graffiti op Amsterdamse muren - een onaangekondigde performance tijdens een opening in Museum Fodor in september 1979. Een vriendje van Hobijn steekt het lont aan in een torso, die hij en Veldhoen hebben achtergelaten. Er ontstaat zoveel rook dat het pand ontruimd moet worden.
Hobijn is een onbekende voor de staf. Hij is wel al vaak in Paradiso geweest op punkconcerten - en er ook regelmatig uit gegooid. Hij gaat voortvarend aan de slag en vindt in Daniel Levenbach een projectleider voor zijn 'Terroristencongres' op 20 december. Hobijn is bij de projecten die hij uitvoert in het NRC-gebouw - een groot kraakpand pal achter het Koninklijk Paleis - niet gewend om alles tot in de puntjes te omschrijven. Paradiso wil wel ongeveer weten wat ze van plan zijn.
"Uitgangspunt is de paradoxale gedachte: feestvieren in een concentratiekamp, feesten en dansen op een puinhoop en in een sfeer van verval en destructie", noteert een stafmedewerker. Hobijn zelf: "Kunst is oorlog, je komt een Kriegsraum binnen, mensen zijn onderling aan het kämpfen wie de beste is, wie beroemd wordt wie niet." Een wachttoren met prikkeldraad, afvalmateriaal op de vloer afkomstig van het op 2 december ontruimde kraakpand de Grote Wetering, verderop aan de Weteringschans.
Het SKG-feest is voor Erik Hobijn vooral een manier om de punks te irriteren. Hij vindt dat punk zichzelf op zou moeten heffen. "Ik wou een kerk maken voor de punks, de avond opbouwen zodat iedereen steeds opgefokter zou worden en dan stoppen en de-escaleren." Hij verzint allerlei manieren om zijn publiek te irriteren, zoals het inzetten van sloopmateriaal van de Grote Wetering - "heilig materiaal van de strijd die ze verloren hadden", storend geluid (een hoge sinustoon in de hal) en het voortduren schoonmaken van de wc's, die punks immers bij voorkeur vol kalken met graffiti.

Jongensdromen
De avond is een pandemonium. Vanaf de toren klinkt keiharde punkmuziek. Het fraaiste visuele effect van de avond komt van de zakken kaf, die wolken stof produceren in het vale licht en ook alle geluidsinstallaties onklaar maken. Op de balkons geeft de theatergroep Dogtroep een parodie op dolgedraaide mensen. Dichters met megafoons overschreeuwen elkaar. Auto's worden op hun kop gezet en 'werkers' lopen met ladingen olifantenpoep naar een van de wc's. Juris Vičs, de vader van Dr. Rat, legt de avond vast op dia's.
Op het moment van de-escalatie (rond elf uur) verschijnen Hobijn en zijn medewerkers in witte uniformen om muren en zuilen wit te verven. De staf heeft de bezoekers dan al de deur uitgewerkt, opgelucht dat Paradiso het de avond overleefd heeft zonder brand of ernstige ongelukken. Een journalist van de Nieuwe Revue noemt het feest "het interessantste culturele gebeuren van '80".
Hun opvolgers Jeroen Henneman en Willem van Malsen doen het heel anders. Geen totaalspektakel, maar een aantal theatrale acts. De twee ministeriële verslaggevers beschrijven hun avond in mei 1981 als "de verbeelding van een soort jongensdroom met al zijn angsten en verlangens". De kunstenaars treden op als bodybuilders, als Tarzan en Jane en als twee gigantische tekenpotloden. Door een zee van laserlicht steken ze in een bootje de zaal over. Tussen de acts door spelen het Nederlands Blazersensemble en een pianist. Paradiso-directeur Huib Schreurs vindt het allemaal "heel geestig", zelfs hilarisch de act waarbij Van Malsen zogenaamd vanuit een kanon door een gebrandschilderd raam geschoten wordt. Hij en zijn mensen zijn zeer te spreken over de samenwerking met Henneman en Van Malsen, vanwege hun professionaliteit en het ontbreken van 'kunstenaarskapsones'.

Traditie
Was het Praktijk Onderzoek Beeldende Kunsten geslaagd? Was de "kloof van onbegrip" die volgens de subsidieaanvraag van Paradiso gaapte tussen "eigentijdse kunst en publiek" gedicht? Bruin en Maso spraken ook met het publiek. Bij Bartens 'anarchistisch labyrint' en 'het verloren paradijs' van Hulshof hadden de bezoekers nauwelijks door dat het om een kunstproject ging. Pas toen ze uitleg kregen, gaven ze artistieke oordelen en diepere uitleg. En de echte doelgroep was weggebleven. Bij de twee meest geslaagde feesten wisten de kunstenaars vooral hun eigen bekende publiek te trekken: de Amsterdamse punks respectievelijk de vrienden en kennissen van Henneman en Van Malsen. In de geschiedenis van Paradiso was het niet de eerste en zeker ook niet de laatste keer dat beeldend kunstenaars betrokken waren bij de aankleding van het gebouw of de inhoud van een programma. In die zin waren de kunstenaarsfeesten van 1980-1981 deel van een traditie die Paradiso al 50 jaar lang maakt tot meer dan een poppodium.


ANNEMARIE DE WILDT IS CONSERVATOR BIJ HET AMSTERDAM MUSEUM.


50 JAAR PARADISO
Veel meer over 50 jaar Paradiso in het Amsterdam Museum. Op de gelijknamige tentoonstelling zijn 200 unieke foto's te zien van concerten en artiesten, feesten en bijzondere bijeenkomsten. Er is (uiteraard) muziek te horen en bezoekers, artiesten en medewerkers van Paradiso vertellen over hun belevenissen.


50 JAAR PARADISO. AMSTERDAM MUSEUM, KALVERSTRAAT 92. TOT EN MET 19 AUGUSTUS


Tram-1-vrouw-op-tree

Vrouwen op de tram

In 1943 neemt het Amsterdamse GVB voor het eerst vrouwen in dienst als conductrice op de tram. Hun komst is een direct gevolg van de bezetting. Er is een personeelstekort ontstaan door de tewerkstelling van mannen in de Arbeidsdienst en het ontslag van Joodse medewerkers. Vrouwen werven is de oplossing. Na de bevrijding volgt ontslag.

Binnen enkele maanden na de capitulatie op 15 mei 1940 worden de gevolgen van de bezetting merkbaar bij de Amsterdamse tram. Anti-Joodse maatregelen bereiken ook trambestuurders en conducteurs. Op 9 oktober 1940 stuurt directeur Willem Hofman (1932-1955) met openlijke tegenzin de 'Kennisgeving aan de ambtenaren en werklieden der Gemeentetram en -Veren' rond, die later bekend komt te staan als de ariërverklaring. Hofman vermeldt uitdrukkelijk dat hij handelt op verzoek van de secretaris-generaal van Binnenlandse Zaken. Op 4 november worden alle Joodse gemeenteambtenaren ontslagen, zo ook trambestuurders, monteurs en conducteurs. 41 Joodse personeelsleden verliezen hun baan; slechts drie van hen zullen de oorlog overleven.
Het trampersoneel speelt vervolgens een cruciale rol bij de Februaristaking van 1941. De tram rijdt niet - en dat geldt als een krachtig en zichtbaar signaal van verzet in de stad. De staking wordt met geweld beëindigd, enkele deelnemers krijgen de doodstraf, anderen worden vastgezet. De GVB-directie reageert met diverse maatregelen: loonkorting, schorsing, vervroegd pensioen en ontslag. Als er door het personeel geld wordt ingezameld voor de ontslagen collega's wordt dat door directeur Hofman verboden, op straffe van ontslag. Hij verbiedt ook het beledigen van NSB-collega's of het niet correct bejegenen van Duitse soldaten.
Op 18 juni 1942 krijgt Hofman te horen dat Joden geen gebruik meer mogen maken van het openbaar vervoer; kort daarna moet hij trams en personeel inzetten voor het vervoer naar het Centraal Station van jonge en bejaarde Joden, opgeroepen voor 'tewerkstelling' in Duitsland. De bestuurders en conducteurs krijgen een speciale Sperre (tijdelijke vrijstelling) zodat zij na de avondklok de trams kunnen rijden. Over de al of niet loyale houding van de directie van het trambedrijf zou na de oorlog nog veel geschreven en gedebatteerd worden.

Personeelstekort
De druk op het personeel neemt hand over hand toe. In april 1942 worden ongehuwde mannen tussen 18 en 22 jaar opgeroepen zich te melden voor de Arbeidsdienst (Arbeitseinsatz)in de Duitse oorlogsindustrie; tegen september 1942 is ongeveer 250 man trampersoneel naar Duitsland vertrokken. Vijftien mannen zijn vrijwillig in dienst gegaan bij de Wehrmacht. Zo'n 150 werknemers hebben zich ziekgemeld, van wie een aantal is ondergedoken om aan de Arbeidsdienst te ontkomen.
Nog eens 50 man worden opgepakt voor activiteiten variërend van het houden van postduiven tot het waarschuwen voor razzia's en andere illegale activiteiten. In 1943 volgt ontslag voor de mannen die met een Joodse vrouw getrouwd zijn. In totaal verliest het bedrijf meer dan 400 arbeidskrachten. De trams blijven rijden, maar het tekort aan personeel is merkbaar. Lijnen worden (tijdelijk) opgeheven, pauzes ingekort, verloven ingetrokken. De nog aanwezige personeelsleden maken soms werkweken van 54 uur.
Directeur Hofman weet burgemeester Edward Voûte begin 1943 ervan te overtuigen dat het verlies van arbeidskrachten desastreuze gevolgen zal hebben voor de exploitatie van het tramnet: nog meer GVB-personeel naar de Arbeidsdienst kan niet. Op de achtergrond is het bedrijf dan al bezig met het werven van vrouwelijk personeel. In november 1942 besluit de burgemeester dat wegens het tekort vrouwen op proef mogen worden aangenomen. Formeel is dat onmogelijk: in de crisistijd hebben schaarste en werkloosheid de katholieke leider Romme in 1937 gebracht tot het beruchte wetsvoorstel waarin het gehuwde vrouwen verboden werd te werken, om geen arbeidsplaatsen van mannen in te nemen. Getrouwde vrouwen die al werkten verloren hun baan en nieuwe mochten niet worden aangenomen.

Eisen
Maar nood breekt wet. Voûte verklaart bovendien dat in het buitenland vrouwen al veel langer op bus en tram werken, zoals ook bij regionale vervoerders in Gelderland, Groningen en het Gooi. Zes weken later, in januari 1943, wordt nog meegedeeld dat het in dienst nemen van de conductrices niet doorgaat in verband met te weinig aanmeldingen, maar het trambedrijf zet de werving door in maart en de volgende maand al verrichten de eerste conductrices hun diensten op de lijnen 3 en 24. Op drie december 1943 volgt een nieuwe oproep aan vrouwen om zich aan te melden als conductrice.
Wat de rekrutering bemoeilijkt is het grote aantal eisen. De toekomstige conductrices moeten: ongetrouwd zijn, tussen de 20 en 35 jaar oud en minimaal 1.65 lang zijn, de lagere school hebben doorlopen en ze mogen geen bril dragen. Slechts 100 reacties komen binnen, terwijl er ongeveer 300 vrouwen nodig zijn. Kranten melden dat bij gebrek aan vrijwillige aanmeldingen de arbeidsbureaus over zullen gaan op arbeidsverplichting.
Dat is niet makkelijk. Sinds 1941 kunnen vrouwen zich wel vrijwillig aanmelden voor de Arbeidersdienst, maar van verplichte indienststelling mag geen sprake mag zijn. Wel is het mogelijk dat vrouwen die zich op een andere functie hebben aangemeld, verplicht kunnen worden te gaan werken bij de vervoersbedrijven. In Rotterdam is dat al gebeurd. Nu worden ook in Amsterdam vrouwen uit andere functies 'gevorderd', of ze bij de Arbeidsdienst werken of niet.
Dat overkomt Hendrika 'Rie' Blok. Een halve eeuw later beschrijft zij haar wederwaardigheden in Ons Amsterdam: "Zelf werkte ik bij de Galeries Modernes in de Reguliersbreestraat, waar nu de Hema is. Op donderdag 1 april kwamen een paar Duitsers daarbinnen en wezen lukraak vijf verkoopsters aan, ook mij." Hetzelfde gebeurt die dag bij V&D, Bijenkorf en Modehuis Gerzon. Blok en een dertigtal andere vrouwen worden eerst meegenomen naar de Gemeentelijke Uniforminrichting op de Prinsengracht en dan naar het hoofdkantoor van het Gemeentevervoerbedrijf, Stadhouderskade 1. Daar krijgen ze een 'kraagnummer', en een spoedcursus van een week in de remise.

Minder loon
Het GVB probeert ook ontheffing te krijgen voor het aannemen van getrouwde vrouwen, maar die krijgt het niet. Vrouwen in overheidsdienst dienen volgens de wet op de dag van hun trouwen ontslagen te worden. Er is echter een maas in de wet: getrouwde vrouwen kunnen wel op een tijdelijke arbeidsovereenkomst aan de slag gaan. Sommige vrouwen worden dus ontslagen als ze trouwen en een dag later weer aangenomen.
Een van die vrouwen is Antonia Heisterkamp-Grenzebach, die in 1943 bij de tram poseert en net in de zomer van dat jaar is gehuwd. Een ander is Margaretha Holman-van der Steen, 27 jaar en weduwe, met een dochtertje van zes, als zij bij de Gemeentetram komt werken. Zij is in het verzet actief als koerierster en maakt daarbij dankbaar gebruik van haar ontheffing voor de avonduren. In 1944 wordt zij opgepakt, maar ze komt vrij en hertrouwt na de oorlog.
De vrouwen gaan na de spoedcursus en een korte begeleidingsperiode zelfstandig aan de slag. Zij leren tang en stempel te hanteren, bijwagens aan te koppelen, remkabels aan te brengen en weg te nemen, wissels om te leggen en tramtreden op te klappen. Voor de vrouwen gelden aangepaste werkzaamheden en diensttijden. Zij hebben een 48-urige werkweek en langere eetpauzes.
Van meet af aan is duidelijk dat de vrouwen minder loon zullen krijgen dan de mannen. Het loonstelsel moet er zelfs voor worden aangepast, omdat in de regeling van de gemeente staat dat bij gelijk werk het loon ook gelijk moet zijn. Er komt aan aparte loonklasse voor de nog aan te stellen conductrices. Mannen ontvangen een weekloon f 24,-, vrouwen maximaal f 17,28 per week. De vrouwen delen wel gelijkwaardig in toeslagen, maar als de mannen een extra rantsoen tabak krijgen, geldt die voor de vrouwen niet.

Opmerkingen
De eerste vrouwen op de tram baren flink opzien. Er zijn mensen die het de vrouwen kwalijk nemen dat zij dit werk doen. Rie Blok: "De eerste tijd kregen we nog wel nare opmerkingen naar ons hoofd, omdat mensen dachten dat we vrijwillig de plaatsen innamen van mannelijke conducteurs die gedwongen waren in Duitsland te werken. Ik hoor nog een vrouw zeggen: 'Mijn man zit in Maagdenburg op de tram! Wat doe jij hier, op zijn plaats?' Nou ben ik niet op mijn mondje gevallen, dus ik zeg: 'Je mag hem metéén m'n pet en baret gaan brengen, dan kan ik ook weer aan m'n echte werk!'"
Seksistische opmerkingen hoort zij weinig. "Nou ja, één keer een dronkenman op het achterbalkon van lijn 25. Net toen ook mijn eigen vader in de tram zat! Maar toen werd ik meteen door allerlei andere mannen in bescherming genomen. Van mannen heb ik weinig last gehad op de tram. Wél van vlooien!"
Blok doet er alles aan om van de tram af te mogen. "Ik had een bril en klaagde dat ik 's avonds zo weinig kon zien. Om van het gezeur af te zijn heeft zo'n NSB-arts mij ten slotte naar een oogarts gestuurd, die normaal Duitse vliegeniers op nachtblindheid onderzocht. Dat was geen rotzak, dus verklaarde die dat ik inderdaad aan nachtblindheid leed. Ik dacht: Ha! Nu word ik afgekeurd. Maar die bedrijfsarts zei doodleuk: 'Dan ga je maar alleen overdag rijden.' Ik heb gehuild van woede. Maar ten slotte kreeg ik roodvonk en werd ik alsnog afgekeurd, precies na een jaar." Het werk heeft ook voordelen: "Schoenen waren in die tijd bijna nergens meer te krijgen, maar wij kregen die als onderdeel van onze dienstkleding."

Interview
Na de bevrijding worden in september 1945 vier conductrices door het Algemeen Handelsblad over hun ervaringen geïnterviewd: "Vier meisjes in uniform: Tonny, Jos, Gré en Mies. Maar vier geheel uiteenlopende karakters." Volgens het viertal was het contact met de collega's, ook de mannen, goed en was er meestal een goede verstandhouding met het publiek. "Ondanks mopperaars en mensen die haastig naar het hoofdkantoor schrijven, wanneer de conductrice het waagt dicht bij 't eindpunt een sigaret van een Canadees op te steken, ondanks vroege ochtenddiensten en avonddiensten met het naargeestige blauwe verduisteringslicht, toch een baan, waaraan je je ging hechten."
De vrouwen waren goed voor hun taak berekend, meldt de interviewer. Gré "lacht en speelt het zonnetje in huis in een door ochtendhumeur verduisterde motorwagen van lijn 25". Ze is graag gezien door de jongens van de grafische school, maar met kinderen rond de twaalf jaar heeft ze meer moeilijkheden. "Die zijn er best toe in staat om één abonnementskaart onder elkaar door te geven bij de controle." Mies, "een beetje de dame", is gedecideerd en betoogt "dat het ordelijk op den wagen moet toegaan, en eigenlijk, eerlijk gezegd, zou ze den wagen wel eens willen stofzuigeren en de ramen behoorlijk lappen."
Tonny - "donkerblonde lokken onder haar baret" - kennen ze op lijn 16 vanwege de dichte hekjes. "Ze blijft meesteres op den wagen en ze zullen betalen." Zij is het "meisje van buiten", de koerierster, die van de Nachtausweis van de tram gebruikmaakt om door de stad te fietsen en "bij nacht en ontij wapens in haar fietstassen tot naar Rotterdam vervoert." De vierde is Jos, strijdbaar en met "lichtgrijze ogen, die scherp zien". "Ze spreekt over de maatschappij en ze heeft zoo haar denkbeelden over de verhouding tusschen werkgevers en werknemers." Haar maken ze niets wijs.

Ontslag
Terwijl de vier in de oorlogsjaren hun conductricewerk doen, duren de problemen bij de tram voort. In december 1943 worden alle diensten op zon- en feestdagen opgeheven. Wegens gebrek aan elektriciteit rijden de trams vanaf september 1944 alleen nog maar in de spits; een maand later worden alle tramdiensten gestaakt vanwege het stopzetten van de elektriciteitsproductie. De trams verdwijnen naar Duitsland.
Vier maanden na het eind van de oorlog, staan de conductrices weer op straat. Ontslagen, eervol, dat wel, en in oktober ontvangen ze een eenmalige uitkering. Formeel hebben ze daar geen recht op, maar op 'billijkheidsgronden' wil het gemeentebestuur die toch wel aan hen toekennen. Weemoedig schrijft de journalist van het Algemeen Handelsblad: "Al mag het conducteursambt in Amsterdam honderdmaal een baan voor mannen zijn, wij zullen de fleurige verschijning van de conductrice missen." De vier vrouwen zijn het oneens met hun dienstbeëindiging. "Het is Jos, die het 't duidelijkst formuleert: 'Waarom worden we nu zoomaar ontslagen? Hadden ze geen passende betrekking voor ons kunnen vinden? Wij, die begonnen, zijn destijds uit onze betrekkingen gevórderd. Nu komen we vandaag zonder..."
De conductrices verdwijnen uit het Amsterdamse straatbeeld. Heel Nederland keert in de wederopbouwjaren terug naar de verzuilde en patriarchale samenleving, waar vrouwen voornamelijk gezien worden als hoeksteen van het gezin. In ons land is er geen 'Rosie the Riveter'- campagne geweest, zoals in de Verenigde Staten, waar vrouwen in groten getale de fabrieken in gingen en na de oorlog hun plekken niet meer wilden opgeven. In Nederland worden de vrouwen weer ontslagen, volgen geen grote protesten en de emancipatie op de arbeidsmarkt zal zo'n tien jaar stil komen te liggen. De vrouwen op de Amsterdamse tram worden een voetnoot in geschiedenis. Het boek Onze Tram in Amsterdam wijdt in 2001 slechts één zin aan de conductrices.


ANGELIQUE VAN DER POL IS HISTORICA EN SCHRIJFSTER.

  


Inhoud-3-ziekenzusters

Zuster op zaal

Hoogopgeleide professionals zijn het nu, de verpleegkundigen in het OLVG. Maar zo begon het niet in de ziekenzorg. Pas in de 19de eeuw maakten zaalmeiden- en knechts geleidelijk aan plaats voor opgeleide 'zusters' in katholieke en protestantse ziekenhuizen. Hun leven was 'bidden en werken'.

Weinig meer in het OLVG herinnert aan het katholieke en protestantse verleden, op de Mariabeelden en de kapel in het gebouw in de locatie Oost na, en ook het beeld van de diacones in de locatie West. Het 'stadsziekenhuis van Groot Amsterdam' is een fusie van het Prinsengrachtziekenhuis, de Nederlands Hervormde Diaconessen Inrichting (later het Andreas Ziekenhuis) en het Sint Lucas Ziekenhuis met het katholieke Onze Lieve Vrouwe Gasthuis.
De eigen cultuur van elk ziekenhuis drukte een stempel op de verpleging. In het OLVG werkten tot in de jaren dertig vrijwel alleen religieuzen; in het Diaconessenziekenhuis alleen diaconessen. Het geloof van de patiënt was van minder belang: die 'geloofde' bovenal in de verpleegster en in de dokter en liet zich daardoor leiden.
De verpleegkundigen van nu zijn hoogopgeleide professionals. Ze hebben vaak na hun HBO- of MBO-opleiding nog een specialistische verpleegkundige opleiding gedaan en soms een academische studie Verplegingswetenschappen of een vervolgopleiding tot Verpleegkundig Specialist of physician assistant. Maar zo begon het niet.

Gasthuisvrees
Al sinds de middeleeuwen waren er gasthuizen in de stad, zoals het Binnen- en het Buitengasthuis. Daar werden patiënten niet behandeld, slecht gevoed en nauwelijks verzorgd. Er werd voornamelijk gestorven. Tot 1883 werkten er alleen zaalmeiden- en knechts, die meestal uit de onderste sociale lagen kwamen. Zij aten vaak het voedsel dat voor de patiënten bestemd was zelf op en waren niet zelden aan de drank. Alleen de allerarmsten lieten zich er opnemen, als ze op straat waren opgeraapt of er door familie heen waren gebracht.
Veel Amsterdammers leden dus - terecht - aan 'gasthuisvrees'. Ze werden liever thuis door familie verzorgd. Als de financiële middelen aanwezig waren, kwam er een arts op visite, maar zijn aanwezigheid droeg per saldo weinig bij aan de genezing van de patiënt. Niet zelden stierf die zelfs door zijn toedoen. De zorg en verpleging - met bouillon, geklutste eieren, wassen en verschonen, verzorging van eventuele wonden - en de rust bevorderden daarentegen wél de genezing. Zo ontstond er geleidelijk vraag naar professionele thuisverzorging. Die begon in de 19de eeuw met wijkzusters, zowel sociaal bewogen protestantse dames van hogere komaf als katholieke religieuzen en protestantse diaconessen. Omdat zij het vak moesten leren en daarvoor moesten kunnen oefenen, begonnen de eerste ziekenhuizen als huizen waar de wijkzusters woonden en leefden en verpleegkundige kennis opdeden aan de zijde van enkele patiëntenbedden.
Katholieke Amsterdammers konden zich vanaf 1839 wenden tot een zestal 'Zusters van Liefde', die naar de 'Bijzondere regelen voor de Zusters van Liefde van Onze Lieve Vrouwe Moeder van Barmhartigheid der Congregatie gevestigd te Tilburg' leefden. Zij boden thuisverpleging 'om hemelloon'- dat wil zeggen: uitsluitend om een plaatsje in de hemel - waarbij ze reinheid en zindelijkheid in acht namen. Zo schreven de 'Bijzondere regelen' het voor: "Eene onzindelijke Zuster past niet onder de Zusters van Liefde."

Roeping
Daar boften de patiënten bij. In die jaren stak de dokter nog het ene moment zijn hand in een lijk, om het andere moment een zuigeling uit de baarmoeder te helpen, waardoor kraamvrouwenkoorts vaak de kop op stak. De kennis van verloskundige Ignaz Semmelweis uit Wenen, die de oorzaak van deze dikwijls dodelijke ziekte al in 1847 blootlegde, leidde pas aan het eind van de 19de eeuw tot hygiënischer werken, zoals handenwassen na een patiëntencontact.
Voor niet-katholieke zieke Amsterdammers met 'gasthuisvrees' was er nog niets. In 1843 nam de arts Jan Pieter Heije het initiatief tot de oprichting van de Vereeniging voor Ziekenverpleging, vanaf 1857 gevestigd aan de Prinsengracht als een opleidingsziekenhuis voor verpleegsters met een directrice aan het hoofd. Hoewel Heije de 'pleegzusters' een salaris gunde, hield het bestuur dit tegen. Verpleging moest wel een roeping blijven en mocht geen echt beroep worden. De meisjes en vrouwen - veelal uit de hogere burgerij - vonden dat aanvankelijk niet erg. De toeloop voor de uitstekende verpleegopleiding was van meet af aan groot en bleef dat ook; lang niet iedereen werd aangenomen.
Het Prinsengrachtziekenhuis was een echte vrouwengemeenschap. De dokters liepen er visite, gaven er les en opereerden, maar de verplegende beroepsgroep was dominant, wat zich ook uitte in het type leidinggevenden. Dat waren vrouwen die het belang van goede verpleging inzagen en niet zelden zelf een opleiding tot verpleegster hadden gevolgd. De verpleegsters beschouwden het ziekenhuis als 'hun' huis. De patiënten mochten een eigen vloerkleedje of schemerlamp meebrengen en er werd niet alleen voor de zieke gezorgd, maar ook voor het achtergebleven gezin. Tot ver in de 20ste eeuw had de kerstboom er echte kaarsjes en werden de patiënten er toegezongen door de verpleegsters, die niet zelden het gymnasium hadden gevolgd.

Hemelloon
Er kwamen meerdere ziekenhuizen om aan de toenemende behoefte aan verpleging buitenshuis te kunnen voldoen. Katholiek Amsterdam kon het niet op zich laten zitten dat er voor de eigen geloofsgemeente alleen religieuze wijkzusters waren, maar geen ziekenhuis. De eerste 'R.K. Ziekenverpleging' werd in 1878 gesticht naar aanleiding van de belofte die een rijke katholieke dame, mevrouw Delphine Povel-Guillot-Vattement, aan het sterfbed van haar moeder had gedaan: dat er katholieke liefdezusters voor de ziekenverpleging zouden komen, zowel voor arme als voor rijke patiënten.
Zij dacht in eerste instantie aan thuisverpleging. De Liefdezusters van de H. Carolus Borromeus, beter bekend als 'Zusters onder de Bogen' uit Maastricht, kwamen naar Amsterdam en begonnen met de thuiszorg. In 1878 opende het eerste rooms-katholieke zusterhuis zijn deuren op Keizersgracht 287 en binnen twee jaar werd het eerste ziekenhuis op Keizersgracht 129-131 geopend. Het telde uiteindelijk zestig bedden. De nonnen sliepen op zolder. Er was ook een kleine kapel, zodat de religieuzen de deur niet uit hoefden om te bidden, wat ze vaak deden. Het hele ziekenhuis ritselde van de heiligenbeelden.
Spoedig maakten de bestuurders (de regenten) plannen voor een groot nieuw katholiek ziekenhuis, het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis aan het Oosterpark, dat ze in 1898 lieten bouwen. Het telde aanvankelijk 300 en al gauw 440 bedden. Het OLVG was niet in eerste instantie bedoeld om verpleegkundigen op te leiden, maar om patiëntenzorg te bieden, wat ook hier gebeurde door religieuzen die in het klooster bij het OLVG woonden. Zij beschikten over een ruime eigen kapel en werkten voor 'hemelloon'; het ziekenhuis betaalde een vergoeding aan de congregatie, niet aan de zusters. Al vanaf 1901 volgden zij de professionele verpleegstersopleiding van het Witte Kruis, die in 1878 was gestart.

Chambretje
Er is niet veel bekend over het werk van de zusters en al evenmin over hun leven in het klooster, waar ze voornamelijk geslapen moeten hebben. Zoals de historicus Lodewijk Rogier in zijn geschiedenis van het OLVG uit 1958 schreef: "Helaas moet het voor de religieuzen bij een algemene waardering blijven, want het ligt in de kloosterlijke levensstaat - tenminste bij vrouwen - besloten, dat de individuen nauwelijks reliëf krijgen." En pater L. Stolk vertelt in zijn geschiedenis van de eerste 25 jaar: "Ja, bidden en werken, dat is het leven der Eerw. Zusters in het O.L. Vrouwe Gasthuis, bidden en werken voor eigen heiliging en voor het lichamelijk en geestelijk heil der kranken. Ik weet wel, dat er soms wordt afgegeven op dat bidden van de Zusters-verpleegsters en de tijd van het bijwonen van de H. Mis, van het bezoek aan het Allerheiligst Sacrament en het bidden der getijden, als een verloren tijd voor de verpleging der zieken. Maar: juist de kracht van hare liefdewerken is gelegen in haar geestelijk leven, in haar gebed, in haar godsdienstige oefeningen."
Een dag uit het leven van een religieuze zag er vijftig jaar geleden zo uit: om kwart voor vijf ging de bel, om kwart over vijf zat ze in de kapel voor meditatie. Daarna bad ze, geknield, in een ziekenzaal het morgengebed voor, ging rond met het wijwaterbakje en deelde wasbakken uit. Dan was het de hele ochtend werken, na het middageten een rozenhoedje bidden en in de middagrust het breviergebed vervolgen. Om negen uur 's avonds ging het licht op de ziekenzaal en zocht zij in het klooster haar bed op in haar chambrette. Eén dag per jaar mocht ze naar haar familie.
In 1960 sliep nog de helft van de 130 nonnen in het klooster, in grote slaapzalen waar iedere zuster achter een paar gordijnen haar 'chambretje' had. "Sober, geen privacy. Een bestaan dat overgegeven was aan iets anders, beter gezegd: Iemand anders. Op een van de chambretjes hing aan de wand een gevlochten doornenkroon", aldus de toenmalige directeur van het OLVG.

Macht
Er waren altijd te weinig religieuzen. Steeds moest er bij de congregatie gesoebat worden om nieuwe zusters - die slechts mondjesmaat kwamen. De 'baas' van de religieuzen was niet de ziekenhuisdirecteur, maar de deken van hun religieuze orde in Maastricht. Dat gaf de nonnen een behoorlijke machtspositie, wat niet kon verhinderen dat er al gauw ook lekenverpleegsters in de opleiding werden aangenomen. Na de opleiding moesten die weer weg.
In het OLVG aan het Oosterpark waren patiënten van alle gezindten welkom - net als in het Prinsengrachtziekenhuis en het Diaconessenziekenhuis - met uitzondering van Joden: zij werden er niet behandeld. Daar waren de katholieken tot en met de Tweede Wereldoorlog strikt in; ook in de oorlogsjaren lieten zij geen Joden toe voor 'asyl'. Vrouwen hadden in de particuliere ziekenhuizen een stevige positie. In het OLVG bestond de directie uit een medicus/internist met de moeder-overste als leidinggevende van de religieuzen en later ook van de lekenverpleegkundigen. In het Prinsengrachtziekenhuis bestond de directie uit een arts en een dame, al gauw een verpleegkundige, en bij de Diaconessen regeerden een dominee en een 'Besturend Zuster'.
De artsen kregen in het OLVG al gauw de overhand over de nonnen-verpleegsters. De patiënten kwamen niet meer alleen voor verpleging, maar ook voor 'de dokter', die al gauw een mythische status verwierf. Sinds de opkomst van aseptisch en antiseptisch (steriel) werken maakte de chirurgie minder slachtoffers. Er kwamen medische apparaten ten behoeve van het stellen van een diagnose, zoals de stethoscoop en het röntgenapparaat (het OLVG kreeg er al in 1900 één). Bovendien werkte er een bacterioloog die syfilis kon genezen, waardoor veel hogere katholieke heren zich tot het OLVG wendden.

Tekort
Pais en vree was het overigens niet tussen de dokters. Ze ruzieden om de beste ruimten en het meeste geld voor apparatuur en voor zichzelf. En zij verdienden bepaald meer dan een hemelloon. Ook eisten zij een stem op in de directie en het regentenbestuur. Die kregen ze ook. De verpleegkundige verdween uit de directie. De meewerkende hoofdzuster met haar belangrijke intermediaire rol tussen de patiënten, de verpleging en de dokters bleef tot het eind van de 20ste eeuw wel bestaan.
Pas toen de particuliere ziekenhuizen echt niet meer genoeg hogere burgerdochters, diaconessen en nonnen konden vinden, zijn ze gaan werven onder vrouwen die van de verpleegkunde hun beroep maakten en dus gewoon een salaris nodig hadden. Het Prinsengrachtziekenhuis nam zulke professionals al rond de Eerste Wereldoorlog in dienst, het Diaconessenziekenhuis aan het eind van de jaren vijftig en het OLVG ergens daartussenin.
Het tekort aan verpleegsters, die vanaf 1960 'verpleegkundigen' gingen heten, werd in de loop der jaren in Amsterdamse ziekenhuizen steeds groter en moeilijker op te lossen. In de jaren zestig werd bovendien in de nieuwe westelijke tuinsteden het ene na het andere ziekenhuis gebouwd. Iedere zuil zijn eigen ziekenhuis: de katholieken het Sint Lucas Ziekenhuis (1966), een dependance van het OLVG; de protestanten het Andreas Ziekenhuis (1969); het Slotervaartziekenhuis (1976) specifiek voor de 'sociale zorg' van de gemeente. Er ontstond al gauw een beddenoverschot. Toch konden de nieuwe en oude ziekenhuizen nauwelijks voldoende verpleegkundigen aantrekken. Er werd in het buitenland geworven.

Losser
Het aantal nonnen in het OLVG was tussen 1945 en 1960 teruggelopen van 250 naar 130, van wie er nog maar 45 als verpleegster werkten. De rol van de religieuzen raakte langzamerhand uitgespeeld. Begin jaren zestig waren er al 143 lekenverpleegsters en 158 leerlingen. Er was voor de opleiding veel belangstelling, en die werd ook steeds losser. Nu mochten de leerlingen - die natuurlijk geen religieuzen waren - in de tuin van het verpleegstershuis in bikini liggen zonnen, ze mochten roken in de gemeenschappelijke huiskamer en hoefden pas om elf uur binnen te zijn. In het vrouwenblad Margriet verscheen in 1966 een wervend artikel met interviews met OLVG-verpleegsters. Het loste het tekort niet op. Omdat veel verpleegsters na hun huwelijk stopten met werken, bleef er grote behoefte bestaan.
Uiteindelijk leidde het beddenoverschot in de westelijke tuinsteden tot een fusiegolf. Het Prinsengracht Ziekenhuis fuseerde in 1994 met het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis en het Andreas Ziekenhuis in 1996 met het Sint Lucas Ziekenhuis. Twee geloven op één kussen: aan de verzuiling van de ziekenhuizen in West kwam een einde. In 2015 fuseerde tenslotte het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis met het Sint Lucas Andreas Ziekenhuis. HBO- en gespecialiseerde verpleegkundigen worden weer dringend gezocht. Per slot van rekening zijn er 200.000 behandelingen per jaar, waarvan 7000 bevallingen.


SABINE RUITENBEEK WERKTE VAN 2004-2015 ALS ADJUNCT-DIRECTEUR TEACHING HOSPITAL IN HET OLVG EN IS AFGESTUDEERD IN DUITSE TAAL EN LETTEREN. DEZE MAAND VERSCHIJNT HAAR BOEK VAN ZIEKENZORG NAAR DIAGNOSE EN BEHANDELING, EEN GESCHIEDENIS VAN OLVG OOST EN WEST IN AMSTERDAM BIJ VALKHOF UITGEVERIJ IN NIJMEGEN.

 


De Dierpsycholoog Kortland-1-man-en-bok

Adriaan Kortlandt zou de bekendste wetenschapper worden op het gebied van diergedrag. Hij werd het niet. Hij was een pionier, maar omstreden. Niko Tinbergen kreeg de Nobelprijs, niet hij. Het gevoel van miskenning maakte van hem een querulant. Wat ging er mis in het lange leven van Adriaan Kortlandt?

Bij de vijver met aalscholvers en pelikanen in Artis doet diergedragsonderzoeker Adriaan Kortlandt zijn grote ontdekking. We schrijven de jaren vijftig. Hij is in 1949 cum laude gepromoveerd met een studie naar broedvoorbereidingsgedrag bij aalscholvers en kreeg daarna een baan als wetenschappelijk medewerker bij de afdeling zoölogie van de Universiteit van Amsterdam. Dat betekent: Artis. De jonge wetenschapper is niet weg te slaan bij de aalscholvervijver. Vele uren zit hij daar op een bankje aan de aalscholvervijver, vaak in gezelschap van de vermaarde Artismedewerker Frits Portielje, 'inspecteur der levende have'. Portielje was, in de woorden van Kortlandt zelf, "aaps met de apen en leeuws met de leeuwen". Het inlevingsvermogen van Portielje moet een inspirerend voorbeeld voor hem zijn geweest.
Wie is Adriaan Kortlandt en wat doet hij daar? De geboren Rotterdammer - 25 januari 1918 - heeft al vroeg belangstelling voor de natuur. "Als schooljongen en amateur-ornitholoog was ik in 1934-35 bekend geworden met een grote aalscholverkolonie, op een uur afstand fietsen van mijn ouderlijke woning in Rotterdam. Deze vogels nestelen dicht bijeen in bomen die zij kaalplukken voor nestbouwmateriaal, waardoor men als waarnemer vrijwel alles kon zien wat er gebeurde", schrijft hij in 2006 daarover in een biografische schets.
Hij merkt al snel dat veel biologen niets moeten hebben van 'dierpsychologie', en dat heeft nu juist wel zíjn warme belangstelling. Adriaan gaat psychologie (en geografie) studeren in Utrecht. Die keuze is mede ingegeven door de crisistijd: "Ik had daarbij de hoop en het vertrouwen, te zijner tijd door middel van onderzoek iets te kunnen bijdragen ter vermindering van de misère in de wereld. Mijn doel was daarbij enerzijds een overbrugging tussen ethologie en psychologie wetenschappelijk voor te bereiden en anderzijds later een nuttig beroep te kunnen beoefenen."

Overspronggedrag
Een decennium later krijgt hij in Amsterdam weer de mogelijkheid aalscholvers te bestuderen - en doet hij zijn ontdekking. Simpel gezegd komt het erop neer dat als een dier in een situatie komt waarbij (bijvoorbeeld) de aandrang om te vluchten en om aan te vallen om voorrang strijden, het kan 'besluiten' om een derde, neutrale oplossing te kiezen. Het dier gaat dan bijvoorbeeld wat eten of zich wassen. Hij noemt dit: 'overspronggedrag'. In Artis staat nog altijd het 'oversprongbankje' bij de vijver met aalscholvers en pelikanen. Een bordje licht het begrip toe.
Al in 1938 heeft hij de bioloog Niko Tinbergen (dan werkzaam bij het Zoölogisch Laboratorium in Leiden) ontmoet. Kortlandts pleidooi om een hiërarchisch onderscheid te maken tussen instincten en sub-instincten vindt weinig weerklank. Tinbergen reageert welwillend op zijn waarnemingen. Tijdens een door hem georganiseerde bijeenkomst ontdekt hij dat diens promovendus Gerard Baerends onafhankelijk tot dezelfde conclusies is gekomen bij zijn onderzoek naar het gedrag van graafwespen. Kortlandt denkt een medestander te hebben gevonden, maar in Baerends' proefschrift in 1941 staat geen enkele referentie naar zijn aalscholverwerk. Er groeit een controverse die Kortlandt min of meer tot persona non grata zal maken.
In Cambridge sabelt de gezaghebbende etholoog (diergedragskundige) Robert Hinde zijn werk neer en in Nederland zwijgen Baerends en Tinbergen het zo goed als dood. Met Tinbergen is het nog wel goed gekomen, waarschijnlijk omdat bleek dat ook Tinbergen het overspronggedrag had vastgesteld, ongeveer in dezelfde periode als Kortlandt. Maar de toon was gezet: Kortlandt voelt zich genegeerd, onbegrepen, aangevallen, en daar reageert hij keer op keer op.

Panter
In 1958 krijgt hij het aanbod om in Congo - destijds Belgisch - chimpansees te gaan bestuderen. Hij neemt het met beide handen aan en zal er (overigens niet permanent) tot 1986 aan werken, met succes, vooral in de VS. Over één van Kortlandts experimenten schrijft de bioloog en journalist Cas de Stoppelaar in het NRC Handelsblad van 12 juli 1986: "Zelf mocht ik in 1970 een lezing bijwonen, waar hij zijn beroemde 'panterfilm' vertoonde. Deze film toont de reactie van chimpansees die plotseling met een roofdier worden geconfronteerd. Een opgezette panter, verscholen in een met bladeren toegedekt hol, de staart aangedreven door een ruitenwissermotor, wordt op een goed moment, als alle apen vredig aan het ronddwalen zijn, door een druk op de knop naar voren gereden over rails. De camera draait. De chimpansees schrikken eerst, maar vallen dan aan en slaan of gooien met stokken."
Kortlandt zegt daarover: "Ja, dat motortje. Dat was om aan te tonen dat de eerste mensen zich tegen hyena's en zelfs leeuwen konden verdedigen door met stekelige takken rond te zwaaien. Het probleem waar ook Darwin al over had gepiekerd, hoe de oermens zich had kunnen verdedigen tegen wilde dieren, was dus nu opgelost. Daar heb ik een collega het leven mee gered! Haar Landrover kreeg panne, tegen de avond, ergens in de rimboe. Ze herinnerde zich mijn verhaal, sneed een doornentak af en zwaaide daarmee in het rond. Ze is te voet door het donker thuisgekomen met een troep hongerige hyena's achter haar aan. Die durfden niks te doen! Als goed onderzoeker wilde ik een bewijs leveren en ik zei: 'En nu zet ik je af op dezelfde plek, en loop je zonder takken naar huis, als blanco proef.' Ze weigerde, helaas."

Miskenning
Bij zijn dood meer dan twintig jaar later zegt de beroemde etholoog Frans de Waal over hem: "Hij mag zich dan miskend voelen, Kortlandt is wel een groot wetenschapper." Carel ten Cate, hoogleraar gedragsbiologie in Leiden: "Iedereen erkent dat Kortlandt belangrijk werk heeft verricht. Hij was op veel terreinen een pionier, een wegbereider. Maar hij was de makkelijkste niet. Zijn hele leven stond in het teken van die erkenning." Weer een andere collega-etholoog spreekt van een "markante gedragsonderzoeker", die "misschien zijn tijd ver vooruit" was. Wat is er dan toch misgegaan?
Hoewel ik hem niet persoonlijk gekend heb, doe ik een voorzichtige poging: een briljant en onorthodox wetenschapper, een querulant, een verongelijkte betweter, een betrokken mens, onhandig. Uiteraard ondervindt Kortlandt tegenslag en krijgt hij kritiek, maar dat is voor een pionier niet zo vreemd. Zijn collega-ethologen verzetten zich vooral tegen het idee om menselijke emoties een rol te laten spelen bij de beoordeling van diergedrag.
De controverse loopt hoog op. Zo verbreidt Kortland het onwaarschijnlijke verhaal dat de discussies zo hoog opliepen dat hij in 1974 door de politie uit de collegezaal zou zijn verwijderd. De tegenstand in kringen van biologen kan ertoe geleid hebben dat de Universiteit van Amsterdam in 1976 zijn lectoraat 'Psychologie en ethologie der dieren' na achttien jaar overhevelt van de biologiefaculteit naar de sociale wetenschappen. Daar wordt hij in 1980 - net als alle andere lectoren - gewoon hoogleraar. Hij gaat in 1984 met emiraat, blijft nog onbezoldigd aan tot 1987 en verhuist naar Oxford.

Wraakboek
In 2004 komt hij naar Nederland om te vertellen over de autobiografie die hij aan het schrijven is. Verschillende kranten doen verslag, waaronder Trouw: "Kortlandt is al meer dan zestig jaar boos op alles en iedereen. Hij was even overgekomen uit zijn woonplaats Oxford om zijn biografie te presenteren waarin hij de wereld duidelijk maakt welk onrecht hem is aangedaan. [...] Adriaan Kortlandt hád een wereldberoemd bioloog kunnen zijn. Hij had op gelijke hoogte moeten zijn met Niko Tinbergen, de Nederlander die in 1973 de Nobelprijs kreeg. Maar het grote publiek kent Tinbergen wel, maar Kortlandt niet."
Adriaan Kortlandt vindt dat zijn fundamentele bijdragen aan de gedragsbiologie stelselmatig zijn genegeerd. Het Parool verklaart zijn boosheid aldus: "De kiem van het conflict gaat mogelijk schuil in de strenge overtuiging van de ethologische beweging in die jaren dat het gedrag van de mens en dat van het dier niet te vergelijken zijn." Kortlandt was van mening dat het onderzoek van dieren wel kan bijdragen aan het begrip van de mens. "Ik was psycholoog, geen bioloog. Dat stak." Dat hij tot het einde van zijn leven omstreden blijft, blijkt wel uit het feit dat hij in 2004 (hij is dan 86) wil spreken bij de European Conference on Computational Biology, maar geweigerd wordt.
Het eerste deel van de autobiografie gaat over zijn leven als onderzoeker en de tegenwerking die hij in zijn pionierswerk ondervond. Na de publicatie in 2004 zet hij zich aan het tweede deel, althans dat kondigt hij aan. Na zijn overlijden schrijft NRC Handelsblad: "De laatste jaren werkte hij aan zijn memoires. Het handgeschreven manuscript liet hij door assistenten uitwerken. Het werd een wraakboek, waarin hij discussies met zijn talrijke vijanden wilde beslechten. Hij vocht voor eerherstel, maar kreeg het niet. Mogelijk wordt dit boek postuum nog uitgegeven."
Dat gebeurt niet. Wat er is gebeurd met het manuscript is onduidelijk. Ik informeerde er indertijd naar bij Adriaans broer, Bruins Kortlandt, en bij een van zijn twee zonen, de hoogleraar Frits Kortlandt. Frits: "Het kan best zijn dat er een autobiografie bestaat, maar ik weet daar niets van. Mijn vader maakte met iedereen ruzie, en ik heb hem de laatste decennia van zijn leven niet meer gezien." Bruins echtgenote Diens: "Van die autobiografie uit 2004 kunnen wij ons niets herinneren. Ik heb de vraag doorgespeeld aan mijn schoonzuster in Amsterdam."

Erkenning
Schoonzuster Mathilde, Adriaans weduwe, blijft het huis bewonen dat ze altijd aangehouden hadden, vlak tegenover Artis, Henri Polaklaan 42-A. De autobiografie is inderdaad niet in boekvorm verschenen, zegt ze: "Het zou Aalscholvers, apen en aapmensen moeten gaan heten, met de ondertitel Een levensloop als onderzoeker. Het eerste deel - En toch lijken uw kinderen op jonge aalscholvers - is wel geschreven. Of het manuscript nog bestaat en waar het dan is, in Oxford misschien, ik zou het niet weten. Aan deel twee Apen en aapmensen is hij nooit toegekomen, dat weet ik wel."
De laatste jaren ging het steeds slechter met Adriaans, vertelt ze. "Hij vergat veel, kleedde zich niet goed meer, begon plotseling Frans te spreken. Op een gegeven moment ging hij papiertjes in de brand steken - terwijl hij altijd zo oppassend was. Hij werd dement. Op den duur kon hij niet meer thuis blijven wonen. Zijn laatste jaar heeft hij in het Sarphatihuis doorgebracht." Adriaan Kortlandt - in eigen ogen miskend tot het bittere einde - sterft daar op 18 oktober 2009, negentig jaar oud. Zijn wetenschappelijke archief, inclusief neppanter, laat hij na aan het natuurhistorisch museum Naturalis.
Niet lang voor zijn dood verzocht Kortlandt de Koninklijke Academie van Wetenschappen een oordeel te vellen over zijn wetenschappelijk werk. Dat oordeel luidde: "U wordt zonder twijfel gerekend tot de belangrijkste Nederlandse gedragsbiologen van de afgelopen eeuw, waarbij uw eigen, duidelijk herkenbare, soms kleurrijke, en nog steeds relevante bijdrage op het gebied van diergedrag genoemd wordt." Maar ja, die erkenning kwam wel na zijn overlijden: de tragiek van Adriaan Kortlandt is dat hij zal worden herinnerd als zeurkous, en niet als onconventioneel en succesvol onderzoeker.


KO VAN GEEMERT IS JOURNALIST.


'Ik ben eigenlijk net Karel Appel'

Het Stadionplein is het Stadionplein niet meer. De grote open ruimte is gevuld met een parkeergarage, een huizenblok, middenstand, horeca en een appartementenhotel. Zelfs de naam verandert mogelijk in het Johan Cruijffplein. Op 28 september 1972 won hij met Ajax in het Olympisch Stadion de Wereldbeker. Jan Arends, bloemenverkoper op het plein, zag en ziet alle veranderingen van nabij. 'Ik let op al-les.'

De bloemenman Jan Arends staat sinds 1987 op het plein. Hij is 64 jaar; over twee jaar loopt zijn vergunning af. Zijn nering verhuisde al vijfmaal, de laatste keer (op een pompwagen gehesen) naar een nieuwe stek tegenover het Total-benzinestation. Hij staat tegenwoordig in een strookje groen, voorheen zeer in trek bij hondenbezitters. De stal meet drie bij drie en is in hoogte net wat lager dan Jan groot is: 1.75 meter. Kijkt hij naar rechts, dan ontnemen twee hoge schakelkasten hem het zicht. En dan is er ook nog die nieuwe bloemenwinkel. En niet te vergeten de Albert Heijn.
"Ik kwam van de kermis. Maar alles werd duurder, vergunningen, staplaatsen, alles. Ook had je maar voor een half jaar werk, de rest zat ik in de WW. Mijn schoonvader had een bloemenstal bij het Hilton. Ik dacht: bloemen heb je het hele jaar door. En het was werk met je handen. Toen een bekende op het Stadionplein ermee uit schee, koos ik voor een stal.
"Het Stadionplein was een zondagplek. Op zondagen mocht je nergens verkopen, tenzij er een ziekenhuis, begraafplaats of eindhalte in de buurt was, en hier lag het eindpunt van lijn 16 vlakbij. Zondagen waren goeie dagen - winkels dicht, veel visite. Ik stond er naast de Febo. Met iedereen praten, gratis koffie. Als ik tegen sluitingstijd ging, dan kreeg ik het vaak zo mee, met een broodje en De Telegraaf erbij. Als ze mij iets aanbieden zeg ik altijd: ja. Dat zuinige heb ik van vroeger. Want wat je krijgt, hoef je niet te kopen."

Apart
"Ik heb daar achttien jaar gestaan. Het waren mijn beste jaren: veel omzet, veel aanspraak. Met 400 guldens inkoop had ik een omzet van wel f 2000,-. Op een echte bloemenmannenmanier zou je het hier nog geen jaar uithouden. Maar ik heb mijn trucjes. Op zondagen kon ik meer vragen, want de mensen konden toch nergens anders heen. Bovendien komen zondagsklanten vaak van buiten. Visite heeft meer te besteden. De stemming is feestelijk, het is niet voor jezelf. Dan ga je niet moeilijk doen.
"Ook heb ik altijd andere bloemen gehad dan binnenstadstallen. Ik verkocht bloemen die niemand op de veiling wilde hebben. Ik ben eigenlijk net Karel Appel. Ik had boeketten in de gekste kleuren, van bloemen met een rare of platte kop, kromme stelen. Het schreeuwde, maar het was niet lelijk. 'Apart', zeiden de klanten. Artistieke mensen, een beetje zweverige types - die heb je hier in Zuid, zoals ik: lekker wild, gek. De raarste mensen had ik hier.
Maar op die plek naast de Febo kon Arends niet blijven staan. Hij verhuisde naar de overkant en kwam naast de Citroëngarage terecht. "Ik moest daarheen omdat ze een fietspad gingen aanleggen. Ik wist niets van die plannen, ik moest het bij het tankstation te horen krijgen. Bleek dat fietspad dwars door mijn stal te lopen." Bij de Citroëngarage konden de automobilisten minder goed bij hem komen. En er was nog een nadeel: "Je had daar de hele dag zon. Dat was slecht voor de bloemen." Toen het fietspad af was, kwam hij op de hoek van het plein terecht, bij de Argonautenstraat, waar nu het hotel staat op een steenworp afstand van zijn huidige stek.

Aura
"Nu sta ik dus hier. Aan de ene kant meer in het zicht, alleen: stoppen is lastig. Automobilisten die de stad inrijden zijn me voorbij, voordat ze er erg in hebben. Ik heb drie jaar tegen een bord 'Afslag afgesloten' aangekeken. Op een gegeven heb ik een bord geschilderd: 'Parkeren Bloemen vier keer rechtsaf'. Ik had eigenlijk meer stampei moeten maken. Meer moeten dwarsliggen, dan had ik misschien meer schadevergoeding gekregen, maar ach.
"Ik zie veel, ik herken mensen, hun auto's, weet wie hier wonen. Ik let op al-les. Op zondag heb ik mijn enige vaste klanten, misschien dat die mij toch sympathiek vinden. Een groepje van vijf heel gelovige vrouwen, dat hier verderop bij iemand van 101 samenkomt om te bidden. Ik geef er nog wel 'ns wat bij: 'Zet maar op tafel en bid voor mij. Dat ik veel mag verdienen.'
Maar er gaan dagen voorbij, steeds meer, dat hij niets verkoopt. "Vroeger kon ik nog wat morsen, maar nu zit er niks meer in. Het is de nieges. Ik sprak laatst een vrouwtje. Volgens haar was het aura. 'Aura, aura, aura', zei ze. Zij ging met een kaars haar restaurant rond om het te verdrijven. De volgende dag heb ik hier met 'n aansteker staan wapperen. Die dag ving ik nog steeds niet meer dan € 15-."

Gewend
"Eigenlijk kén het niet meer. Het systeem is veranderd. Als ze van hiernaast bloemen nodig hebben, dan komt er een bestelwagen. Dat hotel bestelt via Google. Ik sta op twintig meter bij ze vandaan, maar ik zit niet in hun systeem. Het werkt niet meer zoals vroeger. Was ik jonger geweest, dan had ik de kraam hipper gemaakt. Misschien zelfs wel een andere gekocht, groter. Met leuke lampjes, strips op de zijkant. Het is nu een ouwe zooi, maar ja, ik moet nog 25 maanden. Dan ga ik toch niet meer investeren? En toch: ik ben gewend aan deze plek. Eenzaam? Soms. Geluk is een goeie dag, veel klanten, lekker weer, maar het duurt kort. Schrijf maar op: Als de bloemenman is overleden, komt op de kaart te staan: 'Geen bloemen. Jan hield niet van bloemen.'"


FERRY WIERINGA IS JOURNALIST EN SCHRIJVER.


Zonder kapsones

Ze vallen op: de drie bruggen op een rij over de Nieuwe Herengracht. Een mooie serie. Ze zijn een halve eeuw geleden binnen een tijdsbestek van tien jaar gebouwd. De markante leuningen zijn gemaakt door beeldhouwer Herman van der Heide.


In 1951 voerde het ministerie van Onderwijs, Kunst en Wetenschappen de 'percentageregeling' in: voortaan mocht bij de bouw van alle belangrijke representatieve gebouwen 1,5% van de bouwsom worden bestemd voor 'decoratieve aankleding'. In Amsterdam was die hang naar verfraaiing al decennialang vast beleid. De prachtigste voorbeelden zijn de stedelijke bruggen, tot stand gekomen onder aanvoering van Piet Kramer, van 1917 tot 1952 architect bij de afdeling Bruggen van de Dienst der Publieke Werken.
In de jaren vijftig werd dat beleid voortgezet. Tussen 1959 en 1968 liet Amsterdam weer drie grote bruggen door een kunstenaar verfraaien. Toevallig liggen zij alle drie over de Nieuwe Herengracht, alle drie ook werden vormgegeven door de beeldhouwer Herman van der Heide (1917-1998).
Herman van der Heide begon als etaleur bij V&D, bezocht de avondopleiding aan de Academie Minerva in Groningen, daarna de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag. Om echt kunstenaar te worden verhuisde hij met zijn gezin naar Amsterdam, waar hij werkte als inrichter van tentoonstellingen en probeerde zich als vrij beeldhouwer te ontwikkelen. In 1955 werd hij lid van de Liga Nieuw Beelden. De Liga-kunstenaars namen een voorbeeld aan de 'beelding' van de De Stijl-kunstenaars: zij meenden dat kunst - abstracte kunst - goed kon worden ingezet voor de 'harmonisering' van de bebouwde omgeving. Ze zochten dus gretig naar samenwerking met architecten, stedenbouwkundigen en dergelijke - een kenmerkend aspect van het kunstleven na de oorlog.

Experiment
In 1955 werkte Van der Heide met Hans Ittman, Joost Baljeu, Constant en André Volten mee aan de eerste tentoonstelling van de Liga, onder de titel Nieuw Beeld. Architectuur en Beeldende Kunst. Ze pakten het anders aan dan in een museum tot dan toe gewoon was: ze bouwden de metalen raamwerken en de vitrines zelf, en ze probeerden zo het verschil tussen 'het kunstwerk' en 'de architectuur' van de tentoonstelling zo klein mogelijk te maken. Ze deden dat in de Nieuwe Vleugel van het Stedelijk Museum, en dat was een passende omgeving voor hun experiment: directeur Willem Sandberg wilde dat dit gebouw niet een 'gewoon' museum zou zijn, maar iets "zonder kapsones, iets tussen een fabriek en een schoolgebouw in".
In die periode maakte Van der Heide kennis met de architect Dirk Sterenberg (1921-1996), die na Kramer verantwoordelijk werd voor de bruggen bij Publieke Werken. Hij zou in Amsterdam meer dan 150 bruggen ontwerpen. Bij drie daarvan betrok hij Van der Heide: de Hortusbrug (1959), tussen Muiderstraat en Plantage; de M.S. Vaz Diasbrug (1964), in de Weesperstraat; en de Latjesbrug (1968), in de Anne Frankstraat. Sterenberg ontwierp de brug, Van der Heide de leuningen.

Leuningen
Bij de Hortusbrug bestaat de leuning uit een rij min of meer gelijke vierkanten, staand op een voetje. Elk vierkant is als een schilderij, met een compositie van lijnen en vlakken, niet heel anders dan de schilderkunst van die jaren. Die motieven zijn ook te zien in de M.S. Vaz Diasbrug, 100 meter verderop, vijf jaar later. Ook hier bracht Van der Heide die kleinere vierkante stukken aan, maar ze zijn meer opengewerkt en worden afgewisseld met horizontale balken. De figuren in die kaders zijn niet helemaal abstract: je herkent er planten, zon en maan, kleine mannetjes.
De voorliefde voor die vierkantjes is ook terug te vinden in het monument voor Vaz Dias uit 1965, dat naast de brug kwam te staan. Mozes Salomon Vaz Dias (1881-1963) was een journalist, en oprichter (in 1904) van het Persbureau M.S. Vaz Dias. Hij leverde persberichten aan dagbladen en tijdschriften. In 1922 gaf hij het eerste live-radioverslag ter wereld van een voetbalwedstrijd, via de zender die de Nederlandse Seintoestellen Fabriek op de Amsterdamse effectenbeurs had geplaatst. Het persbureau ging in 1934 op in het ANP; Vaz Dias werd er een van de eerste directeuren van. Van der Heide maakte een gekantelde kubus, uit stukken aan elkaar gelaste staalplaat. Aan de ene kant is de compositie open, aan de andere dicht. Het geheel staat op een H-vormige sokkel, die misschien wel verwijst naar de naam van de beeldhouwer.
De leuningen van de Latjesbrug, 200 meter verder oostelijk, verschillen van die van de vorige twee: de leuningen van de Hortus- en Vaz Diasbrug zijn gegoten, die van de Latjesbrug gelast uit staalplaat. Hier vatte Van der Heide de leuningen op als één geheel. Lange smalle platen zijn tot vormen gevouwen, met 'ezelsoren' en kleine rechthoekige openingen. Vanaf het water gezien maken de leuningen echter een gesloten indruk.

Betrokken
Drie bruggen over dezelfde gracht, binnen tien jaar: dat betekende dat Van der Heide de drie als opeenvolgende 'werken' kon zien, als een serie. Een brug was iets bijzonders, vond Van der Heide. Mensen rijden er langs elkaar heen, twee kanten op; hij wilde die dynamiek graag in die leuningen zichtbaar maken. Hij schreef zelf: "Bij de Hortusbrug: door losse elementen die met elkaar een staccato vormen dat het verloop van de weg volgt; bij de Weesperstraatbrug door de elementen te verbinden onder een doorlopende bovenstrip en bij de [Latjesbrug] door gebruik te maken van één type plaat, een verdere vereenvoudiging dus van de werkwijze, zonder gietwerk."
Kunstenaars als Herman van der Heide hadden een dienstbare instelling. Het waren geen mannen die per se hun eigen artistieke ei wilden leggen. Het hele idee van hun betrokkenheid bij Publieke Werken (en van de percentageregeling) was dat ze werk zouden maken dat niet los stond van de omgeving, maar er logisch in geïntegreerd was. In die geest heeft Van der Heide talloze werken gemaakt voor de openbare ruimte, in overheidsgebouwen en scholen, werk waar nu soms met weinig respect wordt omgegaan. Omdat nogal wat overheidsgebouwen uit de wederopbouwtijd worden vervangen, worden beeldhouwwerken en wandreliëfs, zoals Van der Heide ze veelvuldig maakte, gemakkelijk weggesloopt.